Archive for the ‘1945’ Category

De Engelandvaarder

Posted by Mels de Jong on July 9th, 2010 under 1945, Uncategorized  •  1 Comment

Die uitzending naar Engeland was een gebeurtenis van jewelste. Het was als het ware de kroon op een tijd  van toch al grote evenementen. Natuurlijk stond op de eerste plaats de bevrijding van Eindhoven op 18 september 1944. Wij hadden het al aan zien komen, omdat een dag eerder de geallieerden grote hoeveelheden parachutisten dropten bij Best, ten noorden van Eindhoven. Later bleek dit te vallen onder de operationele naam: Market garden. Wij hadden op de zolderkamer van ons huis een prachtig uitzicht naar die kant, en zagen de duizenden parachutes als zaadjes van een paardebloem naar beneden dwarrelen. De volgende dag leek een anti-climax te worden, met het al vertrouwd aandoende kanongebulder in het zuiden, dat mijn moeder er niet van weerhield om ‘s ochtends nog even met de fiets ‘de boer op te gaan’, om wat voedsel te bemachtigen. Maar aan het begin van de avond, ik was nog op straat, was er een vreemd aanzwellend gerommel hoorbaar naar de kant van de Aalsterweg. Er liepen een paar jongens langs, afkomstig uit de Pioenroosstraat, die luid zongen: ‘Citroen, citroen, en Hitler gaf zijn meid een zoen, en van je hela, hola, houd er de moed maar in’. Tot voor kort zou het een verzetsdaad geweest zijn, maar de omstandigheden waren drastisch veranderd. Zij waren kennelijk op weg naar de Aalsterweg, en ik liep snel achter hen aan door de Pasteurlaan. Bij de Aalsterweg zag ik de eerste Engelse tanks voorbij trekken, luid toegejuicht door de mensen aan de kant. Ik keek mijn ogen uit naar de soldaten met hun, vergeleken bij het Feldgrau van de Duitsers, zo sportief aandoende uniformen en de baretten op het hoofd. Zij trakteerden de mensen op sigaretten en chocolade, die zij vanaf de tanks tussen hen ingooiden. Zo ontving ik mijn eerste pakje , Chesterfield, herinner ik mij. Achteraf wat merkwaardig, want het zijn Amerikaanse sigaretten, en onze bevrijders waren heel duidelijk Engelsen. Er werd achter de rijen langs, bij wijze van bitter contrast, ook nog een Duitse militair op een brancard afgevoerd. Hij zag er verschrikkelijk uit. Zijn uniform zat onder het bloed. Men droeg hem naar het St. Jozefziekenhuis, dat daar vlak achter was. Hoewel ik even stil en met afschuw naar dit tafereeltje keek, werd ik onmiddellijk daarna weer opgenomen in het feestgejuich, en wist ook nog een aantal stukken chocolade te bemachtigen. Het gekke is, dat ik me van de rest van de avond niets meer weet te herinneren. Ik ben ongetwijfeld naar huis gegaan en heb daar mijn ouders en zusjes getroffen, die ook allemaal naar de Aalsterweg waren geweest, en hun verhalen hadden te vertellen. Mijn vader en ik zullen ook zeker van de ‘echte’ sigaretten gerookt hebben, en allemààl hebben we van de chocola gesnoept.

De volgende ochtend werd ik met een feestelijk gevoel wakker. Mijn vader was al vroeg de stad in gegaan om foto’s te maken van de binnen- en doortrekkende Engelse troepen, en van de Amerikaanse parachutisten die langs Woensel, de noordkant van Eindhoven, binnenkwamen. Wekenlang is hij daarna bezig geweest met het afdrukken van de foto’s om er ‘bevrijdingsseries’ van te maken, die hij te koop aanbood in de etalage van zijn kapper in de Winkelstraat. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Mijn zusjes en ik gingen die dag, 19 september, met mijn moeder langs de Aalsterweg naar de stad en zagen dus ook aan een stuk door de troepen langskomen. Het gerucht wilde, dat ook prins Bernard met zijn Irenebrigade die dag door Eindhoven zou komen, maar dat bleek een ijdele verwachting. Wel hebben wij die dag voor het eerst gevlagd. Mijn ouders waren als overtuigde SDAPers fel tegen enig vlagvertoon bij koninklijke feestdagen, maar dit was een ander geval. Weliswaar hadden wij geen vlag, maar een paar lakens verknipte mijn moeder tot drie stroken, waarvan zij er twee in de verf zette. Het blauw was aardig gelukt, maar het rood neigde naar Bordeaux,  en dus had iedereen het de volgende dagen over onze rode kool-wit-blauwe vlag.

Het was een opwindende maar vermoeiende dag geweest, door het slenteren naar en van de stad, hoeveel er ook te bekijken viel. Ik herinner mij zelfs, dat ik bij boekhandel Van Piere nog een klein blocnootje heb gekocht, dat ik de komende tijd als dagboek wilde gaan gebruiken. Vroeg in de avond, we hadden net gegeten, hoorde wij vliegtuigen naderen. Mijn moeder liep naar buiten en riep: ‘Kom eens kijken, vuurwerk!’ Mijn vader keek ook en zei: ‘Welnee, dat zijn lichtkogels.’ Hij had het nog niet gezegd, of wij zagen de bommen al uit de vliegtuigen komen, en met donderend geraas op de grond ontploffen, in de richting van de Floralaan en verder stadwaarts. ‘Naar binnen, het zijn de moffen!’ riep hij. In de gauwigheid zag ik ook, dat om Junkers 88 ging, en spoedde mij toen ook naar binnen. We gingen allemaal in de kelder zitten, onder de trap, met ook nog Maarten Weytens, die net op dat moment bij ons op bezoek was. Mijn vader hield het er niet uit, en ging naar de keuken, om door het raam te kijken wat er zich allemaal afspeelde. Ik liep met hem mee, en zag, dat de bommenwerpers ongeveer boven het St. Joseph-ziekenhuis een draai maakten en weer richting stad vlogen, waar wij zagen, hoe zij daar opnieuw hun bommen afwierpen. Het heeft, al met al, misschien een minuut of twintig geduurd, en daarna werd het weer stil, al zag je wel de rook van de branden die waren ontstaan, boven de bomen van de Floralaan uitkomen. Mijn moeder bracht Maarten naar huis, die een paar blokken dichter bij het begin van de straat woonde. Later heeft zij nog vaak verteld, hoe zij daar het hele gezin om de tafel had aangetroffen, en allemaal ijverig biddend. Het heeft een grote indruk op haar gemaakt. ‘Als je zag wat een rust daarvan uitging,’ werd zij niet moe te vertellen.

Het heeft de feestvreugde ingrijpend verstoord. Die avond hadden we het niet meer over de bevrijding, maar over het gevaar dat kennelijk nog steeds dreigde. Naar bed durfden wij niet, want stel dat zij, de Duitsers, terug zouden komen, en hun bommen boven ons stadsdeel zouden loslaten. Later bleek, dat zij het zeer gericht gemunt hadden op de Engelse kolonnes die door de stad trokken. Maar natuurlijk waren ook huizen onmiddellijk langs de route getroffen, en was er een voltreffer op een schuilkelder terecht gekomen, waar een schoolvriendje van mij, met wie ik net toelatingsexamen voor de HBS had gedaan, dodelijk werd getroffen. Dat wil zeggen, dat hij met zwaar hersenletsel nog enige tijd in een ziekenhuis heeft gelegen en daarna is overleden. Voor de komende nacht stelden mijn ouders voor, na overleg met buren, dat wij naar het ziekenhuis zouden gaan om te vragen of wij daar in de kelder mochten slapen. Daar was het veiliger, ook al door een groot rood kruis, dat op het dak was geschilderd. Het werd goedgevonden, en wij sjouwden met matrassen en dekens naar de schuilplaats. Er waren meer mensen uit de straat, die hetzelfde gedacht hadden, en zo werd het nog een gezellige avond, vooral ook voor ons kinderen, omdat wij op avontuur uitgingen in het ziekenhuis, en aangetrokken werden door heerlijke geuren, die uit de keuken kwamen. Het was een eerste kennismaking, met wat ik later leerde benoemen als ‘stew’. Het kwam uit grote aantallen blikken, en werd opgewarmd in grote gamellen. En natuurlijk probeerden we te praten met de soldaten. Een van hen kwam uit Hollywood, zoals hij vertelde, en hij veranderde op slag in een filmster voor ons. Wij vroegen of hij Deanna Durbin kende, en hij zal er wel vrolijk op los gefantaseerd hebben, want verstaan konden wij hem toch niet.

Wij zijn maar één nacht in het ziekenhuis blijven slapen, want de volgende dagen lieten de Duitse bommenwerpers zich niet meer zien en konden de Engelse troepen ongestoord door Eindhoven trekken door de nauwe ‘corridor’, zoals hij later werd genoemd, op weg naar Nijmegen.

Er brak een opwindende tijd aan. Naar school hoefden wij niet, want het gebouw was gevorderd om onderdak te verlenen aan de Engelse troepen. We konden dus vrijelijk op straat rondkijken en praatjes maken met de militairen, die wij tegenkwamen, en waar gemakkelijk een handel in sigaretten uit ontstond. Want na het aanvankelijke bedelen: ‘Have you a cigaret for my daddy?’ bleek, dat de soldaten wel sigaretten wilden afstaan, maar daar ook wel graag wat geld voor ontvingen. Joost, met wie ik in die dagen bijna uitsluitend optrok, en ik, kwamen er achter dat het gebruikelijke bedrag voor een pakje van 10 sigaretten één gulden was. Dat betaalden wij er graag voor, want een meneer uit de straat, meneer van Gulik, nam ze weer van ons af voor f. 1,50. En, zei hij, je mag me brengen zoveel als je wilt, want ik koop alles van jullie. Ons voornaamste arbeidsterrein was de tuin van het St. Jozef-ziekenhuis. In het ziekenhuis waren zieke en gewonde soldaten ondergebracht, die overdag door de tuin liepen, en het wel aardig vonden om een praatje met ons te maken, en dus om ons sigaretten te verkopen. Er gingen niet veel dagen voorbij, dat wij minder dan tien gulden verdienden. Joost was hierdoor in de gelegenheid zijn vriendinnetje van toen, Elsje Verwoerd, rijkelijk te verwennen met ‘sieraden’, als armbanden en halskettingen. Wij verbleven graag in de ziekenhuistuin, waar wij ook wel kattenkwaad uithaalden. In de tuin waren vele loopgraven gegraven, met wanden en bodems van beton. Zij waren waarschijnlijk bedoeld als schuilkelders voor zieken en verplegend personeel, maar als zodanig waren zij nooit in gebruik geweest. In de tijd dat Joost en ik in de tuin opereerden, stonden de loopgraven half vol water door de herfstregens, en wij besloten er benzine in te gooien en die aan te steken. Benzine was vrij voorhanden, omdat overal wel gevulde jerrycans stonden. Wij hadden gezien, bij voorbeeld op de middenberm van de Floralaan, hoe soldaten daar een kuil groeven, en daar een jerrycan met benzine in leeggoten. Daarna werd de benzine aangestoken, en werden er grote ketels gevuld met water en blikken vlees op warm gemaakt. Wij wisten dus, dat er geen gevaar bij was, en dat het heel gemakkelijk was. We leegden en halve jerrycan in een van de loopgraven, en gooiden daar een brandende lucifer in. Het leverde een fantastische vuurzee op, waar wij gefascineerd naar keken, maar ook wel oplettend of er niemand aankwam, want wij beseften wel, dat het niet in de haak was.

Wij hadden, als veel mensen in de straat, soldaten  ingekwartierd, die overdag werkzaamheden verrichtten in het ziekenhuis, maar ‘s avonds bij ons kwamen, en dan meestal etenswaren meebrachten, als wittebrood –een ongekende lekkernij in die dagen- en blikjes ham ‘spam’ en corned beaf. Zij sliepen op de tweede verdieping, waar naast de zolder een grote logeerkamer was, met een tweepersoonsbed. Het waren gezellige avonden. Mijn vader sprak Engels, en wij luisterden naar de verhalen, die mijn vader tussendoor vertaalde. Het waren soldaten van de RAF: Johnny, een jongen van een jaar of twintig, afkomstig uit Macclesfield, die gitaar speelde, en spaarde om een Hawaï-gitaar   te kunnen kopen. Wij hadden een paar platen van de Kilima Hawaiians, die hij prachtig vond om naar te luisteren. De ander was een Ier, Paddy, een paar jaar ouder, die in Bristol woonde. Vooral prachtig vonden wij, toen hij vertelde dat ook Errol Flynn, die wij toen nog maar enkel van foto’s kenden, daar vandaar kwam. Mijn moeder had sterke moederlijke gevoelens ten opzichte van hen, en zij genoten daar net zo van als van de gesprekken met mijn vader. Op Kerstavond kwamen zij pas heel laat ‘thuis’, om een uur of twaalf toen iedereen al in bed lag. Zij waren  in duidelijk aangeschoten toestand. Voor de slaapkamer van mijn ouders riepen zij hen bij hun naam, ‘Jan! Wiets!’ tot mijn vader uiteindelijk in pyjama de deur opende, en daar een grote kartonnen doos in ontvangst mocht nemen vol lekkernijen als de gebruikelijke blikjes, wittebrood, en bovendien een fles whisky. Dat zij ons op aangename wijze door de winter hielpen, de winter die in het nog niet bevrijde Westen naderhand bekend is geworden als de ‘hongerwinter’, mag duidelijk zijn. Er was nog een andere mogelijkheid om wat extra voedsel te krijgen. In een nabij gelegen pensionaat, Eikenburg, achter het padvindersbos gelegen, bakte men zijn eigen brood, en een priester die hierover ging, broeder Martinus, was met mijn moeder overeen gekomen, dat wij af en toe voor één gulden wel een brood mochten komen halen. Meestal belastte mijn moeder mij en Frieda met die taak. We liepen dan door de Pasteurlaan, gingen het eerste gangetje tussen de huizen door, liepen langs het padvindersbos, en kwamen dan vervolgens op de brede oprijlaan van Eikenburg.  Daar aangekomen moesten wij naar broeder Martinus vragen, die ons dan op wat geheimzinnige wijze het brood toespeelde. Waarschijnlijk deed hij het op eigen gezag, en mochten de andere broeders er niets van weten. Het was donker volkorenbrood, totaal anders dan het wittebrood van de Engelsen, maar ook heel lekker, en zelfs veel gezonder, zoals mijn moeder beweerde.

Honger hadden wij dus niet, maar koud was het wel. Brandstof was nauwelijks te krijgen, en we hadden een oude petroleumkachel te voorschijn gehaald, die we met behulp van een oude voorraad petroleum weer aan het branden konden krijgen. Daar zaten wij dan ‘s avonds zo dicht mogelijk omheen, want erg veel spreiding van de warmte was er niet. Overdag ging mijn vader er soms op uit met slee, want het was ook nog een strenge winter, en een bijl met zaag, om te proberen op de ‘hobbelende geit’ een boom omver te halen, die dan in stukken op de slee gebonden werd. Een keer waren Engelsen hem behulpzaam, die op die plek oefeningen met tanks hielden. Zij zagen mijn vader ploeteren met een boompje, en boden aan om het even omver te rijden, wat inderdaad gebeurde.

Terwijl Joost en ik gouden tijden beleefden op de zwarte markt en er voor zorgden dat het onze omgeving nooit aan sigaretten ontbrak, werden er in Londen op hoog niveau plannen uitgedacht, die mij in de nabije toekomst direct zouden aangaan. De minister van Sociale Zaken, Van den Tempel, was al sinds 1943 bezig met plannen om meteen na de oorlog grote groepen ondervoede kinderen over te brengen naar Engeland om ze daar te laten aansterken. Ik lees dit in De bleekneusjes van 1945, van Jan Sintemaartensdijk. Maar het plan stuitte aanvankelijk op onwil van de kant van koningin Wilhelmina. Van de Tempel heeft na zijn gesprek met de koningin verklaard: ‘Zij stond bepaald vijandig tegenover het plan. Zij vond het te duur voor de overheid en on-Nederlands, omdat Nederlanders hun kinderen niet naar buiten sturen. Zij had zich in Amerika uitvoerig door de Nederlandse ambassadeur laten informeren over de mogelijkheid geld te krijgen, maar daar was geen schijn van kans op. Ze vond dat dergelijke aangelegenheden na de bevrijding aan de Nederlanders zelf moesten worden overgelaten.’ Later bleek, dat dit hele gesprek op een misverstand berustte, want de ambassadeur, Loudon, wist zich van een overleg over een dergelijk plan met de koningin niets te herinneren. Hij stond zelfs heel welwillend tegenover het plan. Bij de besprekingen met de koningin waren heel andere thema’s aan de orde geweest. Toch duurde het tot na de bevrijding van Zuid-Nederland voordat het Engelse Home Office zijn goedkeuring aan het plan hechtte. Er bleek een hostel beschikbaar te zijn in de buurt van Coventry, ‘dat voorheen gebruikt werd voor arbeiders in een vliegtuigfabriek en dat uitermate geschikt was om kinderen in op te vangen. Het geheel was opgetrokken uit steen en beschikte over centrale verwarming en warm en koud stromend water in de slaapkamers, die geschikt waren voor drie of vier kinderen. Verder waren er een ziekenzaal, een wasinrichting en zelfs een kapperssalon. Bovendien was er een grote zaal met een capaciteit van vijfhonderd personen en een allermodernste keuken met kantine voor evenveel personen. Er was op het terrein veel speelruimte voor kinderen. De heer Niemann had het bezocht en sprak zelfs van een luxe kamp.’

Ik merkte hier voor het eerst iets van toen ik een keer met mijn moeder naar de dokter ging, en die ons vertelde van deze mogelijkheid om enige tijd in Engeland door te brengen. Hij zou wel een positief advies over mij kunnen uitbrengen. Er werd thuis natuurlijk over gesproken, en mijn vader noemde het meteen een buitenkansje, dat ik met beide handen moest aangrijpen. Ikzelf aarzelde, omdat ik juist zo’n avontuurlijke tijd meemaakte, maar aan de andere kant lokte het vooruitzicht om naar Engeland te gaan toch ook wel heel erg, temeer daar ik de Engelsen, nu ik ze sinds enige tijd van nabij kende, heel erg aardig vond. En wie weet, zou ik wel goed Engels leren spreken. We waren het dus vrij snel eens om er op in te gaan. Het advies van de dokter was doorslaggevend. Ik werd nog medisch gekeurd en licht genoeg bevonden om een aansterkend verblijf in Engeland te rechtvaardigen. Ik nam een notitieboekje mee, want natuurlijk moest ik van deze bijzondere aangelegenheid een dagboek bijhouden.

Maar eerst gebeurde er nog iets anders. Op een middag stond ik in de voorkamer voor het raam, toen er een stel meisjes voorbijkwam, kennelijk uit school, want het was na vieren. Een van hen viel mij op, niet enkel omdat zij er aardig uitzag, met een lange bos donker haar, maar vooral vanwege haar stem, die heel donker was, en met iets van een schampere toon, alsof de spreekster zich bij voortduring moest afzetten tegen alle onzin, die er rondom haar werd verteld. Ik was daar zeer door gefascineerd, en zorgde er de komende dagen voor, dat ik omstreeks dezelfde tijd weer voor het raam stond. En weer kwam zij langs, en weer hoorde ik die stem, die zich op spottende wijze met haar vriendinnetjes onderhield. Ik keek haar na, en zag dat zij de hoek van de Pasteurlaan omging. Woonde zij daar? Het leek mij onwaarschijnlijk, want de meeste jongens en meisjes uit die straat waren mij wel bekend. Later kwam ik erachter, ik weet niet meer door wie, dat zij Hélène heette. Wat een prachtige naam voor zo’n mooi meisje, want dat was ik haar in die paar dagen wel gaan vinden. Alleen al omdat ik haar moest achterlaten, werd de reis naar Engeland meteen een stuk onaantrekkelijker.

Toch togen mijn ouders en ik op donderdag 8 februari 1945 naar het Philips Ontspanningsgebouw, waar de reis een aanvang zou nemen. Ik nam daar afscheid van mijn ouders, en stapte in een bus, die ons naar Tilburg, de eerste stopplaats zou brengen. Onder het zingen van vaderlandse liederen vertrokken wij. Wij reden door het gebied waar op 17 september de luchtlandingen hadden plaats gevonden, en zagen overal langs de weg nog de stille getuigen daarvan. Kapotgeschoten Duitse kanonnen, dode dieren, geknakte bomen, ed. We reden via Best, Boxtel en Vught, waar we afsloegen naar Tilburg. Achter mij in de bus zat een merkwaardig uitgedoste man, in een crêmekleurige pij en een rode fez. Het was pater Fleskens, die missionaris was geweest in Afrika. Om dit aan te tonen, vertelde hij bloedstollende verhalen over enge beesten als slangen en schorpioenen, en zong hij Arabische liedjes. In Tilburg werden wij ondergebracht in een voormalige schoenfabriek, en konden meteen aanzitten voor een maaltijd van wittebrood met honing. Daarna werden er spelletjes gedaan, en mochten wij wat wandelen in de omgeving. Aan het einde van de middag werden wij ‘ingepoeierd met vlooienpoeder’, zoals ik in mijn dagboek schrijf. Het ging natuurlijk om DDT, dat met blazers in de mouwen en broekspijpen werd geblazen, en via de kraag over het hele lichaam. Sintemaartensdijk schrijft in zijn boek: ‘De kinderen werden allemaal ‘gedust’, dat wil zeggen: behandeld met DDT. De manier waarop dit gebeurde, is een halve eeuw later onvoorstelbaar: het poeder werd met kracht in de broekspijpen, de mouwen en in de hals van de kinderen gespoten, zodat ze in een wolk gehuld waren en het gif in neus en mond kregen. Maar tegen het aanwezige ongedierte werkte het doeltreffend.’ Het eten was in die eerste tijd natuurlijk een belangrijk item, en werd dan ook trouwhartig vermeld. Die eerste avond was het witte bonen, met aardappelen en vlees uit blik, waarna de dag besloten werd met wat muziek. Toen we eenmaal in bed lagen, werden er door de aanwezige pers nog vele foto’s gemaakt. Het was ook de tijd van de V-1’s, op weg naar Londen of naar de haven van Antwerpen. Die nacht heb ik er vijftien over horen komen –het knorrende, pruttelende geluid was onmiskenbaar-, en heb ik er 1 gezien.

De volgende ochtend werden we nog beziggehouden met muziek en toneelstukjes of schetsjes, die door sommige kinderen werden opgevoerd, en waarbij twee broers uit Nijmegen, Thom en Theo Jong zich onderscheidden. Aan het eind van de middag gingen de kinderen stadsgewijs naar het station, en stapten daar in een lange, gereedstaande trein, die ‘s avonds om acht uur vertrok, op weg naar Ostende, waar we de volgende ochtend om acht uur zouden arriveren.. Veel geslapen hebben we niet, ook al door de regelmatig overvliegende V-1’s, die we met grote aandacht volgden. Toen het licht werd natuurlijk naar buiten gekeken, waar ik in Brugge ‘het Belfort zag, en prachtige geveltjes’, zoals mijn dagboek onthult. Wij kwamen pas om tien uur in Ostende aan, waar we eerst nog twee uur in een gebouw moesten wachten op een groep kinderen die rechtstreeks uit Zeeuws-Vlaanderen zouden komen. Ook weer muziek en samenzang, onder begeleiding van een Engelse militair op de piano.

Om 1 uur konden we eindelijk worden ingescheept in twee boten: de meisjes in de Biarritz, en de jongens in de Longford. Bij het instappen kreeg iedereen een zwemvest, dat  aan boord ook meteen omgedaan moest worden. We werden ondergebracht in hutten voor vier personen, waar ik onmiddellijk mijn dagboek ging bijhouden. Over de reis vermeld ik: ‘De anderen schrijven niet. Die slapen of hebben last van zeeziekte. We zijn halfweg Ostende-Engeland. De hut is voor vier personen. Drie ervan hangen uit de patrijspoort over te geven. Weliswaar hebben we ieder een zak gekregen, maar die zijn allang vol en in zee gegooid. Ik heb nergens last van. Om acht uur zijn wij aan de Engelse kunst. Het is nu vier uur. We blijven in de haven, welke weet ik nog niet, slapen. De zee is erg stormachtig. Wel een mooi gezicht. Heldergroene bergen van water met een witte kam. De meeuwen blijven ons achtervolgen en duiken telkens in zee. In de haven van Ostende lagen een heleboel torpedobootjagers. Een ervan begeleidt ons. Land in zicht! Ik zag Engeland als een wazig blauwe streep. De torpedobootjager keerde terug. Hij was ongeveer 100 m. achter ons, toen wij twee geweldige knallen hoorden. Ik zag twee ontploffingen achter de torpedobootjager. We moesten meteen naar binnen. De bemanning had inmiddels ook zwemgordels omgehangen. Het was erg spannend, maar gelukkig gebeurde er verder niets. Het was een Duitse onderzeeër doe door de dieptebommen onschadelijk was gemaakt. In een Vrij Nederland van die dagen kon men lezen: ‘Dolblij waren de kinderen, eindelijk in Engeland te zijn, na een stormachtige reis, waarbij er nogal wat zeeziek waren geweest. Vijfhonderd Nederlandse kinderen, na vier jaar onde de Duitse bezetting eindelijk in Engeland. Honger en ontbering hebben hun wreede sporen op deze kindergezichten gedrukt. En men houdt een oogenblik de adem in. Is dit de Nederlandsche jeugd, het Nederlandsche volk van morgen? Zij zien er mager en bleek uit. Jongens en meisjes van een jaar of tien, maar wier postuur eerder denken doet aan kinderen van zeven tot acht jaar oud. Ook hun kleeren verraden den grooten nood in Nederland, de gevolgen van vier jaren Duitsche overheersching.’ Over het incident met de torpedobootjager wordt niet gerept, of het zou moeten zijn in deze simpele alinea: ‘En in een klein kantoortje slaakten hooge Engelsche officieren een zucht van verlichting dat de reis zoo goed was verloopen.’

Bij de monding van de Thames gingen we voor anker, en pas de volgende ochtend om een uur of zeven voeren wij de Thames op, om in Tilbury af te meren. Daar stond een grote mensenmenigte om ons te verwelkomen, en wij zwaaiden met papieren vlaggetjes, die wij voor dat doel hadden gekregen, naar hen. Er was natuurlijk ook veel pers op de been en er werden veel films gemaakt voor de bioscoopjournaals. Met dubbeldeksbussen, die we nog nooit gezien hadden en waar gevochten werd om een plaatsje bovenin te bemachtigen, werden we naar een school gereden, waar we een middagmaaltijd kregen. Naar ik later begrepen heb was het een Irish stew, die wel erg flauw was, zodat er rijkelijk gebruik gemaakt werd van de zoutvaatjes. Na het eten werden we naar het station gebracht en gingen we met de trein naar Coventry, en vandaar weer met bussen naar Baginton, een plaatsje ten Zuiden van Coventry, waar ons kamp was. Onderweg stonden overal mensen langs de weg om ons toe te juichen, wat mij in mijn dagboek deed schrijven: ‘Iedereen zwaaide en juichte, net als wij op 18 september toen de Engelsen Eindhoven binnentrokken.’

In het kamp werden we voorlopig ingedeeld, in afwachting van een definitieve regeling: ‘We zitten met drie jongens op een kamer. Ik slaap bij Walter Jacobs (een jongen die ik tijdens de heenreis heb leren kennen en tot wie ik mij direct aangetrokken voelde) en Frans van Steen, (die ik al kende van een vorig verblijf, in de vakantiekolonie Kerdijk in Egmond aan Zee.) De bedden zijn twee boven elkaar en een apart. Ik slaap in het bovenste. We hebben ieder een tandenborstel, een kam en een haarborstel gekregen. Ieder heeft twee laatjes waar hij zijn spullen in kan bergen. Er zijn twee hangkasten. Een vaste wastafel met heet en koud water en een spiegel. ‘s Avonds toen wij al in bed lagen kwam pater Fleskens langs de kamers en gaf iedereen een kruisje op zijn voorhoofd. Morgen zal ik hem vertellen dat ik niet katholiek ben.’

De volgende dagen stonden vooral in het teken van het uitdelen van kleren aan de kinderen en aan een definitieve organisatie van het kamp. Frans, Walter en ik werden weer gescheiden, en zelfs in drie verschillende blocks ondergebracht. Dit ook al, omdat de katholieken bij elkaar werden geplaatst, evenals de protestanten en de kinderen zonder geloof, zoals Walter en ik. Toch zaten wij niet bij elkaar, maar omdat er op zijn kamer nog een bed vrij was, hebben wij na veel aandringen gedaan weten te krijgen, dat ik daar mocht komen. Wij bleken toen als twee Eindhovenaren in een blok met Nijmegenaren te zitten, block C. De derde jongen op onze kamer kwam ook uit Nijmegen. Hij heette Wim Leurmans, en was een forse, stevige jongen, waar we ook al snel goed mee op konden schieten.

De eerste dagen gingen vooral heen met het aanpassen en in ontvangst nemen van nieuwe kleren en schoenen. Ik kreeg twee pyjama’s, twee shirts, een trui, twee stel ondergoed, een winterjas, drie paar sokken en een lange broek. Het laatste was nieuw voor mij, want ‘s zomers was ik gewend om in korte broek te lopen, en ‘s winters droeg elke jongen van mijn leeftijd een plusfour. Maar lees ik, ook toen al moest ik de volgende dag alweer terug om mijn broek te ruilen, want die was veel te lang. Een dag eerder had ik al schoenen gekregen, en daar was ik erg blij mee. Nog al wat kinderen kregen namelijk een soort klompschoenen, van boven leer, en van onder een dikken houten zool. Maar ik kreeg zomaar hele leren, sportief uitziende schoenen, met rubber zolen. Zeer sjiek vond ik ze.

Er waren die eerste tijd ook wat problemen met het eten, dat wil zeggen dat de kinderen vonden dat ze niet genoeg kregen, en voortdurend honger hadden. Dat was natuurlijk een welbewuste, en verstandige keuze van de kampleiding, die de kinderen geleidelijk aan wilde leren wennen aan normale maaltijden. Op een avond leidde dit tot een spontane ‘betoging’ in de eetzaal. Een paar jongens, die dit van te voren hadden besloten, zetten een lied in met een eenvoudige tekst, die terstond door de hele eetzaal werd meegezongen. De tekst luidde: ‘Wij hebben honger, wij hebben honger, wij hebben toch zo’n honger’, en hij werd gezongen op de wijs van: ‘Kom laten wij aanbidden.’ De bede werd onmiddellijk verhoord, en de volgende dag mochten wij net zo veel eten als wij wilden. Wij kregen zelfs patates frites bij het eten, waarbij ik mij niet onbetuigd liet. Het gevolg was, dat ik die avond, zo lees ik in mijn dagboek, behoorlijk heb overgegeven. De volgend dag, 21 februari, staat er: ‘Vanmorgen bij het wakker worden was ik een beetje duizelig. Ik ben maar in bed gebleven en heb wat gelezen en geboetseerd. Daarna kon ik weer gewoon eten.’

Natuurlijk ontstonden er ook spontaan een aantal clubs bij de jongens. In mijn blok was dat ‘de Vuist’, waarschijnlijk ook al omdat er speldjes te krijgen waren van een koperen vuist, die je op je trui kon spelden. Ik was bij deze Vuist, en voelde mij als enige Eindhovenaar tussen louter jongens uit Nijmegen niet weinig vereerd. Maar veel stelde het clubleven niet voor. Er waren geen nachtelijke of geheime samenkomsten om snode plannen te smeden, waar je altijd van hoort en er werden al helemaal geen krassen op de armen gemaakt, om het onderlinge bloed van de leden te mengen en daarbij een eed af te leggen op eeuwige trouw en vriendschap.  Een van de weinige aktiviteiten waarvan sprake is in mijn dagboek, is dat ik op 16 februari ‘na het eten stiekem (dat wel!) met drie jongens van de Vuist de poort ben uitgegaan om wat voor juffrouw Pietsie te kopen, die morgen jarig is.’ Pas jaren later ben ik er achter gekomen, dat deze juffrouw Pietsie de vrouw was van Godfried Bomans, een na de oorlog door mij zeer geliefde schrijver. Ik woonde toen al in Haarlem, en zag Bomans en zijn vrouw regelmatig in de stad lopen, zonder dat ik in de gaten had, dat dat mijn juf  Pietsie uit het kamp was. Ik herkende haar eenvoudigweg niet eens. Zij was trouwens bij toeval bij de kinderuitzending terecht gekomen, want zij was weliswaar al op 14 april 1944 in Nijmegen getrouwd, maar dat was enkel voor de wet. De kerkelijke inzegening die de volgende had plaats zullen vinden, ging niet door omdat Bomans nog niet klaar was voor de ‘verantwoordelijkheid’ die het huwelijk met zich meebrengt. De inzegening gebeurde pas in augustus 1945, dus na Pietsies terugkeer uit Engeland. Aan Pietsies verjaardag, de volgende dag, werd de gebruikelijke aandacht besteed. Ik lees: ‘Juffrouw Pietsies verjaardag is gevierd met een toneeluitvoering. Erg leuk. Er is ook nog een dame van het Parlement geweest.’

Juffrouw Pietsie is maar heel even leidster van mijn groep geweest, want al op 22 februari is er sprake van een nieuwe juf, juffrouw Gien, die tot het einde van mijn Engelse tijd mijn leidster is gebleven. Op 22 februari, ‘toen we ‘s avonds in bed lagen, kwam juffrouw Gien nog even praten. Zij is al vier jaar in Engeland. Haar verloofde is bij de Royal Air Force in Italië, en de ouders van hem wonen in Southampton.’ Ook zij is twee dagen later alweer jarig, maar zij krijgt op die dag vrijaf om haar aanstaande schoonouders in Southampton te bezoeken. Zij heeft mij beloofd om een schrift voor mij mee te nemen, want mijn notitieblokje voor het dagboek raakte al aardig vol. Op juffrouw Pietsie was ik als twaalfjarige hals over kop verliefd geworden, dat kon ook moeilijk anders met haar filmsterachtige uitstraling, maar mijn liefde voor juffrouw Gien is gaandeweg gegroeid. Zij was waarschijnlijk veel aardiger en vooral warmer dan Pietsie, en had een oprechte belangstelling voor mij. Dat voelde ik heel goed aan, en zij toonde het van haar kant, door vaak wat voor mij mee te nemen, als zij ergens naar toe was geweest.

De eerste tijd was natuurlijk ook een tijd van verkenningen en van langzaam maar zeker wennen aan het kamp met zijn regels, en vaste tijden voor eten, middagrust op de kamer en regelmatige weegbeurten. Want natuurlijk wilde men graag weten of de Nederlandse bleekneusjes baat vonden bij het nieuwe regime. Op 22 februari kon ik al berichten, dat ik 5 pond was aangekomen. De middagrust hield in, dat wij na de middagmaaltijd anderhalf uur op onze kamers moesten blijven, waar we verder mochten doen wat wij wilden. Er was een bibliotheek, dus ik kon op die tijden naar hartelust lezen. De titels van de boeken heb ik ijverig genoteerd. In de vier maanden dat we in het kamp waren, heb ik 48 boeken gelezen. Allemaal jongensboeken van de in die tijd klassieke auteurs als Johan Kievit, Chr. van Abcoude, A.C.C. de Vletter, Johan Been, Leonard Roggeveen, Charles Krienen, etc. Op dit gebied kwam ik dus niets tekort. Maar rustig lezen was er niet altijd bij. Er zaten in ons blok een aantal jongens, die de rust gebruikten om langs de andere kamers te gaan en daar de jongens te pesten, of, zo mogelijk, en bij voorkeur, een robbertje te knokken. Daarbij ging het niet zachtzinnig toe: er werd meteen, en hard, op het gezicht geslagen. Het was een ware terreur onder leiding van iemand die ‘de Poes’ werd genoemd. Op het hoogtepunt van deze terreurperiode hadden Walter en ik het er met onze kamergenoot Wim Leurmans over, om eens een keer krachtig op te treden. Wim, met zijn forse postuur, leek ons de enige van het blok die hiervoor in aanmerking kwam. Ik weet niet meer of de Poes dit ter ore is gekomen, maar op een ochtend was hij plotseling in onze kamer, en maakte een provocerende opmerking naar Wim, die in een dolle driftbui schoot en zich op de Poes stortte, die even niet begreep wat hem overkwam, maar toen met al zijn geroutineerde straatvechterstrucjes even de tijd nam om Wim uit te laten razen, om hem daarna vakkundig in elkaar te slaan. Later zou Wim hierover berichten: ‘Onder elkaar werd er ook flink gevochten. Ik was een van de oudsten en ging niet voor die jongens opzij. Dat liep op een ochtend uit op een knokpartij met een van de grootsten. Het ging er fel aan toe en we verschenen allebei bij de mis met een dichtgeslagen oog.’ (Jan Sintemaartensdijk, 2002) Ik herinner mij niet, dat de Poes erg groot was, eerder wat aan de kleine kant, maar ongelooflijk breed, en als het ware haast geschapen om te vechten.

Er was van buiten het kamp ook veel belangstelling voor ons. Een afdeling van de plaatselijke padvinderij kwam bijna elke zaterdag naar het kamp, om met ons te spelen. Vaak gingen wij dan met hen buiten de poort, om in een naburig bos de praktijk van het scouting te beoefenen. Bij die gelegenheden werden wij vergezeld door pater Fleskens, ,die zo’n beetje optrad als onze hopman. Hoe het hierbij toe kon gaan lees ik op 4 maart: ‘Vanmiddag een fijn spel gespeeld met de padvinders in het bos. Er waren twee partijen die elk een grote cirkel op de grond maakten, ongeveer 100 meter van elkaar. Zo gauw een speler in de cirkel is, is hij veilig. Iedere partij heeft vijf schatten, bij voorbeeld stenen. Het is de bedoeling om alle schatten van de tegenpartij te roven. Je mag elkaar daarbij doden. dat gaat zo: je moet proberen de rechterhand van de tegenstander op de grond te drukken. We hebben een keer gewonnen en een keer verloren.’ Of, op 18 februari: ‘Met de verkenners en pater Fleskens een lange wandeling gemaakt door een bos, waarbij we een berg moesten beklimmen en over een boom klauteren die over een tamelijk diepe afgrond lag. Onderweg een ruïne ontdekt en in de kelder gekropen. Toen we er weer uitkwamen waren we bij een heel ander deel van de ruïne terechtgekomen. Op de weg terug in een ronde kring bijeen gezeten en Engelse en Nederlandse liedjes gezongen.’

En dan is het al haast vanzelfsprekend, dat de jongens van het kamp al zeer spoedig begonnen zijn aan een voetbalcompetitie. Er was een echt voetbalveld met doelpalen, dus de situatie vroeg er als het ware om. De verschillende blocks, waarin kinderen uit eenzelfde stad bijeenzaten, vormden een goed uitgangspunt voor het samenstellen van elftallen. Block C, mijn block, met dus Nijmeegse jongens, kwam met het team Roda, en er was overal genoeg animo om twee elftallen te kunnen vormen. Zo kwam ik terecht in Roda 2. Verder waren er nog Irene, het Eindhovense team, Zeelandia, de naam zegt het al, en Beatrix, met jongens uit Den Bosch en Maastricht,  omdat zij in één block zaten, block D. De wedstrijden trokken veel belangstelling, en het werd al snel duidelijk, dat zowel het eerste als het tweede elftal van Zeelandia de competities met overmacht zouden gaan winnen. Alle andere teams verloren met grote cijfers, en alleen Roda 2, mijn team dus, wist het tweede van Zeelandia een gelijk spel af te dwingen (0-0). Ook al door dit wapenfeit eindigden wij op een eervolle tweede plaats.

Af en toe werd het hele kamp ook uitgenodigd voor een bezoek aan instellingen in Coventry. Op 8 maart was dat aan het Leger des Heils, waar wij onthaald werden op een heerlijke maaltijd met cake, pudding en krentenbrood, en ook nog het nodige snoepgoed mee mochten nemen. Daarna was er een voorstelling in een toneelzaal met tapdansen, zingen en een paar films met Popeye en Charlie Chaplin. ‘Een erg fijne middag’, vond ik het. Twee dagen later al was er een bezoek aan een kamp met zo’n 2000 Amerikaanse militairen. We werden van alle kanten gefilmd en daarna kregen we ook weer een uitvoerige maaltijd in een eetzaal met de portretten van Churchill, Roosevelt, Stalin en De Gaulle aan de wanden. In een recreatiezaal konden we vervolgens tafeltennissen en andere spelletjes doen, en de middag werd besloten met een parade van alle militairen, waarbij de Engelse, Amerikaanse en Nederlandse volksliederen werden gespeeld. Tussen deze twee bezoeken in, op 9 maart, bezocht de koningin ons kamp. Een gebeurtenis van jewelste, natuurlijk, maar wat was het een oud, dik en klein vrouwtje. Zij bracht een bezoek aan elk block en werd daarbij steeds temidden van de kinderen op de foto gezet. En tussen de middag zat ze ook gewoon in de eetzaal tussen de kinderen mee te eten. Ter ere van het bezoek hadden we een vrije middag, wat inhield dat de pater weer verhalen vertelde uit zijn Afrikaanse repertoire, en dat we mochten voetballen en andere spelletjes doen. ‘s Avonds bij het avondeten kregen we elk een sinaasappel, wat een speciale vermelding waard was. In april kregen we nog eens bezoek van het koninklijk huis. Ditmaal was het prinses Juliana die ons kamp bezocht. Zij kwam veel later dan aangekondigd, want ik lees dat we anderhalf uur op haar hebben staan wachten. Zij zat in een mooie grote Lincoln. Ter ere van haar bezoek kregen wij een ei, een stuk cake en een reep chocola, en in mijn agenda heeft ze ook nog op 30 april, haar verjaardag, haar handtekening geschreven.

Er kwamen meer hoge gasten, zoals de minister van Onderwijs, de burgemeester van Coventry, die zelfs ons kamertje met een bezoek vereerde, en als een belangrijke gast niet kwam opdagen, dan werden we schadeloos gesteld met bij voorbeeld ‘zeven snoepjes’. In maart zouden alle leiders en leidsters worden vervangen. Het leidde tot een regelrechte protestactie van ons blok, omdat wij zeer tevreden waren  over die van ons. Wij zijn toen met het hele blok naar de directrice, mevrouw Van Iersel, gegaan, om te vragen of wij ‘onze juffrouwen’ mochten houden. Het hielp, want juffrouw Gien en juffrouw Annemarie, mochten blijven, maar zij werden aangevuld met meneer Wonders, waar wij vrede mee hadden, want hij stond bekend als een aardige man. In verband met de nieuwe organisatie werden de bloks weer opgedeeld in kleinere groepen, die elk onder een leider of leidster vielen. Ik zit in  groep C3, onder meneer Wonders. Dat maakte het ook makkelijker om uit te gaan, zeker als we lange wandelingen maakten en met de bus of de trein weer terug wilden. Zo gingen we op 6 april de hele dag op stap. ‘Het plan was om naar Stratford on Avon te gaan. Toen we ongeveer 3 mijl van Leamington waren hebben we een boterham gegeten en daarna een auto aangehouden, die ons van Leamington naar Warwick bracht. We besloten om daar maar te blijven. Er staat een mooi kasteel; maar we mochten alleen maar in de tuinen wandelen, omdat het kasteel zelf in gebruik is door de regering. Toen we uitgewandeld waren zijn we lopend teruggegaan naar Leamingtin en vandaar met de trein via Kenilworth naar Coventry en met de bus terug naar Baginton.’ Een andere keer gingen we met juffrouw Annemarie naar de kermis in Coventry (5 april). Dat was erg fijn. We zijn in een raketbaan geweest, maar daar hebben drie jongens wel van over moeten geven.

Ook gingen wij er wel op uit zonder leider of leidster, zoals op 17 maart: ‘We zijn met zeven jongens naar Coventry wezen wandelen. Onderweg vonden wij een hondje dat we in Coventry op een politiebureau hebben afgegeven. Daarna de DOM beklommen. 200 treden, 60 meter hoog. Een prachtig uitzicht. Toen naar de markt, waar ik twee vrijheidsspeldjes heb gekocht. Met de bus weer naar huis.’

Met Palmpasen moesten de groepen allemaal een Paaspalm maken, die dan in een optocht getoond zouden worden. De paaspalm van mijn groep kreeg de tweede prijs. Op 1 april was het Pasen. ‘Na het eten zouden we paaseieren gaan verstoppen. Ik ook. Het moest een speurtocht worden met tekens. Na ongeveer twee uur lopen borgen wij de paaseieren in een holle boom. Toen gingen wij een eind verder zitten wachten. Na 2 ½  uur toen er nog niemand was geweest zijn we maar teruggegaan. Onderweg kwamen wij ze tegen. Bijna alle sporen waren weggewaaid of verregend. We hebben de eieren maar verdeeld. Vanavond kregen we nog een reep chocola en een sinaasappel. Een dag later, op Tweede Paasdag, werden er in het kamp volksspelen georganiseerd. Mijn groep, C3, moest zaklopen, penaltyschieten en touwtrekken. Met touwtrekken ging ik roemloos ten onder, maar met zaklopen was ik derde en met penaltyschieten zelfs eerste. Toch kwam ik niet verder dan een vijfde plaats, terwijl alleen de eerste vier in de prijzen vielen.

Naarmate april vorderde, kwamen er meer berichten over de oorlog, die zich tot dan toe ver buiten het kampleven afspeelde, tot ons. Soms in de vorm van geruchten, zoals op 12 april, toen er verteld werd, dat Eindhoven gebombardeerd was, en soms ook door de leiders en leidsters, die het over de radio gehoord hadden. Het werd langzamerhand een gewoonte, dat een van hen ‘s avonds aan de groep voorlas, en daarbij ook het laatste nieuws vertelde. Een aangename bijkomstigheid was, dat de kinderen die daar trek in hadden, tijdens het voorlezen getrakteerd werden op een halve, en soms zelfs een hele sigaret. Om ook van de halve sigaret zo lang mogelijk te kunnen genieten, had ik voor mijzelf uit een houten blokje een sigarettenpijpje gesneden, dat mij in staat stelde de sigaret tot het laatste restje tabak te kunnen consumeren. Maar zo hoorden wij van meneer Wonders op 13 april dat Roosevelt was gestorven. En op 30 april vertelde juffrouw Annemarie dat Hitler dood was. Op 3 mei hoorden wij zelf over de radio dat Hitler en Goebbels zelfmoord hadden gepleegd en dat er al vrachtwagens met voedsel door bezet gebied rijden.

De volgende dag was het 4 mei. ‘s Avonds had ik mijn boek al weggelegd en wilde juist gaan slapen toen de jongens die naar het nieuws hadden geluisterd terugkwamen en vertelden dat heel Nederland nu vrij is. Eerst drong het niet goed tot ons door, maar toen wij ze allemaal hoorden juichen en schreeuwen, begrepen we dat het waar was. In minder dan geen tijd schoten wij in een broek en trokken een paar schoenen aan. Daarna via het raam naar buiten. Er vormde zich al een hele optocht. Zo ging het door het hele kamp, allemaal blij en uitgelaten. Een paar jongens waren op de watertoren geklommen en hesen de vlag. Toen kwamen we bij het hoofdgebouw bijeen en zongen het Wilhelmus en God save the king. Toen we uitgezongen waren, zei mevrouw van Iersel dat we maar naar bed moesten gaan en dat we morgen zouden feestvieren. Maar van slapen kwam niet veel. Tot half elf hebben we nog zitten praten en eindelijk gingen we dan toch maar slapen. De volgende ochtend een groot kampvuur gemaakt ter ere van de bevrijding van Nederland. Toen het goed brandde gooiden we er asbest golfplaten op die even later, als ze gloeiend heet werden met een luid klap omhoog vlogen en rokend neerkwamen. ‘s Middags zou er een optocht zijn, maar dat ging niet door omdat het te hard regende. In plaats daarvan werd er een film vertoond over onze reis naar Engeland. Jammer genoeg heb ik mezelf niet gezien. Vanavond naar het nieuws geluisterd. Ook professor Gerbrandy heeft gesproken.

Twee dagen later was de oorlog in heel Europa afgelopen, zoals we op de BBC hoorden. De volgende dag, 8 mei, was het V.E.-day (Victory in Europe). Het werd binnen het kamp ook weer een groot feest. Alle groepen moesten kermisattracties bedenken, waaraan iedereen mee kon doen. Onze groep maakte een rad van avontuur, maar er kon ook via draadjes uit een grabbelton getrokken worden, er was ringgooien. Iedereen had een shilling betaald en kreeg daarvoor een kaart met twaalf bonnetjes. En elke attractie kostte een bonnetje. Ik vond het een heerlijke middag, zeker toen er ‘s avonds ook nog eens buiten gegeten werd. En ‘s avonds bij het voorlezen kregen we van meneer Wonders een hele Churchman-sigaret! Tto heel laat waren er vreugdevuren, een lichtboog en schijnwerpers boven Coventry te zien. We zaten allemaal op de daken van onze barakken, om maar niets te missen.

De volgende dag hebben we door de feestende omgeving nog een grote wandeling gemaakt met meneer Wonders. We werden overal onthaald op snoep en limonade. In Stretton vertelde een man aan meneer Wonders dat er een kinderfeest was, en wij hebben daar geestdriftig aan meegedaan. Dansjes om de meiboom, liedjes zingen, en nog een partijtje voetbal gespeeld tegen de plaatselijke jongens. Tot slot was er een kampvuur. Op de terugweg kregen we een lift in een grote Jaguar helemaal naar het kamp. Een paar dagen later zijn we nog eens teruggeweest naar Stretton, omdat we hadden afgesproken dat we nog een echte voetbalwedstrijd met de Engelse jongens wilden spelen. Geheel in stijl, want zo lagen de voetbalverhoudingen tussen Engeland en Nederland in die dagen, werden we met 5-2 verslagen.

Op 13 mei waren er nog meer feesten. Nu was er een grote parade in het War Memorial Park in Coventry. Het leek wel of het hele leger langs kwam. Duizenden soldaten Schotten, matrozen, vepleegsters, en ga zo maar door. Alle volksliederen werden gezongen, en ik raakte mijn groepje met juffrouw Gien kwijt. Naar mijn gevoel heb ik uren lang rondgedwaald om hen te zoeken, en pas na de parade liep ik toevallig tegen meneer Wonders op, en even later was juffrouw Gien er ook weer.

Afgezien van de feestelijkheden stonden deze dagen van half mei in het teken van de keuze die de kinderen moesten maken over de beëindiging van het verblijf in het kamp. Het was namelijk mogelijk om het verblijf in Engeland nog te verlengen met een verblijf van twee maanden in een Engels gezin. Walter, Wim en ik kozen eensgezind om te blijven, maar het overgrote deel van de kinderen, zo’n vierhonderd, hadden het wel gezien in Engeland, en gingen liever terug naar huis. Hierbij zal heimwee ook wel een rol hebben gespeeld.

Om goed voor de dag te komen bij de Engelse families (en thuis!) kregen we op 18 mei nog nieuwe kleren, en een grote plunjezak, waar we al onse spullen in konden stoppen. Op 24 mei werd min of meer afscheid genomen van Coventry. We werden uitgenodigd voor een filmvoorstelling in Coventry, waar we met bussen naar toe reden, en ‘s avonds was er een groot kampvuur in het kamp met veel gasten, onder wie de burgemeester van Coventry. Er werd muziek gemaakt door een orkestje met mij op de tamboerijn, en er waren veel toespraken, o.a. van de burgemeester.

Op 29 mei was het vertrek, en op de dag ervoor ben ik voor het laatst in het bad geweest en naar de kapper. ‘s Avonds was er een meneer van het ontvangstcomité uit Clitheroe, de plaats waar Walter, Wim en ik naar toe gaan, om ons wat op de hoogte te stellen, en kregen wij van juffrouw Annemarie een laatste Craven-A sigaret. Wij vertrokken ‘s ochtends per trein om half twaalf uit Coventry, en kwamen langs de volgende stopplaatsen: Birmingham, Wolverhampton, Stafford, Crewe, Stockport en Manchester. Daar werden we van het ene station naar het andere gereden, waar we, voor we vertrokken, nog koekjes en thee kregen van WVC. Toen langs de volgende plaatsen, Bolton, Darwen, Blackburn, waar een groep kinderen uitstapte die daar zou blijven, Daisy Field, Wilpshire, Langho en Whalley naar Clitheroe. We liepen naar een zondagschool, waar we thee kregen, en waar ik de man ontmoette, meneer Taft, bij wie ik zou logeren. Hij was heel aardig, sloeg direct een arm om mij heen, en drukte mij tegen zich aan. Daarna werden wij met auto’s naar onze plaatsen van bestemming gebracht. Daar maakte ik kennis met de andere leden van het gezin, Mrs. Taft, Colin, een jongen van mijn leeftijd en Margaret, een meisje van 3 ½ .

Na de vier maanden kamp, waar ik mij tussen mijn leeftijdsgenoten uitstekend had geamuseerd, en waar ik geen moment last had gehad van mijn kwaal de astma, kwam ik nu weer in een omgeving die veel leek op die van mijn ouderlijk huis. Er was een, zij het niet onaanzienlijk verschil. Taft, zoals ik hem zal noemen, leek in de warmte van zijn contact en in zijn sterke gerichtheid op de mensen uit zijn omgeving, nog het meeste op mijn moeder, terwijl de ‘mrs’ , hoewel uiterst vriendelijk, toch wat koeler en afstandelijker was, waardoor zij meer leek op mijn vader. Maar ik was nog geen paar dagen in huis, of ik kreeg voor het eerst weer duidelijk last van astma. Het gezin Taft had ook een poes, Nico, en pas vele jaren later ben ik erachter gekomen, dat dat waarschijnlijk de oorzaak van mijn astma was. Wij hadden thuis ook met onregelmatige tussenpozen dat soort huisdieren, maar ik ben pas het verband gaan leggen toen ik al met Gerda samenwoonde, en wij van iemand een kat op zicht kregen. Hoewel ik, sinds ik bij Gerda was, niets van mijn kwaal had bespeurd, kreeg ik het nu de eerste de beste avond alweer een beetje benauwd. De kat onmiddellijk weggedaan en daarmee was ook mijn astma verwenen.

Taft stond in Clitheroe aan het hoofd van een filiaal van de apotheekketen Booth, en was dus, na een bezoek met mij aan de dokter, gemakkelijk in staat om mij te voorzien van ephedrinetabletten, die de asthma aardig onderdrukten. Maar verder leidde ik weer een normaal huiselijk leven. Colin zat op een grammarschool, en als hij er niet was, zat ik in de tuin te lezen, of wandelde langs de Ribble, een romantisch riviertje dat dicht bij het huis van Taft door een mooi dal stroomde. Of ik ging Walter en Wim ophalen om samen wat door het stadje te lopen, of thee te drinken met juffrouw Gien. Hoog boven Clitheroe uit torende de ruïne van een middeleeuws kasteel op een heuvel, en ook daar ging ik met Walter en Wim naar toe. Tijdens een wandeling met het hele gezin Taft naar de Ribble, troffen we een afdeling chemie-troepen, die daar aan het oefenen waren. Taft raakte met hen in gesprek, en ontdekte, dat er ook een Nederlander bij was. Die heeft hij onmiddellijk uitgenodigd om ‘s avonds eens langs te komen. Als Colin er was gingen we cricketen op een graslandje, dat wil zeggen, dat de een bowlde en de ander met het bat de bal probeerde weg te slaan. Een enkele keer gingen we naar de openbare leeszaal, waar Colin dingen moest nakijken voor school, en waar ik dan ondertussen hele jaargangen van Punch doorbladerde, en probeerde de mopjes te begrijpen. De Tafts hadden vele kennissen in Clitheroe, en vooral bij mr. en mrs. Bentley gingen we vaak op bezoek. Toen mrs. Taft begin juli een paar dagen met haar zuster en met Margaret ging logeren bij haar vader in Birmingham, waren Colin en ik helemaal in de kost bij Bentley. Alleen slapen en ontbijten deden wij nog thuis. Ik vond het niet erg, want ik was erg gesteld op mrs. Bentley, een alleraardigste, vriendelijke vrouw, die ongeveer de helft in omvang was van haar echtgenoot, een zeer grote en forse man. Bovendien hadden zij veel jongensboeken, waar ik mij, zo goed en zo kwaad als dat ging met mijn gebrekkige Engels, mee amuseerde. Zij kwamen ook op het feestje dat ik kreeg aangeboden op mijn verjaardag op 6 juni, en gaven mij een van de boeken waarin ik niet uitgekeken raakte: The World’s wonders. Ik heb het nog steeds en blader er nog wel eens in. Verder kwamen op mijn verjaardag Mr. en mrs. Veevers, weer andere vrienden van Taft, van wie ik een Robinson Crusoe-achtig jongensboek, The strange adventures of Eric Blackburn kreeg. Ik heb het tijdens mijn verblijf in Clitheroe helemaal uitgelezen, met behulp van een zakwoordenboekje Engels-Nederlands dat ik al in het kamp van juffrouw Gien had gekregen. Zij was er ook, en natuurlijk Walter en Wim. Ik noteerde in mijn dagboek: ‘Mrs. Taft had een heerlijke tea gemaakt, met gebakjes, cake en pudding. Na de tea heeft mr. Taft nog foto’s van ons gemaakt in de achtertuin.’

Met Colin ging ik op vrije middagen ook wel op stap naar een park langs de Ribble, om vogels te kijken. Hij bezat een kleine verzameling vogeleieren, waardoor ik al snel op de hoogte raakte van de Engelse vogelnamen, zoals thrush, lapwing, blackbird, starling en magpie. Op een keer gingen we met nog twee vrienden van hem op de fiets naar een quarry, een afgraving, waar een grote en diepe plas water was. Er zaten veel salamanders en er lag bovendien voldoende hout om een vlot te bouwen, waarmee we vervolgens op de plas hebben gevaren. Zo leefden wij een beetje ons eigen jongensboek.

Net als toen we nog in het kamp waren, werd ook hier de hele groep regelmatig uitgenodigd voor uitstapjes. Zo hebben we een dekenfabriek in Accrington bezichtigd, waar we bij vertrek elk een grote lap flanel kregen aangeboden om mee naar huis te nemen. Maar de mooiste uitstapjes waren die naar Blackpool, vond ik. Ik noteerde: ‘Er is daar een enorme kermis, die er het hele jaar door staat. We zijn in een sprookjesgrot geweest, en in een hele steile achtbaan. Doodeng. Als we naar beneden gingen leek het of mijn maag eruit zou komen. Voor een tweede keer heb ik bedankt. Na een tijdje gingen de meisjes naar het strand, maar de jongens wilden liever op de kermis blijven en gingen naar het ‘Funny house’, waar van alles te doen was. Een cake walk, een draaiende schijf, een kleefwand, en ook een paadje waar je overheen moest lopen. Halverwege begon het dan te waaien van onder, zodat alle rokken van de vrouwen de lucht ingingen.’ Een dag of tien later zijn we er nog eens geweest. Toen hebben we een kleine dierentuin en een zee-aquarium bezocht in het Towerhotel, en vervolgens een circusvoorstelling, die ik prachtig vond. Minder leuk vond ik dat er tijdens het pootje baden na afloop een krab in mijn grote teen beet.

En toen kwam de laatste week alweer van mijn Engelse avontuur. Nog een uitnodiging voor de tea door een zondagschool: ‘Er trad een goochelaar op die vertelde dat hij in de Eerste Wereldoorlog gevochten had samen met Montgomery, die toen nog maar een gewone soldaat was. Zij waren vrienden geworden en deden samen goocheltoeren voor de andere soldaten.’, een uitnodiging door de girl guides gehad voor supper in de Waddow Hall, een groot gebouw aan de overkant van de Ribble, inkopen gedaan met mr. Taft, o.a. fietsbanden het onontbeerlijke cadeau voor thuis, en een excursie naar het Groot Seminarie van Stoneyhurst, met een fraai geoutilleerd museum, met opgezette vogels en dieren, opgeprikte vlinders en kevers, en mummies, die vooral mijn aandacht trokken.

Het hoogtepunt van die laatste week was een verjaarspartijtje van Margaret Elliott, waar Walter in huis was, en waar Colin en ik voor uitgenodigd waren. Er werd Hyde Park corner gespeeld, waarbij de jongens in een kring zaten, in het donker, met een meisje op schoot. In het midden stond de parkwachter met een lantaarn, die moest proberen om een jongen en een meisje te betrappen die zaten te zoenen. Was dat het geval, dan moest die jongen in de kring, en nam de parkwachter zijn plaats in. Ik vond een meisje, Di, bijzonder aardig, en zorgde ervoor dat ik haar op schoot kreeg. Als ik daarna zelf parkwachter was, probeerde ik zoveel mogelijk Di weer te betrappen. Eenmaal terug in Nederland heb ik dit spelletje met veel succes op de Eindhovense feestjes geïntroduceerd.

19 juli was de dag van vertrek. Met de bus naar Manchester, waar we de kinderen uit andere plaatsen weer ontmoetten, en vervolgens met de trein naar Londen, waar we met bussen naar een hotel aan de Waterloo Road gebracht werden. De volgende dag met een groep kinderen Londen in, en de Big Ben, de Houses of Parliament, Westminster Abbey, Buckingham Palace en Trafalgar Square bekeken, en een boottochtje gemaakt over de Thames tot St. Paul’s Cathedral. Die hebben wij de volgende dag zowel van binnen als van buiten bekeken. Toen op de 22ste de ‘katholieken’ naar de kerk waren, zijn Walter en ik in ons eentje met de Ondergrondse, wat ons de nodige moeite kostte, naar de Towerbridge geweest. ‘s Middags met de hele groep naar Hampton Court, woonplaats van Henry VIII en Willem III, die ‘ook nog ‘ koning van Engeland was. Het was voor mij een soort herkenningstocht, want ik herkende bijna alles van foto’s uit een reisfolder, die wij thuis hadden, en die ik in de oorlog keer op keer heb bestudeerd, als een boodschap uit het beloofde land.

De 23ste was de laatste dag. Met de ondergrondse naar Hyde Park geweest, ‘om dat ook eens in het echt te zien’ en ‘s middags naar een groot museum van Engelse oorlogsvliegtuigen, die ik eindelijk eens van dichtbij kon bekijken. Ik noteerde een Halifax, Lancaster, Mosquitoe en een Spitfire, en zag ook voor het eerst een jet-propelled jachtvliegtuig, de Gloster Meteor. Echt mijn ogen uitgekeken.

Op 24 juli met de trein naar Tilbury, waar we ook waren aangekomen, en waar onze boot al klaar lag. We zijn naar de monding van de Thames gevaren en hebben daar de nacht doorgebracht. Ik werd de volgende ochtend gewekt door het stampen van de machines. De terugreis was wel veel aangenamer dan de heenreis: een spiegelgladde zee, en geen angst voor Duitse onderzeeboten, en bovendien de blijde verwachting om je ouders en zusjes weer te zien, na een afwezigheid van een half jaar.

In Eindhoven stonden mijn vader en moeder mij op te wachten. Mijn vader in het uniform van luitenant, want hij had zich aangesloten bij de fotodienst Anefo van het bevrijdingsleger, en had in die functie de bevrijding van Amsterdam en de noordelijke provincies meegemaakt. In zijn dienstauto reed hij ons vervolgens naar huis. Trotser ben ik waarschijnlijk nooit op hem geweest. Met de familie Taft bleef ik in schriftelijk contact, maar na verloop van tijd verwaterde de correspondentie onvermijdelijk, voornamelijk door luiheid van mijn kant, want als ik schreef kwam er altijd dadelijk een antwoord. Uit mijn gedachten raakten zij evenwel nooit, en toen ik in 1968 na mijn afstuderen besloot om met Gerda voor vakantie naar Engeland te gaan, lag het vast in mijn voornemen om een bezoek te brengen aan Clitheroe. We staken over met een veerboot van een Zweedse maatschappij, de Tor-line, van Amsterdam naar Immingham, en brachten eerst een bezoek aan York, waar we met onze vrienden Joan en Maureen hadden afgesproken. Ik herinner me nog hoe we daar hoorden, dat Jan Jansen de Tour de France had gewonnen. Na een paar dagen vertrokken we liftend in de richting van Clitheroe, waar we tegen het einde van de middag arriveerden. We bereikten Clitheroe via de Chatburn Road, waar destijds de Bentleys woonden. Vanuit het centrum, waar we werden afgezet, bespraken we eerst een hotel, en daarna liepen we zonder enige moeite naar de Milton avenue, die ik nog feilloos wist te vinden. Op nummer 6 zag ik iemand in de voorkamer staan, en na enige aarzeling –het was een zeer spannend moment- belde ik aan. Mr. Taft deed zelf open, en keek mij vragend aan. Ik vroeg: ‘Don’t you recognise me?’, waarop hij antwoordde: ‘Well, should I, then?’ Toen vertelde ik hem, dat ik het kleine Nederlandse jongetje was, dat hier in 1945 twee maanden had gelogeerd. Hij zette zeer grote ogen op en zijn mond viel letterlijk open: ‘Mels, are you Mels?’ En toen naar achteren, naar de keuken: ‘Mom, look who is here!’ De mrs kwam onmiddellijk aanlopen, en staarde ons ook met grote verbaasde ogen aan. We werden meteen naar binnen genood, als de verloren zoon in de meest letterlijke betekenis van het woord. In de voorkamer was Margaret, die ik al eerder door het raam had gezien. Zij was duidelijk in verwachting, en heette ons ook van harte welkom, toen Taft haar verteld had wie wij waren. We dronken een glas, moesten meeëten, en werden vervolgens uitgenodigd om er de nacht door te brengen, maar dat ging niet, omdat wij al een kamer besproken hadden. Goed, die moesten wij de volgende dag dan afzeggen, en alsnog bij hen slapen.

Het werden een paar erge aardige dagen. Er moest veel worden ‘bijgepraat’, en verder was vooral Taft aan het woord. De taal leverde geen enkel probleem meer op, zoals wel in 1945. Ik kon nu de gesprekken makkelijk volgen, en adequaat reageren. Het contact met Margaret was ook heel plezierig. Zij was lerares Frans op de grammar-school, en getrouwd met Stephen. Een vriendin van haar was ook lerares, geschiedenis, en zij had met haar man een boerderij in de buurt van Bolton-by-Bowland, als ik mij goed herinner. Daar zijn wij een keer, met Margaret en Stephen, op bezoek geweest. Taft trakteerde ons op uitstapjes in de omgeving, en op een heerlijke lunch met zalm, en ‘s avonds een keer op een ‘chicken in the basket’, in het café ‘Hark the Bounty’. Wat mij tegenviel, was dat mr. Taft, die in 1945 een vurig aanhanger van Labour was, daar nu niets meer van wilde weten. Labour had zijn beloftes niet waargemaakt, en van een doorgeven van de socialistische idealen aan de arbeidersklasse was niets terecht gekomen. In plaats van dat men zijn geest verrijkte met het  lezen van goede boeken, keek men nu van vroeg tot laat naar de TV of speelde bingo in de kroeg. Hij was nu even geestdriftig conservatief als hij vroeger Labour was geweest.

Na die paar dagen zijn we liftend verder getrokken naar the Lake-district, het land van de ‘Lake poets’ (‘God made the country, man made the town.’) dat ik dolgraag eens wilde zien. We vonden een bed-and-breakfast in Grasmere en later een betere in Ambleside. In Grasmere ontdekten we een theetuin aan het water, waar je heerlijk kon zitten, en vanwaar je uitzicht had, aan de overkant van het water, op het kerkhof waar Wordsworth begraven ligt. Verder raakten we steeds meer onder de indruk van de werkelijk schitterende natuur en hebben wij de komende dagen bijna alle toppen in de omgeving beklommen en daarbij lange wandelingen gemaakt. Vaak waren we de hele dag onderweg.

Na afloop van het verblijf keerden we terug naar Taft in Clitheroe, waar we nog een paar dagen bleven, en plannen maakten om naar Wales te gaan. Margaret en Steve raadden ons aan om in ieder geval naar Bedgelert en Betws y Coed te gaan. Mr. en Mrs. Taft brachten ons weg in de auto tot Chester, waar we hen een lunch aanboden en met hen de plaatselijke dierentuin bekeken.

In Wales vonden we, inderdaad in Betws y Coed een aardige bed-and-breakfast, bij een oude mevrouw, die ons elke morgen wekte met de enthousiaste uitroep: ‘Another glorious day!’ en zorgde voor een lekker ontbijt met  ‘poached eggs’. Het plaatsje ligt aan de zuidelijke voet van de Snowdon, de hoogste berg van Engeland, en die hebben wij op een van de volgende dagen natuurlijk ook beklommen. Bovenop was een restaurant, waar je wat kon eten en drinken, en je had uitzicht op een treintje dat langs de noordkant de top van de Snowdon bereikte. Met dat treintje zijn wij weer afgedaald, maar omdat wij daarna aan de verkeerde kant van de berg zaten voor ons logies, besloten wij om de berg heen te liften. Er stopte al vrij snel een auto, waar wij mochten instappen, en de berijder belangstellend aan ons vroeg: ‘Where is your car?’, in de duidelijke veronderstelling dat hij ons daar moest afzetten.

Nu het contact met Taft weer was hersteld, zijn wij elkaar ook weer gaan schrijven, en nodigde het met klem uit ook eens naar Nederland te komen. Zij konden altijd bij ons logeren. Tot mijn verrassing gaven zij hier vrij snel gehoor aan, zodat wij hen in mei 1969 in Nederland konden begroeten. Wij woonden toen op de Spiegelgracht, met weinig ruimte, maar van mijn werkkamer, een klein zijkamertje, viel met wat goede wil wel een logeerkamer te maken. Mr. en Mrs. Taft waren er in ieder geval best tevreden mee.

Voor de gelegenheid hadden wij een auto gehuurd, en hen daarmee langs alle toeristische hoogstandjes van Nederland gevoerd: Volendam, de kaasmarkt in Alkmaar, een ritje om het IJsselmeer, met natuurlijk de afsluitdijk, en Zandvoort, waar wij op de boulevard een haringstalletje aandeden. Toen ik op goed vaderlandse wijze een haring bij de staart pakte en naar binnen wilde laten glijden, zag ik dat Taft mij met grote ogen aankeek, en met iets van afschuw in zijn stem aan mij vroeg: ‘Mels, is that fish raw?’ Zelf nam hij een lekkerbekje, en raakte niet uitgesproken over de kwaliteit ervan. Zo kreeg je ze niet in Engeland.

Nu het contact met Taft weer was hersteld, zijn wij elkaar ook weer gaan schrijven, en nodigden wij hen met klem uit ook eens naar Nederland te komen. Zij konden altijd bij ons logeren. Tot mijn verrassing gaven zij hier vrij snel gehoor aan, zodat wij hen in mei 1969 in Nederland konden begroeten. Wij woonden toen op de Spiegelgracht, met weinig ruimte, maar van mijn werkkamer, een klein zijkamertje, viel met wat goede wil wel een logeerkamer te maken. Mr. en Mrs. Taft waren er in ieder geval best tevreden mee.

Voor de gelegenheid hadden wij een auto gehuurd, en hen daarmee langs alle toeristische hoogstandjes van Nederland gevoerd: Volendam, de kaasmarkt in Alkmaar, een ritje om het IJsselmeer, met natuurlijk de afsluitdijk, en Zandvoort, waar wij op de boulevard een haringstalletje aandeden. Toen ik op goed vaderlandse wijze een haring bij de staart pakte en naar binnen wilde laten glijden, zag ik dat Taft mij met grote ogen aankeek, en met iets van afschuw in zijn stem aan mij vroeg: ‘Mels, is that fish raw?’ Zelf nam hij een lekkerbekje, en raakte niet uitgesproken over de kwaliteit ervan. Zo kreeg je ze niet in Engeland.

Hierna is het contact nooit meer verbroken. Eens in de twee jaar, als wij Engeland bezochten, gingen wij altijd Taft een bezoek brengen en altijd werden wij met grote hartelijkheid ontvangen. In 1972 was hij er slecht aan toe. Hij zat met longemfyseem naast een grote zuurstofcylinder, en was zeer kortademig. Ongetwijfeld een gevolg van zijn roken. Ik herinner mij nog hoe hij altijd zijn sigaret rechtop, met het mondstuk naar beneden, op de schoorsteenmantel zette, tussen de trekjes in. En nooit heb ik gezien dat hij omviel. Een maand of vier later kreeg ik van Colin bericht, dat zijn vader was overleden. Daarna is de zuster van mrs. Taft bij haar ingetrokken, en ook toen zijn wij nog op bezoek geweest, en hebben met hen een uitstapje gemaakt.