Archive for the ‘1947’ Category

En het werd zomer…

Posted by Mels de Jong on September 15th, 2010 under 1947  •  No Comments

En het werd zomer…

Toen kwam Lien. Maar dan moet ik het eerst over Rein S. hebben. Rein was de schilderachtigste vriend van mijn HBS-jaren. Wij waren in maart 1947 naar Haarlem verhuisd, en ik kwam daar in de tweede klas van de HBS-A aan de Raaks. Rein moet toen ook al in die klas gezeten hebben, getuige de klassefoto’s uit die tijd, en wij raakten al spoedig bevriend. Wij schaakten, kwamen daardoor bij elkaar over de vloer, maar voor hem was de muziek toch het belangrijkste. Hij had zelfs een electrische gitaar, zeer uitzonderlijk voor die tijd. Hij voerde ons in in de nieuwste stromingen van de jazz: bebob, de platen van de Jazz at the Philharmonic, die hij toen al had, het King Cole trio, dat hij uitstekend kon imiteren, maar dat toch volgens hem onderdeed voor het Engelse Ray Ellington quartet, en niet te vergeten de ‘progressive jazz’ van Stan Kenton, met zang van de goddelijke June Christy. Vooral haar ‘Just a sittin’ and a rockin’ bezorgt mij nog steeds huiveringen van seksuele opwinding, waarschijnlijk ook al doordat ik op de klanken van dat lied op een feestje bij mij thuis uitvoerig heb zitten vrijen met Bobby van Ravesteyn, in die jaren het meest sexy meisje uit de straat, en voor mij in het dagelijkse leven volstrekt onbereikbaar. Rein nam mij mee naar uitvoeringen van de Jig rhythm club, een Haarlems dixielandbandje, en hij kende alle jazzmuzikanten persoonlijk, waaronder de toen al grote en beroemde Cees Smal. Op een keer was hij naar Alkmaar geweest, en kwam terug met een jongen die volgens hem heel goed piano speelde en die een tijdje bij hem mocht logeren. Het was niemand minder dan Kees Slinger, die in Haarlem natuurlijk kennis maakte met Cees Smal en Harry Verbeke, wat later heeft geleid tot de ‘Diamond Five’. Kees kwam in die tijd ook wel op feestjes bij mij thuis en ik  weet nog, dat ik het een keer met hem had over jazzpianisten, en dat ik Erroll Garner noemde, die toen zeer populair was. Hij keek mij met enige minachting aan, en zei dat die muziek niets met jazz te maken had. Oscar Peterson, dat was het op dat moment. Ik heb Kees Slinger nog een paar maal ontmoet. Toen ik net een baantje in Amsterdam had, en daar dagelijks met de tram naar toe reisde, had Kees daar ook een baantje, en zo hebben wij een aantal malen samen die reis gemaakt. Veel later ben ik hem nog eens op De Kring tegengekomen, en aan de bar vroeg ik hem of hij nog steeds contact had met Rein Solkamans. Dat bleek niet of nauwelijks het geval, maar hij wist wel, dat hij inmiddels in Het Gooi woonde.

Rein was een welkome gast bij ons aan huis. Mijn vader en moeder vonden hem erg aardig, ook al door alle fantastische verhalen die hij vertelde, en bij mijn jongste zus Corrie kon hij geen kwaad meer doen, toen hij eens op haar verjaardag, vanuit de achterkamer, achter de gesloten schuifdeuren, via een microfoon en een kabeltje naar de radio in de voorkamer, op officiële toon ‘vanuit de studio’ een gelukwens tot de jarige richtte. Corrie zat met een kleur van opwinding naar ‘de radio’ te luisteren, en begreep er niets van. Ook heeft hij een mooi gedicht met een prachtige tekening voor haar poesie-album gemaakt.

In die tijd fietste ik in de vakanties nogal eens van Haarlem naar Eindhoven, om temidden van mijn vrienden en vriendinnen van de Boerhaavelaan te vertoeven. Ik denk dat het in de zomer van 49 was, dat ik Rein vroeg om mee te gaan. Hij stemde onmiddellijk toe, en een logeeradres was gauw geregeld. Hij kon bij Adje de Klerk in de Roostenlaan terecht, en ik, zoals gebruikelijk, bij mijn vriend Henk in de Boerhaavelaan. Rein zat toen al niet meer op mijn HBS, want hij was er na de derde klas afgegaan, omdat hij liever naar de kunstnijverheidschool wilde, met de bedoeling om binnenhuisarchitect te worden. We hebben in Eindhoven die zomer veel  gevoetbald, maar er was ook een landbouw-tentoonstelling op de ‘hobbelende geit’, zoals het stuk braakland dat de twee delen van de Floralaan verbond, algemeen genoemd werd. Natuurlijk waren wij vaak op  het tentoonstellingsterrein te vinden, omdat er altijd wel wat te beleven viel. En ’s avonds was er muziek waarop gedanst kon worden. Ik herinner mij, dat Henk en ik op een avond al in bed lagen, en dat we door het open raam de muziek nog konden horen, met plotseling de onmiskenbare stem van Rein, die ‘A slowboat to China’ ten gehore bracht. Zo maakte Rein ook in Eindhoven furore. Hetzelfde heb ik eens meegemaakt, toen Rein en ik een bezoek brachten aan Sheherazade in Amsterdam, waar het Miller-sextet optrad, en waar Rein of het de gewoonste zaak van de wereld was het podium beklom, en een duet aanging met Sanny Day.

Op het gebied van de meisjes was hij ons ver voor. Hij had altijd wel ‘een vrouw’, zoals hij dat uitdrukte, en de verwachting was, dat hij het ook ‘met hen deed’. Omdat hij op dit punt niet altijd even betrouwbaar was, kwamen zijn meisjes soms ten einde raad bij mij informeren, of Rein nu eigenlijk serieus met hen was, of niet. Ik hield mij natuurlijk op de vlakte, hoewel hij tegenover mij altijd bijzonder openhartig was over de  avontuurtjes met zijn ‘vrouwen’, en ik dus in staat was om alle mogelijke informatie te verschaffen..

In het voorjaar van 1952 vertrouwde hij mij toe, dat hij een bijzonder aardig echtpaar had ontmoet, en dat hij met de vrouw een verhouding had gehad. Zij heetten Joop en Lien en ik moest zeker eens meegaan om kennis met hen te maken. Wij belden op een middag aan bij een huis aan de Leidsevaart, aan de achterkant van ons huis aan de Kamerlingh Onnesstraat, en een bijzonder mooie, blonde en jonge vrouw boog zich even later uit het raam op de eerste verdieping om te zien wie het was. Zij zag Rein en monsterde daarop mij, met een blik die ik me nog goed weet te herinneren. Nieuwsgierig en met een uitnodigende lach om haar lippen. Rein vroeg of wij even binnen mochten komen, waarop zij de deur opende, en wij naar boven gingen. Het gesprek verliep heel gemakkelijk. Zij vroeg wat ik deed, en ik zei dat ik op een kantoor zat, maar dat mijn eigenlijke belangstelling uitging naar de literatuur. Zij bleek te schilderen, en had les gehad van Zadkine op diens atelier in Parijs. Daar moest ik ook eens heen gaan, als ik daar was, en zij schreef onmiddellijk zijn adres voor mij op. Verder hield zij veel van muziek, en dan vooral van Bach: ‘Dat is zo’n ontzettend blije muziek, vind jij ook niet?’ Ik bevestigde het maar, hoewel ik blij als bijvoeglijk naamwoord bij muziek nog niet kende. Pas later ben ik gaan inzien, dat het toch wel een rake typering was. Later kwam ook Joop, haar echtgenoot binnen, die terugkwam van zijn werk, en ook hij bleek bijzonder aardig. Bij het weggaan zei Lien tegen mij, dat zij het heel gezellig had gevonden, en dat ik nog maar eens terug moest komen. Zij noemde zelfs een datum, en zei zachtjes, zodat enkel ik het kon horen, dat zij dan alleen thuis zou zijn.

Thuis vertelde ik van mijn nieuwe kennissen, en mijn moeder, met een ingebouwd waarschuwingssysteem, zei, dat zij eens zou informeren bij een vriendin van haar, die ook op de Leidsevaart woonde, niet ver van Joop en Lien. De berichten waren niet gunstig. Lien was een ‘slechte vrouw’, die het niet zo nauw nam met de echtelijke trouw. Zij had pas nog een verhouding gehad met Rein. Ik zei, dat ik dat al wist, maar dat het uit was, hetgeen de zorgen van mijn moeder niet wegnam. Op de afgesproken datum zei ik, dat ik naar Lien ging, waarop mijn moeder zei, dat zij dan wel even mee zou gaan om met Lien te praten. Mijn protesten mochten niet baten, en zo begaven wij ons even later samen op de fiets naar de Leidsevaart. Toen wij aanbelden, ging de deur open en kwam Lien ons al halverwege de trap tegemoet in een bloesje met een diep décolleté. Mijn moeder liep haar tegemoet, terwijl ik onder aan de trap bleef staan met een gevoel van onuitsprekelijke schaamte. Mijn moeder vond, dat Lien zich diende te schamen. Zij was toch een getrouwde vrouw, en dan gaf het geen pas om jonge jongens bij haar thuis te ontvangen. Zij was toch veel te oud voor mij, en wat waren eigenlijk haar bedoelingen? Lien antwoordde recht door zee, dat zij mij aardig vond, en dat één keer toch de eerste keer moest wezen, waarop mijn moeder: ‘Ja, dat kan wel, maar dat hoeft dan toch niet bij jou te zijn.’ Hiermee vond zij dat het gesprek beëindigd was, en liep zij naar beneden, en zei tegen mij: ‘Kom, we gaan weer naar huis.’ Ik aarzelde, en keek naar Lien, die op zachte toon zei: ‘Ja, Mels, ga maar met je moeder mee.’

Die avond heb ik nog een gesprek gehad met mijn vader, duidelijk op instigatie van mijn moeder, die mij wees op de ‘gevaren’ van ‘dit soort vrouwen’ en dat je maar moest afwachten wat er met je gebeurde, als je in hun netten verstrikt raakte. Ik dacht alleen maar: ‘Je zou haar eens moeten zien, dan zou je wel anders piepen.’ Ik zag Lien de komende tijd toch regelmatig, want op de tennisclub van Kouling, tussen onze straat en de Pijlslaan, was een tafeltennisclub opgericht, waar ik, samen met mijn vrienden van toen, Bert F. en Jan F., lid van was geworden, en waar ik tot mijn vreugde ook Lien weer mocht begroeten. Zo werd het maken van afspraken aanzienlijk vergemakkelijkt. De eerste, de dingen gebeuren nu eenmaal zoals ze gebeuren moeten,  was een uitnodiging van mij aan haar om samen met mij naar een feest te gaan bij Bert, die alleen thuis was, omdat zijn ouders op vakantie waren. Het zou een feest worden, waar alles mogelijk was, een ‘bessem’, zoals dat in ons jargon van toen heette, dus was het min of meer een voorwaarde, dat je een meisje mee zou nemen. Ik nodigde ook twee vrienden uit Eindhoven uit, Henk J. en Joost W., en zorgde er voor dat er ook voor hen meisjes aanwezig zouden zijn. Hoe zorgvuldig wij alles hadden voorbereid, er ging toch iets mis. Aan het begin van een feest waren Bert en ik gewend, om in de keuken voor elk vijf borrelglaasjes neer te zetten, en die te vullen met rum Negrita, ons ‘huisdrankje’ in die dagen. Vervolgens moesten de vijf glaasjes achter elkaar worden geleegd, waarna een geslaagde avond verzekerd was. Zo ook nu. Toen vervolgens iedereen was gearriveerd, begaven we ons op de dansvloer om wat te dansen met onze dames, natuurlijk cheek-to-cheek. Tussendoor nuttigden wij de gebruikelijke biertjes. Op een gegeven moment had Lien daar wel genoeg van, en troonde mij mee naar een hoek van de kamer, waar we op de grond gingen zitten vrijen. Een voorbeeld dat door velen werd gevolgd. Toen merkte ik tot mijn ontzetting, dat ik mij letterlijk lam gezopen had. Er was geen sprake van vrijen zoals wij ons dat hadden voorgesteld, hoezeer Lien ook probeerde mijn levensgeesten weer op te wekken. Ik stelde haar voor om naar boven naar een slaapkamer te gaan, waar wij belandden in het bed van Berts ouders, in de grote slaapkamer aan de voorkant. Wij kleedden ons half uit en ik ging op haar liggen, maar behalve het gebruikelijke zoenen en liefkozen, bleef het daarbij. Ik voelde mij hulpeloos, en verontschuldigde mij met te zeggen, dat ik teveel gedronken had. Lien zei, dat ze het niet erg vond, maar dat ik beter een keer alleen bij haar kon komen, zodat we met z’n tweeën zouden zijn. Zij was weg bij Joop, en woonde nu in de Omvalspoort, in het centrum van Haarlem. Het was het beste om op een avond af te spreken, de komende week, voor het atelier van de kunstschilder H.F. Boot op het Klein Heiligland, want daar had zij een sleutel van, omdat zij er af en toe schilderde en ook wel model stond. Wij maakten een afspraak, en zij zei nog: ‘Vertel het maar niet aan je moeder.’

Op het afgesproken tijdstip fietste ik het Klein Heiligland op, en zag Lien al heen en weer lopen. Zij opende de deur, en wij betraden het atelier van Boot. Daar, in het halfdonker op de sofa, die waarschijnlijk gebruikt werd door de modellen van Boot, ben ik vervolgens mijn ‘onschuld’ kwijtgeraakt. Het ging allemaal even gemakkelijk als vanzelfsprekend. Problemen deden zich niet meer voor. Na de ontlading klemde Lien mij dicht tegen zich aan en fluisterde: ‘Zo is het goed, zo is het goed,’ waarbij zij mijn gezicht overlaadde met kleine kusjes. We bleven nog even zo liggen, waarna we overeind kwamen. We brachten onze kleren  op orde, omhelsden elkaar nog eens en liepen naar buiten. Mijn fietstocht naar huis had het karakter van een zegetocht, door het triomfantelijke geluksgevoel dat mij doorstroomde. Zo moest het zijn, en zo was het inderdaad goed. Daar hielp geen moedertje-lief aan, bedacht ik spottend. Bij mijzelf herhaalde ik de woorden die Garance tegen Baptiste uitspreekt op haar hotelkamer in de film Les Enfants du Paradis: ‘C’est si simple, l’amour.’ Thuis ging ik onmiddellijk naar de badkamer, waste mij en bekeek mij langdurig in de spiegel met een ongekend gevoel van voldaanheid.

Ik ben nog één keer met Lien samen geweest. Dit keer was het een uitnodiging aan haar om naar een feestje te komen in Heemstede, waar het huis van Roel, een vriend van Rein F., leeg stond door afwezigheid van de ouders. Een vergelijkbaar feest als bij Bert thuis, maar nu waakte ik er wel voor dat ik niet te veel dronk. Halverwege het feest gingen Lien en ik naar de zolder, waar een matras voor ons was neergelegd. We bedreven weer de liefde, nu geheel naakt, en daarna vielen wij in elkaars armen in slaap. De volgende ochtend werd ik voor het eerst wakker naast een vrouw. Allemaal eerste keren, die ik met Lien  beleefde. En ja, ik heb, nadat we waren opgestaan, ook nog samen met haar onder de douche gestaan. Voor het eerst, vanzelfsprekend.

Een paar maanden later ben ik nog een keer bij haar geweest op de Omvalspoort, maar toen woonde zij samen met ene Jeroen, en was zij zichtbaar zwanger. Het laatste wat ik van haar zag in Haarlem, was een naaktportret van haar, in de etalage van een galerie op de Grote markt, geschilderd, als ik mij niet vergis, door Jules Chapon, een leerling van Boot, en waarschijnlijk tot stand gekomen in het atelier waar ik zo’n gedenkwaardige ervaring heb gehad. Jaren later, ik was toen al een jaar getrouwd, zag ik haar lopen op het Leidseplein in Amsterdam. Ik ben niet naar haar toegegaan, omdat ik niet goed wist wat ik tegen haar zou moeten zeggen. Als zij nog leeft, is zij nu ver over de tachtig, want zij was tien jaar ouder dan ik…

Van één ding hebben Mieke en Lien mij in ieder geval voor een belangrijk deel verlost: van mijn verlegenheid voor meisjes. Ik voelde mij zelfverzekerder, nu ik had gemerkt dat meisjes het ook heel vanzelfsprekend vonden om met mij te vrijen en door mij gekust te worden. Ik durfde beter met ze te praten, maar vond het nog steeds prettiger om halverwege tegemoet gekomen te worden. Want verlegen in algemene zin bleef ik natuurlijk wel.