Archive for July, 2010

Rites de passage

Posted by Mels de Jong on July 9th, 2010 under Uncategorized  •  No Comments

Voor de tweede of derde keer Het carnaval der burgers van Menno ter Braak aan het lezen. Ik weet nog dat ik het kocht in november of begin december 1950. Het staat in het eerste deel van het Verzameld Werk. Ik werkte toen op de abonnementenadministratie van het bijkantoor van een grote uitgeverij van familiebladen in Amsterdam. In dit nederige baantje was ik terecht gekomen, nadat ik in de zomer daarvoor met zeer goede cijfers voor de talen (Engels 10, Nederlands 9, Frans 9 en Duits 7) van de HBS gekomen was. Ik vond het baantje dus ver beneden mijn stand. Het kantoor bevond zich op de Amstel, tussen de Heeren- en de Keizersgracht, en ik ging er dagelijks heen met de tram vanuit Haarlem. Ik liep van de Kamerlingh Onnesstraat, waar ik woonde met mijn ouders en zussen, naar het Schouwtje op de Leidsevaart, de dichtstbijzijnde halte en stapte uit aan het eindpunt in de Spuistraat in Amsterdam. Vandaar was het nog een tien minuten lopen naar het kantoor. Op weg er naar toe kwam ik altijd langs de boekhandel Erato in de Utrechtsestraat, hoek Heerengracht, en bleef dan vaak voor de etalage staan om naar de uitgestalde boeken te kijken. Het mooie deeltje in donker- en lichtpaars van Ter Braak prikkelde mijn fantasie, vooral nadat ik uit mijn literatuurgeschiedenis wat informatie over de schrijver had vergaard. Ik besloot het te kopen, hoewel de prijs, fl. 7.80, ruim boven mijn begroting lag, en tekende meteen in op het complete Verzamelde Werk, waarvan de overige delen nog moesten verschijnen. Misschien kreeg ik korting door de intekening, maar dat weet ik niet meer. In ieder geval was ik zeer blij met het boek, en ben er meteen in de tram terug naar huis in gaan lezen. Het sloeg in als een bom. Zoiets had ik nog nooit gelezen. Ik kon met moeite volgen waar het over ging, maar begreep onmiddellijk dat het te maken had met zaken waar ikzelf ook voortdurend over na aan het denken was. En de tegenstelling dichter-burger had ik de afgelopen tijd maar al te zeer aan den lijve ervaren. Al op de tweede bladzijde las ik:’De parken leven. Zij vormen de balzaal voor het carnaval der burgers, dat hier vrijmoedig en joyeus wordt gevierd. De duisternis is hier masker en zotskap tegelijk. De grote redoute beweegt en ademt. Eén niet te ontwijken wet regeert. Men begeert de mathematiek van het kantoor: één plus één is twee, te ontduiken door een niet te becijferen optelsom: één plus één is één. In paren trekken de burgers naar het reeds schemerende feestterrein om in de nacht onder te duiken, om een zekere graad van waanzinnigheid deelachtig te worden. Handen en armen schijnen niet langer schrijfbehoeften, maar slechts verlengstukken van een blinde kracht, die in het daglicht onbeholpen maakt en verlegen, maar na zonsondergang helden kweekt. In de blinde optocht naar het Paar is plotseling een wereld bevangen, die enige uren geleden nog verdiept was in het opmaken van de jaarlijkse balans.’ Was ik in zekere zin overdag niet ook bezig met het opmaken van een balans, dat wil zeggen met saai en geestdodend werk, en dook ik niet ‘s avonds onder in het duister van dan wel geen feestterrein, maar van het Vondelpark?

Op kantoor zat een meisje, dat de telefoon bediende en de correspondentie verzorgde. Zij was het enige meisje tussen al wat oudere mannen en een stel jongens van mijn leeftijd. Enigszins aan de mollige kant, en heel sexy. Verder was Mieke, want zo heette zij, van een wat bemoederende vrolijkheid, waarmee zij alle mannen gemakkelijk om haar vinger wond. Zij zat voor haar bureau aan een raam, met haar rug naar de kantoorruimte. Daarachter een tafel, waar ik aan zat, zodat ik haar voortdurend driekwart van achter kon bekijken. Mijn komst prikkelde kennelijk haar nieuwsgierigheid, want zij keek vaak, over haar schouder kijkend, mijn kant op, en zond mij dan steeds een van haar onweerstaanbare lachjes. Ik was hier niet weinig van onder de indruk, en voelde mij zeer vereerd, toen zij in de lunchpauze aan mijn tafel kwam zitten om een praatje te maken. Waarschijnlijk ook al om mij op mijn gemak te stellen in deze voor mij vreemde omgeving. En dat was nodig, want na één ochtend had ik mijn werkzaamheden wel bekeken. Ik moest de kaarten van abonnees die bedankt hadden uit de kaartenbakken halen, en kaartjes schrijven voor nieuwe abonnees, die dan weer op hun adres in de bakken moesten worden opgeborgen. ‘s Ochtends, toen ik binnenkwam, was ik natuurlijk voorgesteld aan het voltallige personeel, en ook aan De Vries, de chef, die op dezelfde HBS had gezeten als waar ik net vandaan kwam. Het leidde door zijn vormelijkheid niet tot enige vertrouwelijkheid, maar het deed mij wel beseffen, dat zijn plaats voor mij het hoogst bereikbare was op dat kantoor. Een troosteloos vooruitzicht, want zijn bezigheden zagen er niet opwindender uit, dan die van mij.

Mieke was dus het enige lichtpuntje, en ik denk, dat ik op die eerste dag al tot over mijn oren verliefd op haar ben geworden. Onze praatjes zetten zich de komende dagen voort, en ze werden ook steeds vertrouwelijker. Na een dag of veertien durfde ik haar zelfs uit te nodigen voor de bioscoop, waar zij onmiddellijk in toestemde. Er werd een film uitgezocht, en wij spraken af, dat ik de zondagmiddag daarop uit Haarlem naar Amsterdam zou komen, waar zij woonde, in een zijstraat van de Overtoom, om daar het Plazatheater bij de Munt in de Kalverstraat te bezoeken. Van de film kan ik mij niets meer herinneren, maar wel, dat wij na afloop tussen de mensenstroom die naar buiten ging, meteen op de hoek van de Kalverstraat en de Munt in elkaars armen vielen, en begonnen aan een eindeloze kus.  Ik voel nog de zachtheid van haar bontjasje en proef de smaak van haar lipstick. Wij waren werkelijk onverzadigbaar en ik was als bedwelmd. Het was mijn eerste echte kus, na alle kusjes die tijdens het dansen op feestjes tot dan toe waren gewisseld. Innig omarmd zijn wij daarna weggelopen. Ik weet niet meer of wij in de richting van haar huis liepen, of dat zij mij naar mijn tramhalte bracht, maar de situatie was daarna drastisch gewijzigd. De volgende dagen ging ik een tram vroeger naar Amsterdam, en liep haar dan tegemoet langs de gracht waarlangs zij moest komen. We begroeten elkaar met weer een lange en diepe kus en liepen dan naar het kantoor, waar ik mij met mijn kaartenbakken ging bezighouden, maar nu met veelbelovende blikken over en weer en in het vooruitzicht van ongekende genietingen na afloop. Ik had thuis gezegd, dat ik ‘een meisje’ had, en dat ik daarom af en toe overbleef in Amsterdam. Ik nam dan een Chinees op de Oudezijds,  haalde haar op bij haar huis in een zijstraat van de Overtoom, om vervolgens de kortste weg naar het Vondelpark te nemen, en ons daar over te geven aan ons liefdesspel. We gingen zitten op een bankje, kusten eindeloos en lieten onze handen de vrije loop. Nog weet ik, hoe ik ‘s avonds in de tram naar Haarlem mijn vingers besnuffelde en dromerig door de ramen naar de lichtjes van de auto’s keek . ‘Het carnaval der burgers’ kon mij op die avonden gestolen worden; ik zou er niet in hebben kunnen lezen nu ikzelf medespeler was geworden. Wel zag ik met nieuwsgierigheid uit naar het hoofdstuk ‘Het carnaval der minnaars’ om te zien in hoeverre ik daar een ‘schok der herkenning’ door zou krijgen.

Op een keer was Miekes moeder, een weduwe, een avond uit, en nodigde

Mieke mij uit om bij haar boven te komen. Na de gebruikelijke vrijpartij, maar ditmaal in een zachte fauteuil in plaats van op de harde bank in het Vondelpark, maakte Mieke zich van mij los en zei dat ik even moest wachten. Na een paar minuten kwam zij weer binnen met ontbloot bovenlichaam. Haar borsten stonden strak en recht naar voren. Ik keek ademloos toe en besefte nauwelijks wat er gebeurde, toen zij mijn hoofd stevig tussen haar borsten drukte. Daarna nam zij mij mee naar de achterkamer, waar het bed van haar moeder stond, en wij vrijden daarop onstuimiger dan ooit tevoren. Tegen de tijd dat haar moeder terug werd verwacht, gingen wij weer naar de voorkamer, waar zij haar bovenlichaam weer bedekten en wachten op de komst van haar moeder. Toen zij binnenkwam, begroette zij ons vriendelijk maar toch ook met iets van argwaan in haar ogen. Zij moet gemerkt hebben, dat wij er behoorlijk verhit uitzagen.

Daarna is Mieke een keer bij mij thuis geweest in Haarlem, en ben ik op haar verjaardag geweest, waar ik kennis maakte met haar jongere zusje en met een ‘beroemde’ tante, die vlotte romannetjes schreef, in de trant van Een zomer in Juan-les-Pins.            Ook gingen wij nog wel eens naar de bioscoop en bezocht ik met haar, haar zusje en moeder een buurtfeest, waar ik mij grondeloos verveelde en mij zeer verloren voelde. En toen, ineens, was het uit. Ik had al gemerkt dat zij het de laatste tijd vaak over een andere jongen had, een handelsreiziger die goed verdiende, en dat haar zoenen minder gretig werden, maar toch wilde ik het niet geloven voordat zij mij met zoveel woorden vertelde dat het voorbij was, want dat zij verliefd was geworden op die ander. En ook toen drong het nog nauwelijks tot mij door. Ik hield het voor onmogelijk, het kon niet, wij waren verliefd op elkaar, het vrijen ging ons zo goed af en zij had mij bezworen dat zij van mij hield. De hele periode had maar twee maanden geduurd en het leek of ik alleen maar verliefder op haar werd. Ik was diep wanhopig en ongelukkig, zat overdag over mijn kaartenbakken gebogen, en keek naar Mieke, die vrolijk als altijd heer werk deed, en weer haar oude, flirterige zelf was met de andere mannen  op kantoor. Deze keken geamuseerd toe, maar toch ook met iets van medelijden naar mij, want natuurlijk hadden zij al die tijd wel in de gaten gehad, wat zich tussen ons had afgespeeld.

Mijn liefdesverdriet was diep en intens, en zeurde de hele dag in mij, en tegelijkertijd was ik heftig jaloers op alles en iedereen in Miekes omgeving. Ik had weer tijd om mij in de tram te verdiepen in Het carnaval der burgers, en waarachtig, ik vond er een ware troost in. Vooral het ‘carnaval der minnaars’ slaagde erin mijn smartelijke verlies te relativeren: ‘de burger vermag niet meer uit de verborgenheden van een ordinaire tuin (lees: het Vondelpark) een exotische wereld te scheppen, die gedurende één middag de oorspronkelijke gemeenplaats is van twee spelende kinderen.’ Het was duidelijk: Mieke had het carnaval verlaten voor ‘as-woensdag’, voor de zekerheid van een vast bestaan. Zij had ‘de laatste fragmenten poëzie, die uit het kinderleven restten, uitgestoten.’ En ik was weliswaar ook verstoten uit het carnavalesque paradijs, maar slaagde er nog niet in het clownskostuum af te leggen, en bleef daardoor nog een tijdlang het lachwekkende middelpunt van de welvoeglijke burgers.

Toch heb ik nog de tijd die mij restte voor ik in militaire dienst moest op dat kantoor doorgebracht. Solliciteren naar een andere baan had weinig zin, door deze naderende dienstplicht. Het is de zwartste periode uit mijn leven geweest. Mieke heeft mij nog eenmaal geschreven, toen ik al onder de wapenen was. Zij verveelde zich langzamerhand ook dood op kantoor en informeerde bij mij of ik iets wist over een telefonistenbaantje op het hoofdkantoor in Haarlem. ‘Het werk hier hangt me ellenlang de keel uit. De hele dag tikken en nog eens tikken, want de telefoon is nu weg. Vandaag heb ik 80 brieven getikt, bah, ik heb er een gruwelijke hekel aan.’ Ik denk niet, dat ik er veel aan heb kunnen doen, maar het baantje heeft ze niettemin gekregen. Het laatste aandenken aan haar is een foto, gemaakt op haar nieuwe werkkring. Waarschijnlijk gemaakt ter gelegenheid van haar verloving, want zij is het stralende middelpunt van een grote groep mannen. De voltallige redactie van Panorama/Libelle, zo te zien. Ik herken ze allemaal, want ook mijn vader maakte er deel van uit, en lacht op de foto beminnelijk naar zijn ‘ex-schoondochter.’ Leuk vond ik het niet, toen ik de foto voor de eerste keer zag, want zij zag er nog steeds even mooi en sexy uit als toen ik mij even kortstondig heb mogen verheugen in haar belangstelling. Een herinnering hieraan is nog de afdruk van haar lippen in mijn agenda van dat jaar op de datum van haar verjaardag.

Kort nadat het uit was geraakt tussen Mieke en mij, vond er een kleine compensatie plaats. Ik kreeg een brief van een meisje, Ank G., die ik een jaar daarvoor had leren kennen op de verjaardag van mijn vriend Henk in Eindhoven. Zij flirtte duidelijk met mij, door een voortdurend oogcontact. Toch mocht ik haar ‘s avonds niet naar huis brengen, want die eer kwam Henk toe, die haar had uitgenodigd. Een tijdje later hoorde ik, dat zij zijn ‘meisje’ was geworden. Dat lag in de rede, want de afstand tussen haar en mij, Eindhoven en Haarlem, was wel erg groot. ‘L’amour est une question de la situation géografique’, zei Henk niet geheel ontevreden. Toch bleef ik wel in contact met Ank, getuige de brief die ik in het vroege voorjaar van 1951 ontving. Zij schreef, dat zij ging logeren bij een oom en tante in Halfweg, en dat zij het leuk zou vinden om mij dan een keer te ontmoeten. Ik schreef terug dat ik dat ook leuk vond, en dat ik wel iets zou arrangeren. Dat werd een concert in het concertgebouw. Willem Mengelberg  was kort daarvoor overleden en Otto Klemperer was uitgenodigd om op 31 maart een herdenkingsconcert te dirigeren. Via een collega op kantoor, die ‘vriend van het concertgebouw’ was, had ik kaarten kunnen bemachtigen. Het was een mooi concert, met o.a.  Der Abschied uit Das Lied von der Erde van Mahler, en de Eroica van Beethoven. Na afloop zijn wij nog ergens iets gaan drinken en vervolgens op de tram richting Haarlem gestapt. In Halfweg stapten wij uit en bracht ik Ank naar de boerderij van haar oom en tante, die net aan de andere kant van de spoorlijn lag. Daar, bij het hek, hebben wij lang, heel lang staan kussen en vrijen, tot zij zei, dat zij nu toch eindelijk naar binnen moest, en dat ik moest begrijpen dat er niets zou veranderen aan haar verkering met Henk.

Maar dat gebeurde toch, ook al had ik er niets mee te maken. Toen ik ‘s zomers in Eindhoven bij Henk logeerde, vertelde hij mij, dat het uit was tussen hem en Ank, zonder verdere uitleg (‘dat soort dingen gebeurt nou eenmaal’), waarna ik hem tijdens een wandeling bij Eikenburg vertelde wat er was voorgevallen tussen haar en mij. Hij was hier niet van op de hoogte, maar maakte wel duidelijk, dat hij het als een verraad van mijn kant opvatte. Consequenties voor onze vriendschap waren er niet, daar waren meisjes niet toe in staat.  Alles draaide wel om hen, maar zij dreven geen vrienden uit elkaar.

Ik heb dat jaar ook nog ‘echte’ verkering gekregen. Het betrof een collegaatje van mijn zus Frieda, dat bij haar op kantoor werkte. Ik ontmoette Klaartje, laten wij haar zo noemen, op het verjaardagsfeestje van Frieda, begin oktober. Er werd in de kring gezeten, gedanst en een pilsje of een wijntje gedronken. In de pauzes zat ik naast haar en probeerde wat met haar te praten. Zij zag er aardig uit en ik stelde voor om haar na afloop naar huis te brengen, wat werd goed gevonden. Zij woonde diep in Haarlem-Noord, wat zo’n dik half uur fietsen betekende. Bij het afscheid heb ik waarschijnlijk haar telefoonnummer gevraagd, en hebben wij het gehad over verdere afspraken. Die zijn er inderdaad gekomen. Ik fietste regelmatig naar haar adres, waarna wij wat in de buurt wandelden, tamelijk kuise zoenen wisselden, en spraken over koetjes en kalfjes. Het geloof was ook een vast onderwerp, want zij was goed katholiek, en ik zeker niet, maar wel bereid er over te praten. Ik had in die tijd net twee lezingen bijgewoond van Anton van Duinkerken, en was zeer onder de indruk van zijn eruditie en de flamboyante wijze waarop hij zijn verhalen bracht. Hij neigde in die tijd ook tot een samengaan met de Partij van de Arbeid, via de zogenaamde ‘doorbraak’. In ieder geval heb ik eens tegen Klaartje gezegd, dat als alle katholieken zo waren als hij, dat de zaken er dan anders voor zouden staan. Na afloop van de wandelingetjes ging ik vaak nog even mee naar binnen en praatte wat met haar ouders en oudere zus. Haar vader was slager, waardoor mijn moeder, ook een slagersdochter, al meteen was ingenomen met mijn ‘verkering’. Maar vooral met de zus had ik een goed contact. Zij was veel levendiger en een aangenamere gesprekspartner dan haar zus, bij wie ik mij steeds meer ging vervelen op de wandelingen en bij de ongeïnspireerde, plichtmatige vrijpartijtjes. Het was duidelijk dat het van mij afhing of er binnenkort een verloving zou komen of niet. Een verloving met de vele geschenken voor de uitzet. De gedachte alleen al was mij een gruwel, en ik begreep dat ik niet voor een ‘kantoorhuwelijk’ in de wieg was gelegd. De afspraken begon ik steeds meer te spreiden, wat zij natuurlijk wel in de gaten had. Ik denk, dat ik voor het laatst bij haar geweest ben op haar verjaardag, maar dat was veilig, want ik kon toen met mijn zus Frieda gaan, en hoefde dus geen apart samenzijn met haar te vrezen. Korte tijd later ontving ik een brief van haar, die de situatie aardig weergaf:

‘Vier ellenlange weken heb ik, ondanks mijn herhaald verzoek, tevergeefs op je gewacht. Hieruit moet ik helaas wel concluderen; dat je er geen prijs meer op stelt om naar mij toe te komen. (…) Eigenlijk heb ik al langer dan vier weken gewacht om je dit alles te vertellen. Vanaf Nieuwjaar heb ik getracht je alles duidelijk te maken, doch slaagde er niet in de juiste gelegenheid te vinden, zodat ik er toe over ben gegaan je te schrijven. Misschien had je deze brief al eerder verwacht. Dat zou dan ook de enige reden van je uitblijven kunnen zijn. Ik weet het werkelijk niet, waarom ben je op mijn verjaardag gekomen? Als je toch geen greintje belangstelling voor mij had zou je best een uitvluchtje kunnen hebben verzinnen. Niet dat ik het niet fijn vond, in tegendeel, ik vond het ‘t heerlijkste gedeelte van de hele avond en kon het alleen maar betreuren dat jullie zo vroeg weer weg moesten. De stemming begon er juist in te komen. Alleen de gedachte dat je zo vreemd koel was geweest dreigde bij mij m’n stemming te bederven. Dit zou ik je alleen willen vragen: kom spoedig eens bij me aan zodat ik beter in details kan treden omtrent bovenstaande, anders zou het te langdradig worden wanneer ik alles opschreef. Of schrijf me zo gauw mogelijk dat je het me vergeeft, zodat de niet bepaald prettige indruk die ik bij je heb achtergelaten enigszins is verzacht. Ik zou haast durven zeggen: je bent het eigenlijk wel verplicht iets van je te laten horen.’

Deze brief was gedateerd op 22 februari 1952, en Frieda’s feestje, waarop alles is begonnen, was op 7 oktober 1951. Het heeft dus ruim vier maanden geduurd, en dat terwijl ik eigenlijk al vanaf het begin wist, dat het niets zou worden. Er valt mij dus een hoop kwalijk te nemen. Ik heb bij Klaartje ongetwijfeld verwachtingen gewekt, die ik nooit van zins was waar te maken. Haar brief bood mij gelegenheid om mij uit te spreken, en dat heb ik ook gedaan. Ik zal wel gezegd hebben, dat ik niet meer verliefd was, en dat het beter was uit elkaar te gaan.  Daarna heb ik niets meer van haar gehoord. Ik heb haar nog één keer gezien, een paar jaar later. Zij zat toen bij Brinkman, in het gezelschap van een paar vriendinnen of collega’s. Zij zag mij en keek mij verwachtingsvol (?) aan. Maar ik was ook in gezelschap, van Ed Leeflang en de drie vriendinnen, en heb daarom alleen groetend mijn hand opgestoken in het voorbijgaan. Met enig schuldgevoel? Nauwelijks. Daarvoor was een hernieuwd gevoel van bevrijding te sterk.

Bevrijdingsfeest

Posted by Mels de Jong on July 9th, 2010 under Uncategorized  •  3 Comments

Bij terugkomst in Eindhoven van mijn Engelandreis, bleek zich daar tijdens de bevrijdingdsfeesten een hecht groepje vrienden en vriendinnen te hebben gevormd. De meesten kwamen uit de Boerhaavelaan, en de anderen uit belendende straten als de Pasteurlaan, de Roostenlaan en de Aalsterweg. Een naam zong voortdurend rond, een meisjesnaam, en het was een naam die ik al kende, want hij behoorde toe aan het meisje, dat mij voor mijn vertrek al zo had gefascineerd: Hélène. Wat ik ervan begreep, was, dat zij zo’n beetje het middelpunt was van het groepje, dat elkaar praktisch dagelijks ontmoette in de Boerhaavelaan, en dat bijna alle jongens van dat groepje verliefd op haar waren. Vlak na de bevrijding was het er zelfs van gekomen, dat alle jongens op het garageplein in de rij gingen staan, en dat zij er langs liep om haar keuze te bepalen. ‘Jij niet, jij niet, jij al helemaal niet, nou, jij dan maar.’ De gelukkige was Pieke van Beek, zoon van de autorijschoolhouder (‘Bel dag en nacht vier acht vier acht.’), maar hij heeft dit maar korte tijd mogen zijn, want het was nu al uit, en zij had op dit moment niemand. Dat kwam goed uit, want nadat ik haar de voorafgaande winter had ontdekt, beschouwde ik haar als mijn meisje, al was zij daar misschien zelf nog niet van op de hoogte.

Het was een onwerkelijke tijd. Volop vakantie, zonder dat het zo aanvoelde. Ik wist bijna niet anders. Het hele jaar was ik niet naar school geweest: eerst door de bevrijding van Eindhoven, waardoor alle scholen gevorderd waren, en daarna door het halve jaar dat ik had doorgebracht in Engeland. Eigenlijk was het nog steeds bevrijding, en dat ook al doordat mijn vrienden niet uitgesproken raakten over de bevrijdingsfeesten die in mei hadden plaatsgevonden. De onbestemde roes van die dagen duurde nog steeds voort, en ik had mij hier als Engelandvaarder maar in te schikken. Het zou wel overgaan, als wij weer naar school moesten, maar dat duurde nog een week of zes. De vriendengroep was inmiddels wat uitgebreid. Voor mijn vertrek ging ik vooral om met Joost, zoals al is beschreven, maar nu was ‘de overkant’ van de Boerhaavelaan daar ook bijgekomen, in de personen van Henk en Reinie, en Daan uit de Pasteurlaan. En via Henk en Reinie voegde zich ook Adje uit de Roostenlaan zich bij dit gezelschap. De vaste meisjes waren Elsje, nog steeds de favoriete van Joost, en Hélène. Enige tijd later kwam hier nog Lotje bij, uit de buurt van de Primulastraat. Overdag voetbalden wij op straat met een tennisbal. Omdat er praktisch geen auto’s waren, leverde dit geen problemen op. De doelpalen bestonden uit kledingstukken, die op de grond gelegd werden. ‘s Avonds waren ook de meisjes aanwezig, en werd er eindeloos gepraat over wat er die dag was voorgevallen, en over de radioprogramma’s van The Ramblers en The Skymasters. Mijn beste vriend werd al spoedig Henk, en dat is eigenlijk altijd zo gebleven.

Maar het was nog steeds ook vakantietijd, en dus zwermden de vrienden uit naar familie of kennissen, om daar een paar weken door te brengen. Henk had van zijn ouders toestemming gekregen om met de WFA (World Friendship Association), naar Londen te gaan. Het was in het kader van een uitwisselingsprogramma, en dus zou later ook een Engelse jongen bij Henk komen logeren. Er is nog sprake van geweest, dat ik ook zou gaan, maar ik was net terug uit Engeland, en bovendien was ik uitgenodigd door goede vrienden van mijn ouders in Alkmaar om daar te komen logeren. De groep die naar Engeland ging werd begeleid door de leraar Engels van het GLE, de heer Bruggeman, die beter bekend stond onder de naam Jan Hoed.

Mijn verblijf in Alkmaar was erg plezierig. Oom Dirk en tante Sjaan deden hun uiterste best om het mij naar de zin te maken. Met oom Dirk ging ik naar het circus en naar speedwaywedstrijden in de Alkmaarder Hout, Ik herinner me nog Van Aartsen en Hartman als de grote favorieten, en met tante Sjaan maakte ik ‘s avonds na het eten nog lange fietstochten naar Bergen en Schoorl. Zij hadden een zoon van een jaar of twintig, Ruud, die na het gymnasium medicijnen zou gaan studeren, maar op een gegeven moment meer voelde voor het beroep van kunstschilder, en in die hoedanigheid veel met pastels werkte. Mijn moeder heeft nog een stilleven van hem gekocht van perziken op een schaal, die door de toets van de pastels ongewoon naturel leken. Hij ging met mij iedere week naar de bioscoop, waar wij de populaire films van die dagen zagen: Pimpernel Smith, en een film waarin Charles Trenet Le bonheur ne passe qu’une fois zingt. En natuurlijk Ride ’em, cowboy, met Abbott en Costello, waarin een piepjonge Ella Fitzgerald, A tisket, a tasket zingt. Hij had een meisje, Toby, waar hij smoorverliefd op was, en als zij samen met Bello, de plaatselijke stoomtram, naar het strand in Bergen gingen, mocht ik mee, en lag dan naast hen in het zand, en begluurde stiekem hun vrijpartijen. Zelf was ik Hélène even vergeten, en verliefd geworden op een buurmeisje, Mies, dochter van een accountant, bij wie mijn oom en tante vaak ‘s avonds op bezoek gingen, en met wie ik in voortdurend oogcontact stond om wederzijds verliefde blikken uit te wisselen. Zij had al een vriendje, had zij mij verteld, maar toen ik een keer op een avond bij haar in de tuin was, stond zij met een vriendinnetje te praten, en vertelde aan haar dat zij het uit had gemaakt met haar vriend, maar dat zij ‘al iemand anders op het oog had’. Toen haar vriendin vroeg wie dat was, keek zij in mijn richting en zei: ‘Hem.’ Er is toen even onderhandeld of ik dat ook goed vond, en daarna hadden wij dus ‘verkering’. Het bleek uiteindelijk niet meer dan de voortzetting van de situatie dat wij elkaar in gezelschap met grote ogen zaten aan te kijken. Wel begonnen oom Dirk en tante Sjaan steeds vaker toespelingen op ons te maken, want zij hadden natuurlijk wel iets in de gaten. Heel spannend allemaal, maar meer dan dat heeft het niet opgeleverd. Ik dagdroomde wel, dat ik samen met haar en Ruud en Toby naar Bergen ging, en dat ik dan op het strand naast haar lag en op dezelfde manier met haar vrijde als ik het Ruud en Toby had zien doen. Het was jammer genoeg alleen maar een droom, want het had zo’n aardige en spannende vakantievrijage kunnen zijn. Toen mijn ouders mij aan het einde van de vakantie kwamen halen, hebben Mies en ik wel afgesproken om elkaar te gaan schrijven, en dat hebben wij ook een klein jaartje volgehouden, maar het waren vrij onbenullige brieven, waarin wij elkaar schreven over hoe het op school ging en dergelijke neutrale zaken. Ik heb nooit de aanhef  ‘Beste Mies’ durven veranderen in ‘Lieve Mies’, en ook zij hield zich aan het ‘Beste Mels’. De onbelangrijkheid van de brieven blijkt ook al uit het feit, dat ik ze niet heb bewaard, wat met al mijn andere correspondenties wel is gebeurd. Wonderlijk genoeg heb ik haar nog eens op TV gezien, in een programma over de oorlogsjaren en de hongerwinter. Op een gegeven moment is te zien hoe een man in Alkmaar, aan het begin van de Westerweg een boom omkapt. Hij wordt daarbij geholpen door zijn dochtertje. De man was meneer Nieuwveen, en het dochtertje onmiskenbaar Mies, een half jaar of zo voor ik haar leerde kennen…

In Eindhoven ging na mijn terugkomst het leven op de oude voet voort, dat wil zeggen dat  de vrienden en vriendinnen ‘s avonds weer bijeenkwamen in de Boerhaavelaan, en dat Hélène nog steeds de harten van de jongens sneller deed kloppen. De vakanties liepen ten einde, en dat betekende, dat ik voor het eerst naar de HBS, het roemruchte GLE (gemeentelyceum Eindhoven) aan het Wilhelminaplein zou gaan. Maar ook maakten wij ons op om de eerste verjaardag van Eindhovens bevrijding, op 18 september, te gaan vieren. Het begon met een gecostumeerde optocht van de jongeren door onze straat. Ik kan me daar niets meer van herinneren, maar er zijn foto’s genomen, en daarop kan ik zien, dat ik als meisje verkleed ben, in ongetwijfeld kleren van mijn oudste zus Frieda. De vrienden hebben Engelse uniformen aan, met andere vrienden in meisjeskleren aan de arm. Hélène ziet eruit als een Oosterse prinses. Het hoogtepunt van de dag was het vuurwerk in Woensel. Wij gingen er met z’n allen heen, en zochten een goed plaatsje om te zitten. Ik zorgde ervoor, dat ik naast Hélène zat, en schoof tijdens het vuurwerk mijn arm steeds een beetje verder achter haar langs, tot die uiteindelijk om haar middel lag. Zij liet het toe, en liet in ieder geval niet blijken, dat zij van zulke handtastelingen niet gediend was. Met kloppend hart heb ik daarna extra van het vuurwerk kunnen genieten. Het was voor het eerst dat ik een meisje op een dergelijke ‘intieme’ manier vast had. Veel veranderd is er niet, daarna, en bovendien: ik had immers een meisje in Alkmaar? Toch ging men er in de groep stilzwijgend vanuit, dat wij iets met elkaar hadden, en op foto’s uit die tijd sta ik ook meestal naast haar. Een keer heb ik haar uitgenodigd voor een film, waar zij in toestemde. Ik weet nog, dat het The four feathers was. In de bioscoop probeerde ik op de manier van de gebeurtenissen bij het vuurwerk mijn arm weer tegen haar arm aan te leggen, met als resultaat, dat zij op de terugweg in de bus tegen mij zei, dat zij een hele stijve arm had gekregen.

De afstand van huis naar de HBS was behoorlijk: een drie kwartier lopen. Een fiets zou dus uitkomst hebben kunnen brengen. Van mijn vader mocht ik zijn fiets gebruiken, maar ik kon met geen mogelijkheid bij de trappers. Toen bedacht mijn moeder, dat ik aan Henk, die een stuk langer was, moest vragen of hij wilde fietsen, en dan mij achterop wilde nemen. Dit viel in goede aarde, en zo hebben wij gezamenlijk in de eerste maanden de weg naar school afgelegd. Maar in de loop van het jaar kreeg ik van mijn ouders een Franse sportfiets, waar mijn vrienden niet weinig jaloers op waren. Er waren nog bijna geen fietsen te krijgen, en dan zo’n mooie, grijze, met sportstuur. Vanaf dat moment kon ik alleen naar school, en Henk had inmiddels ook een fiets, die gedurende de hele oorlog door zijn ouders verborgen was gehouden. Het fietsen ging daarna een grote rol spelen in ons leven, en er werden vele tochtjes gemaakt. De grootste was tijdens de paasvakantie van 1947. Toen gingen Henk, Daan en ik op de fiets van Eindhoven naar Zwolle, waar we een nacht sliepen bij familie van Henk. De volgende dag fietsten wij naar Kampen, staken met de boot over naar Amsterdam, en vandaar ging het richting Alkmaar. Daan had familie in Heiloo, waar Henk en hij konden overnachten en ik vond natuurlijk onderdak bij Oom Dirk en Tante Sjaan. Ook zag ik Mies weer, maar van verliefde blikken was geen sprake meer. Wij praatten wat met elkaar op de toonhoogte van onze brieven, en verder had ik sterk de indruk, dat zij haar oog alweer op iemand anders had laten vallen. Nu ik aan haar terugdenk en mij haar voor de geest probeer te halen, komt het mij voor, dat zij van al mijn vriendinnen nog het meeste leek zowel qua uiterlijk als qua gedrag, op Gerda, het meisje, dat later mijn vrouw zou worden. Wat daarbij vooral opviel was het ontegenzeglijk meisjesachtige, dat zij vertoonden. Het is duidelijk: ‘das ewig Mädchenhaftes zieht mich heran’.

Op de terugweg konden wij in Amsterdam slapen in het huis van Paul de Groot, de grote communistenleider, die aangetrouwde familie was van Henk. Hij woonde in de rivierenbuurt, en wij waren niet weinig onder de indruk, want hij was toen al een geduchte figuur in de Nederlandse politiek. Het was ook niet gering om hem de volgende ochtend aan het ontbijt een zachtgekookt eitje te zien pellen, dat hij vervolgens met smaak verorberde.

In de herfst van dat jaar, 1946, ging De Spaarnestad, waar mijn vader nog steeds werkte, zijn werkzaamheden centraliseren, met als gevolg dat ons gezin zou moeten gaan verhuizen naar Haarlem. Ik vond het verschrikkelijk, want ik zag niet goed in, hoe ik het zou moeten stellen zonder mijn vriendenkring, en… het ergste nog, zonder Hélène. Ook mijn moeder was er zeer op tegen. Zij was zeer gesteld op het huis, en had een goede band met de buren om haar heen. Toch was het voorlopig nog niet zo ver, want verhuizen was in die tijd geen sinecure. Het was zeer moeilijk om een huis te vinden, en de beste mogelijkheid was nog iemand in Haarlem te vinden, die voor zijn werk naar Eindhoven moest verhuizen. Dit leek de enige uitweg, en het werd tenslotte een driehoeksruil. Mensen uit Haarlem moesten naar Rotterdam, het Rotterdamse gezin naar Eindhoven, naar ons huis, waarna wij naar de Kamerlingh Onnesstraat in Haarlem konden gaan. En zo is het uiteindelijk ook gegaan. Half april 1947 vertrokken wij van Eindhoven naar Haarlem.

De Engelandvaarder

Posted by Mels de Jong on July 9th, 2010 under 1945, Uncategorized  •  1 Comment

Die uitzending naar Engeland was een gebeurtenis van jewelste. Het was als het ware de kroon op een tijd  van toch al grote evenementen. Natuurlijk stond op de eerste plaats de bevrijding van Eindhoven op 18 september 1944. Wij hadden het al aan zien komen, omdat een dag eerder de geallieerden grote hoeveelheden parachutisten dropten bij Best, ten noorden van Eindhoven. Later bleek dit te vallen onder de operationele naam: Market garden. Wij hadden op de zolderkamer van ons huis een prachtig uitzicht naar die kant, en zagen de duizenden parachutes als zaadjes van een paardebloem naar beneden dwarrelen. De volgende dag leek een anti-climax te worden, met het al vertrouwd aandoende kanongebulder in het zuiden, dat mijn moeder er niet van weerhield om ‘s ochtends nog even met de fiets ‘de boer op te gaan’, om wat voedsel te bemachtigen. Maar aan het begin van de avond, ik was nog op straat, was er een vreemd aanzwellend gerommel hoorbaar naar de kant van de Aalsterweg. Er liepen een paar jongens langs, afkomstig uit de Pioenroosstraat, die luid zongen: ‘Citroen, citroen, en Hitler gaf zijn meid een zoen, en van je hela, hola, houd er de moed maar in’. Tot voor kort zou het een verzetsdaad geweest zijn, maar de omstandigheden waren drastisch veranderd. Zij waren kennelijk op weg naar de Aalsterweg, en ik liep snel achter hen aan door de Pasteurlaan. Bij de Aalsterweg zag ik de eerste Engelse tanks voorbij trekken, luid toegejuicht door de mensen aan de kant. Ik keek mijn ogen uit naar de soldaten met hun, vergeleken bij het Feldgrau van de Duitsers, zo sportief aandoende uniformen en de baretten op het hoofd. Zij trakteerden de mensen op sigaretten en chocolade, die zij vanaf de tanks tussen hen ingooiden. Zo ontving ik mijn eerste pakje , Chesterfield, herinner ik mij. Achteraf wat merkwaardig, want het zijn Amerikaanse sigaretten, en onze bevrijders waren heel duidelijk Engelsen. Er werd achter de rijen langs, bij wijze van bitter contrast, ook nog een Duitse militair op een brancard afgevoerd. Hij zag er verschrikkelijk uit. Zijn uniform zat onder het bloed. Men droeg hem naar het St. Jozefziekenhuis, dat daar vlak achter was. Hoewel ik even stil en met afschuw naar dit tafereeltje keek, werd ik onmiddellijk daarna weer opgenomen in het feestgejuich, en wist ook nog een aantal stukken chocolade te bemachtigen. Het gekke is, dat ik me van de rest van de avond niets meer weet te herinneren. Ik ben ongetwijfeld naar huis gegaan en heb daar mijn ouders en zusjes getroffen, die ook allemaal naar de Aalsterweg waren geweest, en hun verhalen hadden te vertellen. Mijn vader en ik zullen ook zeker van de ‘echte’ sigaretten gerookt hebben, en allemààl hebben we van de chocola gesnoept.

De volgende ochtend werd ik met een feestelijk gevoel wakker. Mijn vader was al vroeg de stad in gegaan om foto’s te maken van de binnen- en doortrekkende Engelse troepen, en van de Amerikaanse parachutisten die langs Woensel, de noordkant van Eindhoven, binnenkwamen. Wekenlang is hij daarna bezig geweest met het afdrukken van de foto’s om er ‘bevrijdingsseries’ van te maken, die hij te koop aanbood in de etalage van zijn kapper in de Winkelstraat. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Mijn zusjes en ik gingen die dag, 19 september, met mijn moeder langs de Aalsterweg naar de stad en zagen dus ook aan een stuk door de troepen langskomen. Het gerucht wilde, dat ook prins Bernard met zijn Irenebrigade die dag door Eindhoven zou komen, maar dat bleek een ijdele verwachting. Wel hebben wij die dag voor het eerst gevlagd. Mijn ouders waren als overtuigde SDAPers fel tegen enig vlagvertoon bij koninklijke feestdagen, maar dit was een ander geval. Weliswaar hadden wij geen vlag, maar een paar lakens verknipte mijn moeder tot drie stroken, waarvan zij er twee in de verf zette. Het blauw was aardig gelukt, maar het rood neigde naar Bordeaux,  en dus had iedereen het de volgende dagen over onze rode kool-wit-blauwe vlag.

Het was een opwindende maar vermoeiende dag geweest, door het slenteren naar en van de stad, hoeveel er ook te bekijken viel. Ik herinner mij zelfs, dat ik bij boekhandel Van Piere nog een klein blocnootje heb gekocht, dat ik de komende tijd als dagboek wilde gaan gebruiken. Vroeg in de avond, we hadden net gegeten, hoorde wij vliegtuigen naderen. Mijn moeder liep naar buiten en riep: ‘Kom eens kijken, vuurwerk!’ Mijn vader keek ook en zei: ‘Welnee, dat zijn lichtkogels.’ Hij had het nog niet gezegd, of wij zagen de bommen al uit de vliegtuigen komen, en met donderend geraas op de grond ontploffen, in de richting van de Floralaan en verder stadwaarts. ‘Naar binnen, het zijn de moffen!’ riep hij. In de gauwigheid zag ik ook, dat om Junkers 88 ging, en spoedde mij toen ook naar binnen. We gingen allemaal in de kelder zitten, onder de trap, met ook nog Maarten Weytens, die net op dat moment bij ons op bezoek was. Mijn vader hield het er niet uit, en ging naar de keuken, om door het raam te kijken wat er zich allemaal afspeelde. Ik liep met hem mee, en zag, dat de bommenwerpers ongeveer boven het St. Joseph-ziekenhuis een draai maakten en weer richting stad vlogen, waar wij zagen, hoe zij daar opnieuw hun bommen afwierpen. Het heeft, al met al, misschien een minuut of twintig geduurd, en daarna werd het weer stil, al zag je wel de rook van de branden die waren ontstaan, boven de bomen van de Floralaan uitkomen. Mijn moeder bracht Maarten naar huis, die een paar blokken dichter bij het begin van de straat woonde. Later heeft zij nog vaak verteld, hoe zij daar het hele gezin om de tafel had aangetroffen, en allemaal ijverig biddend. Het heeft een grote indruk op haar gemaakt. ‘Als je zag wat een rust daarvan uitging,’ werd zij niet moe te vertellen.

Het heeft de feestvreugde ingrijpend verstoord. Die avond hadden we het niet meer over de bevrijding, maar over het gevaar dat kennelijk nog steeds dreigde. Naar bed durfden wij niet, want stel dat zij, de Duitsers, terug zouden komen, en hun bommen boven ons stadsdeel zouden loslaten. Later bleek, dat zij het zeer gericht gemunt hadden op de Engelse kolonnes die door de stad trokken. Maar natuurlijk waren ook huizen onmiddellijk langs de route getroffen, en was er een voltreffer op een schuilkelder terecht gekomen, waar een schoolvriendje van mij, met wie ik net toelatingsexamen voor de HBS had gedaan, dodelijk werd getroffen. Dat wil zeggen, dat hij met zwaar hersenletsel nog enige tijd in een ziekenhuis heeft gelegen en daarna is overleden. Voor de komende nacht stelden mijn ouders voor, na overleg met buren, dat wij naar het ziekenhuis zouden gaan om te vragen of wij daar in de kelder mochten slapen. Daar was het veiliger, ook al door een groot rood kruis, dat op het dak was geschilderd. Het werd goedgevonden, en wij sjouwden met matrassen en dekens naar de schuilplaats. Er waren meer mensen uit de straat, die hetzelfde gedacht hadden, en zo werd het nog een gezellige avond, vooral ook voor ons kinderen, omdat wij op avontuur uitgingen in het ziekenhuis, en aangetrokken werden door heerlijke geuren, die uit de keuken kwamen. Het was een eerste kennismaking, met wat ik later leerde benoemen als ‘stew’. Het kwam uit grote aantallen blikken, en werd opgewarmd in grote gamellen. En natuurlijk probeerden we te praten met de soldaten. Een van hen kwam uit Hollywood, zoals hij vertelde, en hij veranderde op slag in een filmster voor ons. Wij vroegen of hij Deanna Durbin kende, en hij zal er wel vrolijk op los gefantaseerd hebben, want verstaan konden wij hem toch niet.

Wij zijn maar één nacht in het ziekenhuis blijven slapen, want de volgende dagen lieten de Duitse bommenwerpers zich niet meer zien en konden de Engelse troepen ongestoord door Eindhoven trekken door de nauwe ‘corridor’, zoals hij later werd genoemd, op weg naar Nijmegen.

Er brak een opwindende tijd aan. Naar school hoefden wij niet, want het gebouw was gevorderd om onderdak te verlenen aan de Engelse troepen. We konden dus vrijelijk op straat rondkijken en praatjes maken met de militairen, die wij tegenkwamen, en waar gemakkelijk een handel in sigaretten uit ontstond. Want na het aanvankelijke bedelen: ‘Have you a cigaret for my daddy?’ bleek, dat de soldaten wel sigaretten wilden afstaan, maar daar ook wel graag wat geld voor ontvingen. Joost, met wie ik in die dagen bijna uitsluitend optrok, en ik, kwamen er achter dat het gebruikelijke bedrag voor een pakje van 10 sigaretten één gulden was. Dat betaalden wij er graag voor, want een meneer uit de straat, meneer van Gulik, nam ze weer van ons af voor f. 1,50. En, zei hij, je mag me brengen zoveel als je wilt, want ik koop alles van jullie. Ons voornaamste arbeidsterrein was de tuin van het St. Jozef-ziekenhuis. In het ziekenhuis waren zieke en gewonde soldaten ondergebracht, die overdag door de tuin liepen, en het wel aardig vonden om een praatje met ons te maken, en dus om ons sigaretten te verkopen. Er gingen niet veel dagen voorbij, dat wij minder dan tien gulden verdienden. Joost was hierdoor in de gelegenheid zijn vriendinnetje van toen, Elsje Verwoerd, rijkelijk te verwennen met ‘sieraden’, als armbanden en halskettingen. Wij verbleven graag in de ziekenhuistuin, waar wij ook wel kattenkwaad uithaalden. In de tuin waren vele loopgraven gegraven, met wanden en bodems van beton. Zij waren waarschijnlijk bedoeld als schuilkelders voor zieken en verplegend personeel, maar als zodanig waren zij nooit in gebruik geweest. In de tijd dat Joost en ik in de tuin opereerden, stonden de loopgraven half vol water door de herfstregens, en wij besloten er benzine in te gooien en die aan te steken. Benzine was vrij voorhanden, omdat overal wel gevulde jerrycans stonden. Wij hadden gezien, bij voorbeeld op de middenberm van de Floralaan, hoe soldaten daar een kuil groeven, en daar een jerrycan met benzine in leeggoten. Daarna werd de benzine aangestoken, en werden er grote ketels gevuld met water en blikken vlees op warm gemaakt. Wij wisten dus, dat er geen gevaar bij was, en dat het heel gemakkelijk was. We leegden en halve jerrycan in een van de loopgraven, en gooiden daar een brandende lucifer in. Het leverde een fantastische vuurzee op, waar wij gefascineerd naar keken, maar ook wel oplettend of er niemand aankwam, want wij beseften wel, dat het niet in de haak was.

Wij hadden, als veel mensen in de straat, soldaten  ingekwartierd, die overdag werkzaamheden verrichtten in het ziekenhuis, maar ‘s avonds bij ons kwamen, en dan meestal etenswaren meebrachten, als wittebrood –een ongekende lekkernij in die dagen- en blikjes ham ‘spam’ en corned beaf. Zij sliepen op de tweede verdieping, waar naast de zolder een grote logeerkamer was, met een tweepersoonsbed. Het waren gezellige avonden. Mijn vader sprak Engels, en wij luisterden naar de verhalen, die mijn vader tussendoor vertaalde. Het waren soldaten van de RAF: Johnny, een jongen van een jaar of twintig, afkomstig uit Macclesfield, die gitaar speelde, en spaarde om een Hawaï-gitaar   te kunnen kopen. Wij hadden een paar platen van de Kilima Hawaiians, die hij prachtig vond om naar te luisteren. De ander was een Ier, Paddy, een paar jaar ouder, die in Bristol woonde. Vooral prachtig vonden wij, toen hij vertelde dat ook Errol Flynn, die wij toen nog maar enkel van foto’s kenden, daar vandaar kwam. Mijn moeder had sterke moederlijke gevoelens ten opzichte van hen, en zij genoten daar net zo van als van de gesprekken met mijn vader. Op Kerstavond kwamen zij pas heel laat ‘thuis’, om een uur of twaalf toen iedereen al in bed lag. Zij waren  in duidelijk aangeschoten toestand. Voor de slaapkamer van mijn ouders riepen zij hen bij hun naam, ‘Jan! Wiets!’ tot mijn vader uiteindelijk in pyjama de deur opende, en daar een grote kartonnen doos in ontvangst mocht nemen vol lekkernijen als de gebruikelijke blikjes, wittebrood, en bovendien een fles whisky. Dat zij ons op aangename wijze door de winter hielpen, de winter die in het nog niet bevrijde Westen naderhand bekend is geworden als de ‘hongerwinter’, mag duidelijk zijn. Er was nog een andere mogelijkheid om wat extra voedsel te krijgen. In een nabij gelegen pensionaat, Eikenburg, achter het padvindersbos gelegen, bakte men zijn eigen brood, en een priester die hierover ging, broeder Martinus, was met mijn moeder overeen gekomen, dat wij af en toe voor één gulden wel een brood mochten komen halen. Meestal belastte mijn moeder mij en Frieda met die taak. We liepen dan door de Pasteurlaan, gingen het eerste gangetje tussen de huizen door, liepen langs het padvindersbos, en kwamen dan vervolgens op de brede oprijlaan van Eikenburg.  Daar aangekomen moesten wij naar broeder Martinus vragen, die ons dan op wat geheimzinnige wijze het brood toespeelde. Waarschijnlijk deed hij het op eigen gezag, en mochten de andere broeders er niets van weten. Het was donker volkorenbrood, totaal anders dan het wittebrood van de Engelsen, maar ook heel lekker, en zelfs veel gezonder, zoals mijn moeder beweerde.

Honger hadden wij dus niet, maar koud was het wel. Brandstof was nauwelijks te krijgen, en we hadden een oude petroleumkachel te voorschijn gehaald, die we met behulp van een oude voorraad petroleum weer aan het branden konden krijgen. Daar zaten wij dan ‘s avonds zo dicht mogelijk omheen, want erg veel spreiding van de warmte was er niet. Overdag ging mijn vader er soms op uit met slee, want het was ook nog een strenge winter, en een bijl met zaag, om te proberen op de ‘hobbelende geit’ een boom omver te halen, die dan in stukken op de slee gebonden werd. Een keer waren Engelsen hem behulpzaam, die op die plek oefeningen met tanks hielden. Zij zagen mijn vader ploeteren met een boompje, en boden aan om het even omver te rijden, wat inderdaad gebeurde.

Terwijl Joost en ik gouden tijden beleefden op de zwarte markt en er voor zorgden dat het onze omgeving nooit aan sigaretten ontbrak, werden er in Londen op hoog niveau plannen uitgedacht, die mij in de nabije toekomst direct zouden aangaan. De minister van Sociale Zaken, Van den Tempel, was al sinds 1943 bezig met plannen om meteen na de oorlog grote groepen ondervoede kinderen over te brengen naar Engeland om ze daar te laten aansterken. Ik lees dit in De bleekneusjes van 1945, van Jan Sintemaartensdijk. Maar het plan stuitte aanvankelijk op onwil van de kant van koningin Wilhelmina. Van de Tempel heeft na zijn gesprek met de koningin verklaard: ‘Zij stond bepaald vijandig tegenover het plan. Zij vond het te duur voor de overheid en on-Nederlands, omdat Nederlanders hun kinderen niet naar buiten sturen. Zij had zich in Amerika uitvoerig door de Nederlandse ambassadeur laten informeren over de mogelijkheid geld te krijgen, maar daar was geen schijn van kans op. Ze vond dat dergelijke aangelegenheden na de bevrijding aan de Nederlanders zelf moesten worden overgelaten.’ Later bleek, dat dit hele gesprek op een misverstand berustte, want de ambassadeur, Loudon, wist zich van een overleg over een dergelijk plan met de koningin niets te herinneren. Hij stond zelfs heel welwillend tegenover het plan. Bij de besprekingen met de koningin waren heel andere thema’s aan de orde geweest. Toch duurde het tot na de bevrijding van Zuid-Nederland voordat het Engelse Home Office zijn goedkeuring aan het plan hechtte. Er bleek een hostel beschikbaar te zijn in de buurt van Coventry, ‘dat voorheen gebruikt werd voor arbeiders in een vliegtuigfabriek en dat uitermate geschikt was om kinderen in op te vangen. Het geheel was opgetrokken uit steen en beschikte over centrale verwarming en warm en koud stromend water in de slaapkamers, die geschikt waren voor drie of vier kinderen. Verder waren er een ziekenzaal, een wasinrichting en zelfs een kapperssalon. Bovendien was er een grote zaal met een capaciteit van vijfhonderd personen en een allermodernste keuken met kantine voor evenveel personen. Er was op het terrein veel speelruimte voor kinderen. De heer Niemann had het bezocht en sprak zelfs van een luxe kamp.’

Ik merkte hier voor het eerst iets van toen ik een keer met mijn moeder naar de dokter ging, en die ons vertelde van deze mogelijkheid om enige tijd in Engeland door te brengen. Hij zou wel een positief advies over mij kunnen uitbrengen. Er werd thuis natuurlijk over gesproken, en mijn vader noemde het meteen een buitenkansje, dat ik met beide handen moest aangrijpen. Ikzelf aarzelde, omdat ik juist zo’n avontuurlijke tijd meemaakte, maar aan de andere kant lokte het vooruitzicht om naar Engeland te gaan toch ook wel heel erg, temeer daar ik de Engelsen, nu ik ze sinds enige tijd van nabij kende, heel erg aardig vond. En wie weet, zou ik wel goed Engels leren spreken. We waren het dus vrij snel eens om er op in te gaan. Het advies van de dokter was doorslaggevend. Ik werd nog medisch gekeurd en licht genoeg bevonden om een aansterkend verblijf in Engeland te rechtvaardigen. Ik nam een notitieboekje mee, want natuurlijk moest ik van deze bijzondere aangelegenheid een dagboek bijhouden.

Maar eerst gebeurde er nog iets anders. Op een middag stond ik in de voorkamer voor het raam, toen er een stel meisjes voorbijkwam, kennelijk uit school, want het was na vieren. Een van hen viel mij op, niet enkel omdat zij er aardig uitzag, met een lange bos donker haar, maar vooral vanwege haar stem, die heel donker was, en met iets van een schampere toon, alsof de spreekster zich bij voortduring moest afzetten tegen alle onzin, die er rondom haar werd verteld. Ik was daar zeer door gefascineerd, en zorgde er de komende dagen voor, dat ik omstreeks dezelfde tijd weer voor het raam stond. En weer kwam zij langs, en weer hoorde ik die stem, die zich op spottende wijze met haar vriendinnetjes onderhield. Ik keek haar na, en zag dat zij de hoek van de Pasteurlaan omging. Woonde zij daar? Het leek mij onwaarschijnlijk, want de meeste jongens en meisjes uit die straat waren mij wel bekend. Later kwam ik erachter, ik weet niet meer door wie, dat zij Hélène heette. Wat een prachtige naam voor zo’n mooi meisje, want dat was ik haar in die paar dagen wel gaan vinden. Alleen al omdat ik haar moest achterlaten, werd de reis naar Engeland meteen een stuk onaantrekkelijker.

Toch togen mijn ouders en ik op donderdag 8 februari 1945 naar het Philips Ontspanningsgebouw, waar de reis een aanvang zou nemen. Ik nam daar afscheid van mijn ouders, en stapte in een bus, die ons naar Tilburg, de eerste stopplaats zou brengen. Onder het zingen van vaderlandse liederen vertrokken wij. Wij reden door het gebied waar op 17 september de luchtlandingen hadden plaats gevonden, en zagen overal langs de weg nog de stille getuigen daarvan. Kapotgeschoten Duitse kanonnen, dode dieren, geknakte bomen, ed. We reden via Best, Boxtel en Vught, waar we afsloegen naar Tilburg. Achter mij in de bus zat een merkwaardig uitgedoste man, in een crêmekleurige pij en een rode fez. Het was pater Fleskens, die missionaris was geweest in Afrika. Om dit aan te tonen, vertelde hij bloedstollende verhalen over enge beesten als slangen en schorpioenen, en zong hij Arabische liedjes. In Tilburg werden wij ondergebracht in een voormalige schoenfabriek, en konden meteen aanzitten voor een maaltijd van wittebrood met honing. Daarna werden er spelletjes gedaan, en mochten wij wat wandelen in de omgeving. Aan het einde van de middag werden wij ‘ingepoeierd met vlooienpoeder’, zoals ik in mijn dagboek schrijf. Het ging natuurlijk om DDT, dat met blazers in de mouwen en broekspijpen werd geblazen, en via de kraag over het hele lichaam. Sintemaartensdijk schrijft in zijn boek: ‘De kinderen werden allemaal ‘gedust’, dat wil zeggen: behandeld met DDT. De manier waarop dit gebeurde, is een halve eeuw later onvoorstelbaar: het poeder werd met kracht in de broekspijpen, de mouwen en in de hals van de kinderen gespoten, zodat ze in een wolk gehuld waren en het gif in neus en mond kregen. Maar tegen het aanwezige ongedierte werkte het doeltreffend.’ Het eten was in die eerste tijd natuurlijk een belangrijk item, en werd dan ook trouwhartig vermeld. Die eerste avond was het witte bonen, met aardappelen en vlees uit blik, waarna de dag besloten werd met wat muziek. Toen we eenmaal in bed lagen, werden er door de aanwezige pers nog vele foto’s gemaakt. Het was ook de tijd van de V-1’s, op weg naar Londen of naar de haven van Antwerpen. Die nacht heb ik er vijftien over horen komen –het knorrende, pruttelende geluid was onmiskenbaar-, en heb ik er 1 gezien.

De volgende ochtend werden we nog beziggehouden met muziek en toneelstukjes of schetsjes, die door sommige kinderen werden opgevoerd, en waarbij twee broers uit Nijmegen, Thom en Theo Jong zich onderscheidden. Aan het eind van de middag gingen de kinderen stadsgewijs naar het station, en stapten daar in een lange, gereedstaande trein, die ‘s avonds om acht uur vertrok, op weg naar Ostende, waar we de volgende ochtend om acht uur zouden arriveren.. Veel geslapen hebben we niet, ook al door de regelmatig overvliegende V-1’s, die we met grote aandacht volgden. Toen het licht werd natuurlijk naar buiten gekeken, waar ik in Brugge ‘het Belfort zag, en prachtige geveltjes’, zoals mijn dagboek onthult. Wij kwamen pas om tien uur in Ostende aan, waar we eerst nog twee uur in een gebouw moesten wachten op een groep kinderen die rechtstreeks uit Zeeuws-Vlaanderen zouden komen. Ook weer muziek en samenzang, onder begeleiding van een Engelse militair op de piano.

Om 1 uur konden we eindelijk worden ingescheept in twee boten: de meisjes in de Biarritz, en de jongens in de Longford. Bij het instappen kreeg iedereen een zwemvest, dat  aan boord ook meteen omgedaan moest worden. We werden ondergebracht in hutten voor vier personen, waar ik onmiddellijk mijn dagboek ging bijhouden. Over de reis vermeld ik: ‘De anderen schrijven niet. Die slapen of hebben last van zeeziekte. We zijn halfweg Ostende-Engeland. De hut is voor vier personen. Drie ervan hangen uit de patrijspoort over te geven. Weliswaar hebben we ieder een zak gekregen, maar die zijn allang vol en in zee gegooid. Ik heb nergens last van. Om acht uur zijn wij aan de Engelse kunst. Het is nu vier uur. We blijven in de haven, welke weet ik nog niet, slapen. De zee is erg stormachtig. Wel een mooi gezicht. Heldergroene bergen van water met een witte kam. De meeuwen blijven ons achtervolgen en duiken telkens in zee. In de haven van Ostende lagen een heleboel torpedobootjagers. Een ervan begeleidt ons. Land in zicht! Ik zag Engeland als een wazig blauwe streep. De torpedobootjager keerde terug. Hij was ongeveer 100 m. achter ons, toen wij twee geweldige knallen hoorden. Ik zag twee ontploffingen achter de torpedobootjager. We moesten meteen naar binnen. De bemanning had inmiddels ook zwemgordels omgehangen. Het was erg spannend, maar gelukkig gebeurde er verder niets. Het was een Duitse onderzeeër doe door de dieptebommen onschadelijk was gemaakt. In een Vrij Nederland van die dagen kon men lezen: ‘Dolblij waren de kinderen, eindelijk in Engeland te zijn, na een stormachtige reis, waarbij er nogal wat zeeziek waren geweest. Vijfhonderd Nederlandse kinderen, na vier jaar onde de Duitse bezetting eindelijk in Engeland. Honger en ontbering hebben hun wreede sporen op deze kindergezichten gedrukt. En men houdt een oogenblik de adem in. Is dit de Nederlandsche jeugd, het Nederlandsche volk van morgen? Zij zien er mager en bleek uit. Jongens en meisjes van een jaar of tien, maar wier postuur eerder denken doet aan kinderen van zeven tot acht jaar oud. Ook hun kleeren verraden den grooten nood in Nederland, de gevolgen van vier jaren Duitsche overheersching.’ Over het incident met de torpedobootjager wordt niet gerept, of het zou moeten zijn in deze simpele alinea: ‘En in een klein kantoortje slaakten hooge Engelsche officieren een zucht van verlichting dat de reis zoo goed was verloopen.’

Bij de monding van de Thames gingen we voor anker, en pas de volgende ochtend om een uur of zeven voeren wij de Thames op, om in Tilbury af te meren. Daar stond een grote mensenmenigte om ons te verwelkomen, en wij zwaaiden met papieren vlaggetjes, die wij voor dat doel hadden gekregen, naar hen. Er was natuurlijk ook veel pers op de been en er werden veel films gemaakt voor de bioscoopjournaals. Met dubbeldeksbussen, die we nog nooit gezien hadden en waar gevochten werd om een plaatsje bovenin te bemachtigen, werden we naar een school gereden, waar we een middagmaaltijd kregen. Naar ik later begrepen heb was het een Irish stew, die wel erg flauw was, zodat er rijkelijk gebruik gemaakt werd van de zoutvaatjes. Na het eten werden we naar het station gebracht en gingen we met de trein naar Coventry, en vandaar weer met bussen naar Baginton, een plaatsje ten Zuiden van Coventry, waar ons kamp was. Onderweg stonden overal mensen langs de weg om ons toe te juichen, wat mij in mijn dagboek deed schrijven: ‘Iedereen zwaaide en juichte, net als wij op 18 september toen de Engelsen Eindhoven binnentrokken.’

In het kamp werden we voorlopig ingedeeld, in afwachting van een definitieve regeling: ‘We zitten met drie jongens op een kamer. Ik slaap bij Walter Jacobs (een jongen die ik tijdens de heenreis heb leren kennen en tot wie ik mij direct aangetrokken voelde) en Frans van Steen, (die ik al kende van een vorig verblijf, in de vakantiekolonie Kerdijk in Egmond aan Zee.) De bedden zijn twee boven elkaar en een apart. Ik slaap in het bovenste. We hebben ieder een tandenborstel, een kam en een haarborstel gekregen. Ieder heeft twee laatjes waar hij zijn spullen in kan bergen. Er zijn twee hangkasten. Een vaste wastafel met heet en koud water en een spiegel. ‘s Avonds toen wij al in bed lagen kwam pater Fleskens langs de kamers en gaf iedereen een kruisje op zijn voorhoofd. Morgen zal ik hem vertellen dat ik niet katholiek ben.’

De volgende dagen stonden vooral in het teken van het uitdelen van kleren aan de kinderen en aan een definitieve organisatie van het kamp. Frans, Walter en ik werden weer gescheiden, en zelfs in drie verschillende blocks ondergebracht. Dit ook al, omdat de katholieken bij elkaar werden geplaatst, evenals de protestanten en de kinderen zonder geloof, zoals Walter en ik. Toch zaten wij niet bij elkaar, maar omdat er op zijn kamer nog een bed vrij was, hebben wij na veel aandringen gedaan weten te krijgen, dat ik daar mocht komen. Wij bleken toen als twee Eindhovenaren in een blok met Nijmegenaren te zitten, block C. De derde jongen op onze kamer kwam ook uit Nijmegen. Hij heette Wim Leurmans, en was een forse, stevige jongen, waar we ook al snel goed mee op konden schieten.

De eerste dagen gingen vooral heen met het aanpassen en in ontvangst nemen van nieuwe kleren en schoenen. Ik kreeg twee pyjama’s, twee shirts, een trui, twee stel ondergoed, een winterjas, drie paar sokken en een lange broek. Het laatste was nieuw voor mij, want ‘s zomers was ik gewend om in korte broek te lopen, en ‘s winters droeg elke jongen van mijn leeftijd een plusfour. Maar lees ik, ook toen al moest ik de volgende dag alweer terug om mijn broek te ruilen, want die was veel te lang. Een dag eerder had ik al schoenen gekregen, en daar was ik erg blij mee. Nog al wat kinderen kregen namelijk een soort klompschoenen, van boven leer, en van onder een dikken houten zool. Maar ik kreeg zomaar hele leren, sportief uitziende schoenen, met rubber zolen. Zeer sjiek vond ik ze.

Er waren die eerste tijd ook wat problemen met het eten, dat wil zeggen dat de kinderen vonden dat ze niet genoeg kregen, en voortdurend honger hadden. Dat was natuurlijk een welbewuste, en verstandige keuze van de kampleiding, die de kinderen geleidelijk aan wilde leren wennen aan normale maaltijden. Op een avond leidde dit tot een spontane ‘betoging’ in de eetzaal. Een paar jongens, die dit van te voren hadden besloten, zetten een lied in met een eenvoudige tekst, die terstond door de hele eetzaal werd meegezongen. De tekst luidde: ‘Wij hebben honger, wij hebben honger, wij hebben toch zo’n honger’, en hij werd gezongen op de wijs van: ‘Kom laten wij aanbidden.’ De bede werd onmiddellijk verhoord, en de volgende dag mochten wij net zo veel eten als wij wilden. Wij kregen zelfs patates frites bij het eten, waarbij ik mij niet onbetuigd liet. Het gevolg was, dat ik die avond, zo lees ik in mijn dagboek, behoorlijk heb overgegeven. De volgend dag, 21 februari, staat er: ‘Vanmorgen bij het wakker worden was ik een beetje duizelig. Ik ben maar in bed gebleven en heb wat gelezen en geboetseerd. Daarna kon ik weer gewoon eten.’

Natuurlijk ontstonden er ook spontaan een aantal clubs bij de jongens. In mijn blok was dat ‘de Vuist’, waarschijnlijk ook al omdat er speldjes te krijgen waren van een koperen vuist, die je op je trui kon spelden. Ik was bij deze Vuist, en voelde mij als enige Eindhovenaar tussen louter jongens uit Nijmegen niet weinig vereerd. Maar veel stelde het clubleven niet voor. Er waren geen nachtelijke of geheime samenkomsten om snode plannen te smeden, waar je altijd van hoort en er werden al helemaal geen krassen op de armen gemaakt, om het onderlinge bloed van de leden te mengen en daarbij een eed af te leggen op eeuwige trouw en vriendschap.  Een van de weinige aktiviteiten waarvan sprake is in mijn dagboek, is dat ik op 16 februari ‘na het eten stiekem (dat wel!) met drie jongens van de Vuist de poort ben uitgegaan om wat voor juffrouw Pietsie te kopen, die morgen jarig is.’ Pas jaren later ben ik er achter gekomen, dat deze juffrouw Pietsie de vrouw was van Godfried Bomans, een na de oorlog door mij zeer geliefde schrijver. Ik woonde toen al in Haarlem, en zag Bomans en zijn vrouw regelmatig in de stad lopen, zonder dat ik in de gaten had, dat dat mijn juf  Pietsie uit het kamp was. Ik herkende haar eenvoudigweg niet eens. Zij was trouwens bij toeval bij de kinderuitzending terecht gekomen, want zij was weliswaar al op 14 april 1944 in Nijmegen getrouwd, maar dat was enkel voor de wet. De kerkelijke inzegening die de volgende had plaats zullen vinden, ging niet door omdat Bomans nog niet klaar was voor de ‘verantwoordelijkheid’ die het huwelijk met zich meebrengt. De inzegening gebeurde pas in augustus 1945, dus na Pietsies terugkeer uit Engeland. Aan Pietsies verjaardag, de volgende dag, werd de gebruikelijke aandacht besteed. Ik lees: ‘Juffrouw Pietsies verjaardag is gevierd met een toneeluitvoering. Erg leuk. Er is ook nog een dame van het Parlement geweest.’

Juffrouw Pietsie is maar heel even leidster van mijn groep geweest, want al op 22 februari is er sprake van een nieuwe juf, juffrouw Gien, die tot het einde van mijn Engelse tijd mijn leidster is gebleven. Op 22 februari, ‘toen we ‘s avonds in bed lagen, kwam juffrouw Gien nog even praten. Zij is al vier jaar in Engeland. Haar verloofde is bij de Royal Air Force in Italië, en de ouders van hem wonen in Southampton.’ Ook zij is twee dagen later alweer jarig, maar zij krijgt op die dag vrijaf om haar aanstaande schoonouders in Southampton te bezoeken. Zij heeft mij beloofd om een schrift voor mij mee te nemen, want mijn notitieblokje voor het dagboek raakte al aardig vol. Op juffrouw Pietsie was ik als twaalfjarige hals over kop verliefd geworden, dat kon ook moeilijk anders met haar filmsterachtige uitstraling, maar mijn liefde voor juffrouw Gien is gaandeweg gegroeid. Zij was waarschijnlijk veel aardiger en vooral warmer dan Pietsie, en had een oprechte belangstelling voor mij. Dat voelde ik heel goed aan, en zij toonde het van haar kant, door vaak wat voor mij mee te nemen, als zij ergens naar toe was geweest.

De eerste tijd was natuurlijk ook een tijd van verkenningen en van langzaam maar zeker wennen aan het kamp met zijn regels, en vaste tijden voor eten, middagrust op de kamer en regelmatige weegbeurten. Want natuurlijk wilde men graag weten of de Nederlandse bleekneusjes baat vonden bij het nieuwe regime. Op 22 februari kon ik al berichten, dat ik 5 pond was aangekomen. De middagrust hield in, dat wij na de middagmaaltijd anderhalf uur op onze kamers moesten blijven, waar we verder mochten doen wat wij wilden. Er was een bibliotheek, dus ik kon op die tijden naar hartelust lezen. De titels van de boeken heb ik ijverig genoteerd. In de vier maanden dat we in het kamp waren, heb ik 48 boeken gelezen. Allemaal jongensboeken van de in die tijd klassieke auteurs als Johan Kievit, Chr. van Abcoude, A.C.C. de Vletter, Johan Been, Leonard Roggeveen, Charles Krienen, etc. Op dit gebied kwam ik dus niets tekort. Maar rustig lezen was er niet altijd bij. Er zaten in ons blok een aantal jongens, die de rust gebruikten om langs de andere kamers te gaan en daar de jongens te pesten, of, zo mogelijk, en bij voorkeur, een robbertje te knokken. Daarbij ging het niet zachtzinnig toe: er werd meteen, en hard, op het gezicht geslagen. Het was een ware terreur onder leiding van iemand die ‘de Poes’ werd genoemd. Op het hoogtepunt van deze terreurperiode hadden Walter en ik het er met onze kamergenoot Wim Leurmans over, om eens een keer krachtig op te treden. Wim, met zijn forse postuur, leek ons de enige van het blok die hiervoor in aanmerking kwam. Ik weet niet meer of de Poes dit ter ore is gekomen, maar op een ochtend was hij plotseling in onze kamer, en maakte een provocerende opmerking naar Wim, die in een dolle driftbui schoot en zich op de Poes stortte, die even niet begreep wat hem overkwam, maar toen met al zijn geroutineerde straatvechterstrucjes even de tijd nam om Wim uit te laten razen, om hem daarna vakkundig in elkaar te slaan. Later zou Wim hierover berichten: ‘Onder elkaar werd er ook flink gevochten. Ik was een van de oudsten en ging niet voor die jongens opzij. Dat liep op een ochtend uit op een knokpartij met een van de grootsten. Het ging er fel aan toe en we verschenen allebei bij de mis met een dichtgeslagen oog.’ (Jan Sintemaartensdijk, 2002) Ik herinner mij niet, dat de Poes erg groot was, eerder wat aan de kleine kant, maar ongelooflijk breed, en als het ware haast geschapen om te vechten.

Er was van buiten het kamp ook veel belangstelling voor ons. Een afdeling van de plaatselijke padvinderij kwam bijna elke zaterdag naar het kamp, om met ons te spelen. Vaak gingen wij dan met hen buiten de poort, om in een naburig bos de praktijk van het scouting te beoefenen. Bij die gelegenheden werden wij vergezeld door pater Fleskens, ,die zo’n beetje optrad als onze hopman. Hoe het hierbij toe kon gaan lees ik op 4 maart: ‘Vanmiddag een fijn spel gespeeld met de padvinders in het bos. Er waren twee partijen die elk een grote cirkel op de grond maakten, ongeveer 100 meter van elkaar. Zo gauw een speler in de cirkel is, is hij veilig. Iedere partij heeft vijf schatten, bij voorbeeld stenen. Het is de bedoeling om alle schatten van de tegenpartij te roven. Je mag elkaar daarbij doden. dat gaat zo: je moet proberen de rechterhand van de tegenstander op de grond te drukken. We hebben een keer gewonnen en een keer verloren.’ Of, op 18 februari: ‘Met de verkenners en pater Fleskens een lange wandeling gemaakt door een bos, waarbij we een berg moesten beklimmen en over een boom klauteren die over een tamelijk diepe afgrond lag. Onderweg een ruïne ontdekt en in de kelder gekropen. Toen we er weer uitkwamen waren we bij een heel ander deel van de ruïne terechtgekomen. Op de weg terug in een ronde kring bijeen gezeten en Engelse en Nederlandse liedjes gezongen.’

En dan is het al haast vanzelfsprekend, dat de jongens van het kamp al zeer spoedig begonnen zijn aan een voetbalcompetitie. Er was een echt voetbalveld met doelpalen, dus de situatie vroeg er als het ware om. De verschillende blocks, waarin kinderen uit eenzelfde stad bijeenzaten, vormden een goed uitgangspunt voor het samenstellen van elftallen. Block C, mijn block, met dus Nijmeegse jongens, kwam met het team Roda, en er was overal genoeg animo om twee elftallen te kunnen vormen. Zo kwam ik terecht in Roda 2. Verder waren er nog Irene, het Eindhovense team, Zeelandia, de naam zegt het al, en Beatrix, met jongens uit Den Bosch en Maastricht,  omdat zij in één block zaten, block D. De wedstrijden trokken veel belangstelling, en het werd al snel duidelijk, dat zowel het eerste als het tweede elftal van Zeelandia de competities met overmacht zouden gaan winnen. Alle andere teams verloren met grote cijfers, en alleen Roda 2, mijn team dus, wist het tweede van Zeelandia een gelijk spel af te dwingen (0-0). Ook al door dit wapenfeit eindigden wij op een eervolle tweede plaats.

Af en toe werd het hele kamp ook uitgenodigd voor een bezoek aan instellingen in Coventry. Op 8 maart was dat aan het Leger des Heils, waar wij onthaald werden op een heerlijke maaltijd met cake, pudding en krentenbrood, en ook nog het nodige snoepgoed mee mochten nemen. Daarna was er een voorstelling in een toneelzaal met tapdansen, zingen en een paar films met Popeye en Charlie Chaplin. ‘Een erg fijne middag’, vond ik het. Twee dagen later al was er een bezoek aan een kamp met zo’n 2000 Amerikaanse militairen. We werden van alle kanten gefilmd en daarna kregen we ook weer een uitvoerige maaltijd in een eetzaal met de portretten van Churchill, Roosevelt, Stalin en De Gaulle aan de wanden. In een recreatiezaal konden we vervolgens tafeltennissen en andere spelletjes doen, en de middag werd besloten met een parade van alle militairen, waarbij de Engelse, Amerikaanse en Nederlandse volksliederen werden gespeeld. Tussen deze twee bezoeken in, op 9 maart, bezocht de koningin ons kamp. Een gebeurtenis van jewelste, natuurlijk, maar wat was het een oud, dik en klein vrouwtje. Zij bracht een bezoek aan elk block en werd daarbij steeds temidden van de kinderen op de foto gezet. En tussen de middag zat ze ook gewoon in de eetzaal tussen de kinderen mee te eten. Ter ere van het bezoek hadden we een vrije middag, wat inhield dat de pater weer verhalen vertelde uit zijn Afrikaanse repertoire, en dat we mochten voetballen en andere spelletjes doen. ‘s Avonds bij het avondeten kregen we elk een sinaasappel, wat een speciale vermelding waard was. In april kregen we nog eens bezoek van het koninklijk huis. Ditmaal was het prinses Juliana die ons kamp bezocht. Zij kwam veel later dan aangekondigd, want ik lees dat we anderhalf uur op haar hebben staan wachten. Zij zat in een mooie grote Lincoln. Ter ere van haar bezoek kregen wij een ei, een stuk cake en een reep chocola, en in mijn agenda heeft ze ook nog op 30 april, haar verjaardag, haar handtekening geschreven.

Er kwamen meer hoge gasten, zoals de minister van Onderwijs, de burgemeester van Coventry, die zelfs ons kamertje met een bezoek vereerde, en als een belangrijke gast niet kwam opdagen, dan werden we schadeloos gesteld met bij voorbeeld ‘zeven snoepjes’. In maart zouden alle leiders en leidsters worden vervangen. Het leidde tot een regelrechte protestactie van ons blok, omdat wij zeer tevreden waren  over die van ons. Wij zijn toen met het hele blok naar de directrice, mevrouw Van Iersel, gegaan, om te vragen of wij ‘onze juffrouwen’ mochten houden. Het hielp, want juffrouw Gien en juffrouw Annemarie, mochten blijven, maar zij werden aangevuld met meneer Wonders, waar wij vrede mee hadden, want hij stond bekend als een aardige man. In verband met de nieuwe organisatie werden de bloks weer opgedeeld in kleinere groepen, die elk onder een leider of leidster vielen. Ik zit in  groep C3, onder meneer Wonders. Dat maakte het ook makkelijker om uit te gaan, zeker als we lange wandelingen maakten en met de bus of de trein weer terug wilden. Zo gingen we op 6 april de hele dag op stap. ‘Het plan was om naar Stratford on Avon te gaan. Toen we ongeveer 3 mijl van Leamington waren hebben we een boterham gegeten en daarna een auto aangehouden, die ons van Leamington naar Warwick bracht. We besloten om daar maar te blijven. Er staat een mooi kasteel; maar we mochten alleen maar in de tuinen wandelen, omdat het kasteel zelf in gebruik is door de regering. Toen we uitgewandeld waren zijn we lopend teruggegaan naar Leamingtin en vandaar met de trein via Kenilworth naar Coventry en met de bus terug naar Baginton.’ Een andere keer gingen we met juffrouw Annemarie naar de kermis in Coventry (5 april). Dat was erg fijn. We zijn in een raketbaan geweest, maar daar hebben drie jongens wel van over moeten geven.

Ook gingen wij er wel op uit zonder leider of leidster, zoals op 17 maart: ‘We zijn met zeven jongens naar Coventry wezen wandelen. Onderweg vonden wij een hondje dat we in Coventry op een politiebureau hebben afgegeven. Daarna de DOM beklommen. 200 treden, 60 meter hoog. Een prachtig uitzicht. Toen naar de markt, waar ik twee vrijheidsspeldjes heb gekocht. Met de bus weer naar huis.’

Met Palmpasen moesten de groepen allemaal een Paaspalm maken, die dan in een optocht getoond zouden worden. De paaspalm van mijn groep kreeg de tweede prijs. Op 1 april was het Pasen. ‘Na het eten zouden we paaseieren gaan verstoppen. Ik ook. Het moest een speurtocht worden met tekens. Na ongeveer twee uur lopen borgen wij de paaseieren in een holle boom. Toen gingen wij een eind verder zitten wachten. Na 2 ½  uur toen er nog niemand was geweest zijn we maar teruggegaan. Onderweg kwamen wij ze tegen. Bijna alle sporen waren weggewaaid of verregend. We hebben de eieren maar verdeeld. Vanavond kregen we nog een reep chocola en een sinaasappel. Een dag later, op Tweede Paasdag, werden er in het kamp volksspelen georganiseerd. Mijn groep, C3, moest zaklopen, penaltyschieten en touwtrekken. Met touwtrekken ging ik roemloos ten onder, maar met zaklopen was ik derde en met penaltyschieten zelfs eerste. Toch kwam ik niet verder dan een vijfde plaats, terwijl alleen de eerste vier in de prijzen vielen.

Naarmate april vorderde, kwamen er meer berichten over de oorlog, die zich tot dan toe ver buiten het kampleven afspeelde, tot ons. Soms in de vorm van geruchten, zoals op 12 april, toen er verteld werd, dat Eindhoven gebombardeerd was, en soms ook door de leiders en leidsters, die het over de radio gehoord hadden. Het werd langzamerhand een gewoonte, dat een van hen ‘s avonds aan de groep voorlas, en daarbij ook het laatste nieuws vertelde. Een aangename bijkomstigheid was, dat de kinderen die daar trek in hadden, tijdens het voorlezen getrakteerd werden op een halve, en soms zelfs een hele sigaret. Om ook van de halve sigaret zo lang mogelijk te kunnen genieten, had ik voor mijzelf uit een houten blokje een sigarettenpijpje gesneden, dat mij in staat stelde de sigaret tot het laatste restje tabak te kunnen consumeren. Maar zo hoorden wij van meneer Wonders op 13 april dat Roosevelt was gestorven. En op 30 april vertelde juffrouw Annemarie dat Hitler dood was. Op 3 mei hoorden wij zelf over de radio dat Hitler en Goebbels zelfmoord hadden gepleegd en dat er al vrachtwagens met voedsel door bezet gebied rijden.

De volgende dag was het 4 mei. ‘s Avonds had ik mijn boek al weggelegd en wilde juist gaan slapen toen de jongens die naar het nieuws hadden geluisterd terugkwamen en vertelden dat heel Nederland nu vrij is. Eerst drong het niet goed tot ons door, maar toen wij ze allemaal hoorden juichen en schreeuwen, begrepen we dat het waar was. In minder dan geen tijd schoten wij in een broek en trokken een paar schoenen aan. Daarna via het raam naar buiten. Er vormde zich al een hele optocht. Zo ging het door het hele kamp, allemaal blij en uitgelaten. Een paar jongens waren op de watertoren geklommen en hesen de vlag. Toen kwamen we bij het hoofdgebouw bijeen en zongen het Wilhelmus en God save the king. Toen we uitgezongen waren, zei mevrouw van Iersel dat we maar naar bed moesten gaan en dat we morgen zouden feestvieren. Maar van slapen kwam niet veel. Tot half elf hebben we nog zitten praten en eindelijk gingen we dan toch maar slapen. De volgende ochtend een groot kampvuur gemaakt ter ere van de bevrijding van Nederland. Toen het goed brandde gooiden we er asbest golfplaten op die even later, als ze gloeiend heet werden met een luid klap omhoog vlogen en rokend neerkwamen. ‘s Middags zou er een optocht zijn, maar dat ging niet door omdat het te hard regende. In plaats daarvan werd er een film vertoond over onze reis naar Engeland. Jammer genoeg heb ik mezelf niet gezien. Vanavond naar het nieuws geluisterd. Ook professor Gerbrandy heeft gesproken.

Twee dagen later was de oorlog in heel Europa afgelopen, zoals we op de BBC hoorden. De volgende dag, 8 mei, was het V.E.-day (Victory in Europe). Het werd binnen het kamp ook weer een groot feest. Alle groepen moesten kermisattracties bedenken, waaraan iedereen mee kon doen. Onze groep maakte een rad van avontuur, maar er kon ook via draadjes uit een grabbelton getrokken worden, er was ringgooien. Iedereen had een shilling betaald en kreeg daarvoor een kaart met twaalf bonnetjes. En elke attractie kostte een bonnetje. Ik vond het een heerlijke middag, zeker toen er ‘s avonds ook nog eens buiten gegeten werd. En ‘s avonds bij het voorlezen kregen we van meneer Wonders een hele Churchman-sigaret! Tto heel laat waren er vreugdevuren, een lichtboog en schijnwerpers boven Coventry te zien. We zaten allemaal op de daken van onze barakken, om maar niets te missen.

De volgende dag hebben we door de feestende omgeving nog een grote wandeling gemaakt met meneer Wonders. We werden overal onthaald op snoep en limonade. In Stretton vertelde een man aan meneer Wonders dat er een kinderfeest was, en wij hebben daar geestdriftig aan meegedaan. Dansjes om de meiboom, liedjes zingen, en nog een partijtje voetbal gespeeld tegen de plaatselijke jongens. Tot slot was er een kampvuur. Op de terugweg kregen we een lift in een grote Jaguar helemaal naar het kamp. Een paar dagen later zijn we nog eens teruggeweest naar Stretton, omdat we hadden afgesproken dat we nog een echte voetbalwedstrijd met de Engelse jongens wilden spelen. Geheel in stijl, want zo lagen de voetbalverhoudingen tussen Engeland en Nederland in die dagen, werden we met 5-2 verslagen.

Op 13 mei waren er nog meer feesten. Nu was er een grote parade in het War Memorial Park in Coventry. Het leek wel of het hele leger langs kwam. Duizenden soldaten Schotten, matrozen, vepleegsters, en ga zo maar door. Alle volksliederen werden gezongen, en ik raakte mijn groepje met juffrouw Gien kwijt. Naar mijn gevoel heb ik uren lang rondgedwaald om hen te zoeken, en pas na de parade liep ik toevallig tegen meneer Wonders op, en even later was juffrouw Gien er ook weer.

Afgezien van de feestelijkheden stonden deze dagen van half mei in het teken van de keuze die de kinderen moesten maken over de beëindiging van het verblijf in het kamp. Het was namelijk mogelijk om het verblijf in Engeland nog te verlengen met een verblijf van twee maanden in een Engels gezin. Walter, Wim en ik kozen eensgezind om te blijven, maar het overgrote deel van de kinderen, zo’n vierhonderd, hadden het wel gezien in Engeland, en gingen liever terug naar huis. Hierbij zal heimwee ook wel een rol hebben gespeeld.

Om goed voor de dag te komen bij de Engelse families (en thuis!) kregen we op 18 mei nog nieuwe kleren, en een grote plunjezak, waar we al onse spullen in konden stoppen. Op 24 mei werd min of meer afscheid genomen van Coventry. We werden uitgenodigd voor een filmvoorstelling in Coventry, waar we met bussen naar toe reden, en ‘s avonds was er een groot kampvuur in het kamp met veel gasten, onder wie de burgemeester van Coventry. Er werd muziek gemaakt door een orkestje met mij op de tamboerijn, en er waren veel toespraken, o.a. van de burgemeester.

Op 29 mei was het vertrek, en op de dag ervoor ben ik voor het laatst in het bad geweest en naar de kapper. ‘s Avonds was er een meneer van het ontvangstcomité uit Clitheroe, de plaats waar Walter, Wim en ik naar toe gaan, om ons wat op de hoogte te stellen, en kregen wij van juffrouw Annemarie een laatste Craven-A sigaret. Wij vertrokken ‘s ochtends per trein om half twaalf uit Coventry, en kwamen langs de volgende stopplaatsen: Birmingham, Wolverhampton, Stafford, Crewe, Stockport en Manchester. Daar werden we van het ene station naar het andere gereden, waar we, voor we vertrokken, nog koekjes en thee kregen van WVC. Toen langs de volgende plaatsen, Bolton, Darwen, Blackburn, waar een groep kinderen uitstapte die daar zou blijven, Daisy Field, Wilpshire, Langho en Whalley naar Clitheroe. We liepen naar een zondagschool, waar we thee kregen, en waar ik de man ontmoette, meneer Taft, bij wie ik zou logeren. Hij was heel aardig, sloeg direct een arm om mij heen, en drukte mij tegen zich aan. Daarna werden wij met auto’s naar onze plaatsen van bestemming gebracht. Daar maakte ik kennis met de andere leden van het gezin, Mrs. Taft, Colin, een jongen van mijn leeftijd en Margaret, een meisje van 3 ½ .

Na de vier maanden kamp, waar ik mij tussen mijn leeftijdsgenoten uitstekend had geamuseerd, en waar ik geen moment last had gehad van mijn kwaal de astma, kwam ik nu weer in een omgeving die veel leek op die van mijn ouderlijk huis. Er was een, zij het niet onaanzienlijk verschil. Taft, zoals ik hem zal noemen, leek in de warmte van zijn contact en in zijn sterke gerichtheid op de mensen uit zijn omgeving, nog het meeste op mijn moeder, terwijl de ‘mrs’ , hoewel uiterst vriendelijk, toch wat koeler en afstandelijker was, waardoor zij meer leek op mijn vader. Maar ik was nog geen paar dagen in huis, of ik kreeg voor het eerst weer duidelijk last van astma. Het gezin Taft had ook een poes, Nico, en pas vele jaren later ben ik erachter gekomen, dat dat waarschijnlijk de oorzaak van mijn astma was. Wij hadden thuis ook met onregelmatige tussenpozen dat soort huisdieren, maar ik ben pas het verband gaan leggen toen ik al met Gerda samenwoonde, en wij van iemand een kat op zicht kregen. Hoewel ik, sinds ik bij Gerda was, niets van mijn kwaal had bespeurd, kreeg ik het nu de eerste de beste avond alweer een beetje benauwd. De kat onmiddellijk weggedaan en daarmee was ook mijn astma verwenen.

Taft stond in Clitheroe aan het hoofd van een filiaal van de apotheekketen Booth, en was dus, na een bezoek met mij aan de dokter, gemakkelijk in staat om mij te voorzien van ephedrinetabletten, die de asthma aardig onderdrukten. Maar verder leidde ik weer een normaal huiselijk leven. Colin zat op een grammarschool, en als hij er niet was, zat ik in de tuin te lezen, of wandelde langs de Ribble, een romantisch riviertje dat dicht bij het huis van Taft door een mooi dal stroomde. Of ik ging Walter en Wim ophalen om samen wat door het stadje te lopen, of thee te drinken met juffrouw Gien. Hoog boven Clitheroe uit torende de ruïne van een middeleeuws kasteel op een heuvel, en ook daar ging ik met Walter en Wim naar toe. Tijdens een wandeling met het hele gezin Taft naar de Ribble, troffen we een afdeling chemie-troepen, die daar aan het oefenen waren. Taft raakte met hen in gesprek, en ontdekte, dat er ook een Nederlander bij was. Die heeft hij onmiddellijk uitgenodigd om ‘s avonds eens langs te komen. Als Colin er was gingen we cricketen op een graslandje, dat wil zeggen, dat de een bowlde en de ander met het bat de bal probeerde weg te slaan. Een enkele keer gingen we naar de openbare leeszaal, waar Colin dingen moest nakijken voor school, en waar ik dan ondertussen hele jaargangen van Punch doorbladerde, en probeerde de mopjes te begrijpen. De Tafts hadden vele kennissen in Clitheroe, en vooral bij mr. en mrs. Bentley gingen we vaak op bezoek. Toen mrs. Taft begin juli een paar dagen met haar zuster en met Margaret ging logeren bij haar vader in Birmingham, waren Colin en ik helemaal in de kost bij Bentley. Alleen slapen en ontbijten deden wij nog thuis. Ik vond het niet erg, want ik was erg gesteld op mrs. Bentley, een alleraardigste, vriendelijke vrouw, die ongeveer de helft in omvang was van haar echtgenoot, een zeer grote en forse man. Bovendien hadden zij veel jongensboeken, waar ik mij, zo goed en zo kwaad als dat ging met mijn gebrekkige Engels, mee amuseerde. Zij kwamen ook op het feestje dat ik kreeg aangeboden op mijn verjaardag op 6 juni, en gaven mij een van de boeken waarin ik niet uitgekeken raakte: The World’s wonders. Ik heb het nog steeds en blader er nog wel eens in. Verder kwamen op mijn verjaardag Mr. en mrs. Veevers, weer andere vrienden van Taft, van wie ik een Robinson Crusoe-achtig jongensboek, The strange adventures of Eric Blackburn kreeg. Ik heb het tijdens mijn verblijf in Clitheroe helemaal uitgelezen, met behulp van een zakwoordenboekje Engels-Nederlands dat ik al in het kamp van juffrouw Gien had gekregen. Zij was er ook, en natuurlijk Walter en Wim. Ik noteerde in mijn dagboek: ‘Mrs. Taft had een heerlijke tea gemaakt, met gebakjes, cake en pudding. Na de tea heeft mr. Taft nog foto’s van ons gemaakt in de achtertuin.’

Met Colin ging ik op vrije middagen ook wel op stap naar een park langs de Ribble, om vogels te kijken. Hij bezat een kleine verzameling vogeleieren, waardoor ik al snel op de hoogte raakte van de Engelse vogelnamen, zoals thrush, lapwing, blackbird, starling en magpie. Op een keer gingen we met nog twee vrienden van hem op de fiets naar een quarry, een afgraving, waar een grote en diepe plas water was. Er zaten veel salamanders en er lag bovendien voldoende hout om een vlot te bouwen, waarmee we vervolgens op de plas hebben gevaren. Zo leefden wij een beetje ons eigen jongensboek.

Net als toen we nog in het kamp waren, werd ook hier de hele groep regelmatig uitgenodigd voor uitstapjes. Zo hebben we een dekenfabriek in Accrington bezichtigd, waar we bij vertrek elk een grote lap flanel kregen aangeboden om mee naar huis te nemen. Maar de mooiste uitstapjes waren die naar Blackpool, vond ik. Ik noteerde: ‘Er is daar een enorme kermis, die er het hele jaar door staat. We zijn in een sprookjesgrot geweest, en in een hele steile achtbaan. Doodeng. Als we naar beneden gingen leek het of mijn maag eruit zou komen. Voor een tweede keer heb ik bedankt. Na een tijdje gingen de meisjes naar het strand, maar de jongens wilden liever op de kermis blijven en gingen naar het ‘Funny house’, waar van alles te doen was. Een cake walk, een draaiende schijf, een kleefwand, en ook een paadje waar je overheen moest lopen. Halverwege begon het dan te waaien van onder, zodat alle rokken van de vrouwen de lucht ingingen.’ Een dag of tien later zijn we er nog eens geweest. Toen hebben we een kleine dierentuin en een zee-aquarium bezocht in het Towerhotel, en vervolgens een circusvoorstelling, die ik prachtig vond. Minder leuk vond ik dat er tijdens het pootje baden na afloop een krab in mijn grote teen beet.

En toen kwam de laatste week alweer van mijn Engelse avontuur. Nog een uitnodiging voor de tea door een zondagschool: ‘Er trad een goochelaar op die vertelde dat hij in de Eerste Wereldoorlog gevochten had samen met Montgomery, die toen nog maar een gewone soldaat was. Zij waren vrienden geworden en deden samen goocheltoeren voor de andere soldaten.’, een uitnodiging door de girl guides gehad voor supper in de Waddow Hall, een groot gebouw aan de overkant van de Ribble, inkopen gedaan met mr. Taft, o.a. fietsbanden het onontbeerlijke cadeau voor thuis, en een excursie naar het Groot Seminarie van Stoneyhurst, met een fraai geoutilleerd museum, met opgezette vogels en dieren, opgeprikte vlinders en kevers, en mummies, die vooral mijn aandacht trokken.

Het hoogtepunt van die laatste week was een verjaarspartijtje van Margaret Elliott, waar Walter in huis was, en waar Colin en ik voor uitgenodigd waren. Er werd Hyde Park corner gespeeld, waarbij de jongens in een kring zaten, in het donker, met een meisje op schoot. In het midden stond de parkwachter met een lantaarn, die moest proberen om een jongen en een meisje te betrappen die zaten te zoenen. Was dat het geval, dan moest die jongen in de kring, en nam de parkwachter zijn plaats in. Ik vond een meisje, Di, bijzonder aardig, en zorgde ervoor dat ik haar op schoot kreeg. Als ik daarna zelf parkwachter was, probeerde ik zoveel mogelijk Di weer te betrappen. Eenmaal terug in Nederland heb ik dit spelletje met veel succes op de Eindhovense feestjes geïntroduceerd.

19 juli was de dag van vertrek. Met de bus naar Manchester, waar we de kinderen uit andere plaatsen weer ontmoetten, en vervolgens met de trein naar Londen, waar we met bussen naar een hotel aan de Waterloo Road gebracht werden. De volgende dag met een groep kinderen Londen in, en de Big Ben, de Houses of Parliament, Westminster Abbey, Buckingham Palace en Trafalgar Square bekeken, en een boottochtje gemaakt over de Thames tot St. Paul’s Cathedral. Die hebben wij de volgende dag zowel van binnen als van buiten bekeken. Toen op de 22ste de ‘katholieken’ naar de kerk waren, zijn Walter en ik in ons eentje met de Ondergrondse, wat ons de nodige moeite kostte, naar de Towerbridge geweest. ‘s Middags met de hele groep naar Hampton Court, woonplaats van Henry VIII en Willem III, die ‘ook nog ‘ koning van Engeland was. Het was voor mij een soort herkenningstocht, want ik herkende bijna alles van foto’s uit een reisfolder, die wij thuis hadden, en die ik in de oorlog keer op keer heb bestudeerd, als een boodschap uit het beloofde land.

De 23ste was de laatste dag. Met de ondergrondse naar Hyde Park geweest, ‘om dat ook eens in het echt te zien’ en ‘s middags naar een groot museum van Engelse oorlogsvliegtuigen, die ik eindelijk eens van dichtbij kon bekijken. Ik noteerde een Halifax, Lancaster, Mosquitoe en een Spitfire, en zag ook voor het eerst een jet-propelled jachtvliegtuig, de Gloster Meteor. Echt mijn ogen uitgekeken.

Op 24 juli met de trein naar Tilbury, waar we ook waren aangekomen, en waar onze boot al klaar lag. We zijn naar de monding van de Thames gevaren en hebben daar de nacht doorgebracht. Ik werd de volgende ochtend gewekt door het stampen van de machines. De terugreis was wel veel aangenamer dan de heenreis: een spiegelgladde zee, en geen angst voor Duitse onderzeeboten, en bovendien de blijde verwachting om je ouders en zusjes weer te zien, na een afwezigheid van een half jaar.

In Eindhoven stonden mijn vader en moeder mij op te wachten. Mijn vader in het uniform van luitenant, want hij had zich aangesloten bij de fotodienst Anefo van het bevrijdingsleger, en had in die functie de bevrijding van Amsterdam en de noordelijke provincies meegemaakt. In zijn dienstauto reed hij ons vervolgens naar huis. Trotser ben ik waarschijnlijk nooit op hem geweest. Met de familie Taft bleef ik in schriftelijk contact, maar na verloop van tijd verwaterde de correspondentie onvermijdelijk, voornamelijk door luiheid van mijn kant, want als ik schreef kwam er altijd dadelijk een antwoord. Uit mijn gedachten raakten zij evenwel nooit, en toen ik in 1968 na mijn afstuderen besloot om met Gerda voor vakantie naar Engeland te gaan, lag het vast in mijn voornemen om een bezoek te brengen aan Clitheroe. We staken over met een veerboot van een Zweedse maatschappij, de Tor-line, van Amsterdam naar Immingham, en brachten eerst een bezoek aan York, waar we met onze vrienden Joan en Maureen hadden afgesproken. Ik herinner me nog hoe we daar hoorden, dat Jan Jansen de Tour de France had gewonnen. Na een paar dagen vertrokken we liftend in de richting van Clitheroe, waar we tegen het einde van de middag arriveerden. We bereikten Clitheroe via de Chatburn Road, waar destijds de Bentleys woonden. Vanuit het centrum, waar we werden afgezet, bespraken we eerst een hotel, en daarna liepen we zonder enige moeite naar de Milton avenue, die ik nog feilloos wist te vinden. Op nummer 6 zag ik iemand in de voorkamer staan, en na enige aarzeling –het was een zeer spannend moment- belde ik aan. Mr. Taft deed zelf open, en keek mij vragend aan. Ik vroeg: ‘Don’t you recognise me?’, waarop hij antwoordde: ‘Well, should I, then?’ Toen vertelde ik hem, dat ik het kleine Nederlandse jongetje was, dat hier in 1945 twee maanden had gelogeerd. Hij zette zeer grote ogen op en zijn mond viel letterlijk open: ‘Mels, are you Mels?’ En toen naar achteren, naar de keuken: ‘Mom, look who is here!’ De mrs kwam onmiddellijk aanlopen, en staarde ons ook met grote verbaasde ogen aan. We werden meteen naar binnen genood, als de verloren zoon in de meest letterlijke betekenis van het woord. In de voorkamer was Margaret, die ik al eerder door het raam had gezien. Zij was duidelijk in verwachting, en heette ons ook van harte welkom, toen Taft haar verteld had wie wij waren. We dronken een glas, moesten meeëten, en werden vervolgens uitgenodigd om er de nacht door te brengen, maar dat ging niet, omdat wij al een kamer besproken hadden. Goed, die moesten wij de volgende dag dan afzeggen, en alsnog bij hen slapen.

Het werden een paar erge aardige dagen. Er moest veel worden ‘bijgepraat’, en verder was vooral Taft aan het woord. De taal leverde geen enkel probleem meer op, zoals wel in 1945. Ik kon nu de gesprekken makkelijk volgen, en adequaat reageren. Het contact met Margaret was ook heel plezierig. Zij was lerares Frans op de grammar-school, en getrouwd met Stephen. Een vriendin van haar was ook lerares, geschiedenis, en zij had met haar man een boerderij in de buurt van Bolton-by-Bowland, als ik mij goed herinner. Daar zijn wij een keer, met Margaret en Stephen, op bezoek geweest. Taft trakteerde ons op uitstapjes in de omgeving, en op een heerlijke lunch met zalm, en ‘s avonds een keer op een ‘chicken in the basket’, in het café ‘Hark the Bounty’. Wat mij tegenviel, was dat mr. Taft, die in 1945 een vurig aanhanger van Labour was, daar nu niets meer van wilde weten. Labour had zijn beloftes niet waargemaakt, en van een doorgeven van de socialistische idealen aan de arbeidersklasse was niets terecht gekomen. In plaats van dat men zijn geest verrijkte met het  lezen van goede boeken, keek men nu van vroeg tot laat naar de TV of speelde bingo in de kroeg. Hij was nu even geestdriftig conservatief als hij vroeger Labour was geweest.

Na die paar dagen zijn we liftend verder getrokken naar the Lake-district, het land van de ‘Lake poets’ (‘God made the country, man made the town.’) dat ik dolgraag eens wilde zien. We vonden een bed-and-breakfast in Grasmere en later een betere in Ambleside. In Grasmere ontdekten we een theetuin aan het water, waar je heerlijk kon zitten, en vanwaar je uitzicht had, aan de overkant van het water, op het kerkhof waar Wordsworth begraven ligt. Verder raakten we steeds meer onder de indruk van de werkelijk schitterende natuur en hebben wij de komende dagen bijna alle toppen in de omgeving beklommen en daarbij lange wandelingen gemaakt. Vaak waren we de hele dag onderweg.

Na afloop van het verblijf keerden we terug naar Taft in Clitheroe, waar we nog een paar dagen bleven, en plannen maakten om naar Wales te gaan. Margaret en Steve raadden ons aan om in ieder geval naar Bedgelert en Betws y Coed te gaan. Mr. en Mrs. Taft brachten ons weg in de auto tot Chester, waar we hen een lunch aanboden en met hen de plaatselijke dierentuin bekeken.

In Wales vonden we, inderdaad in Betws y Coed een aardige bed-and-breakfast, bij een oude mevrouw, die ons elke morgen wekte met de enthousiaste uitroep: ‘Another glorious day!’ en zorgde voor een lekker ontbijt met  ‘poached eggs’. Het plaatsje ligt aan de zuidelijke voet van de Snowdon, de hoogste berg van Engeland, en die hebben wij op een van de volgende dagen natuurlijk ook beklommen. Bovenop was een restaurant, waar je wat kon eten en drinken, en je had uitzicht op een treintje dat langs de noordkant de top van de Snowdon bereikte. Met dat treintje zijn wij weer afgedaald, maar omdat wij daarna aan de verkeerde kant van de berg zaten voor ons logies, besloten wij om de berg heen te liften. Er stopte al vrij snel een auto, waar wij mochten instappen, en de berijder belangstellend aan ons vroeg: ‘Where is your car?’, in de duidelijke veronderstelling dat hij ons daar moest afzetten.

Nu het contact met Taft weer was hersteld, zijn wij elkaar ook weer gaan schrijven, en nodigde het met klem uit ook eens naar Nederland te komen. Zij konden altijd bij ons logeren. Tot mijn verrassing gaven zij hier vrij snel gehoor aan, zodat wij hen in mei 1969 in Nederland konden begroeten. Wij woonden toen op de Spiegelgracht, met weinig ruimte, maar van mijn werkkamer, een klein zijkamertje, viel met wat goede wil wel een logeerkamer te maken. Mr. en Mrs. Taft waren er in ieder geval best tevreden mee.

Voor de gelegenheid hadden wij een auto gehuurd, en hen daarmee langs alle toeristische hoogstandjes van Nederland gevoerd: Volendam, de kaasmarkt in Alkmaar, een ritje om het IJsselmeer, met natuurlijk de afsluitdijk, en Zandvoort, waar wij op de boulevard een haringstalletje aandeden. Toen ik op goed vaderlandse wijze een haring bij de staart pakte en naar binnen wilde laten glijden, zag ik dat Taft mij met grote ogen aankeek, en met iets van afschuw in zijn stem aan mij vroeg: ‘Mels, is that fish raw?’ Zelf nam hij een lekkerbekje, en raakte niet uitgesproken over de kwaliteit ervan. Zo kreeg je ze niet in Engeland.

Nu het contact met Taft weer was hersteld, zijn wij elkaar ook weer gaan schrijven, en nodigden wij hen met klem uit ook eens naar Nederland te komen. Zij konden altijd bij ons logeren. Tot mijn verrassing gaven zij hier vrij snel gehoor aan, zodat wij hen in mei 1969 in Nederland konden begroeten. Wij woonden toen op de Spiegelgracht, met weinig ruimte, maar van mijn werkkamer, een klein zijkamertje, viel met wat goede wil wel een logeerkamer te maken. Mr. en Mrs. Taft waren er in ieder geval best tevreden mee.

Voor de gelegenheid hadden wij een auto gehuurd, en hen daarmee langs alle toeristische hoogstandjes van Nederland gevoerd: Volendam, de kaasmarkt in Alkmaar, een ritje om het IJsselmeer, met natuurlijk de afsluitdijk, en Zandvoort, waar wij op de boulevard een haringstalletje aandeden. Toen ik op goed vaderlandse wijze een haring bij de staart pakte en naar binnen wilde laten glijden, zag ik dat Taft mij met grote ogen aankeek, en met iets van afschuw in zijn stem aan mij vroeg: ‘Mels, is that fish raw?’ Zelf nam hij een lekkerbekje, en raakte niet uitgesproken over de kwaliteit ervan. Zo kreeg je ze niet in Engeland.

Hierna is het contact nooit meer verbroken. Eens in de twee jaar, als wij Engeland bezochten, gingen wij altijd Taft een bezoek brengen en altijd werden wij met grote hartelijkheid ontvangen. In 1972 was hij er slecht aan toe. Hij zat met longemfyseem naast een grote zuurstofcylinder, en was zeer kortademig. Ongetwijfeld een gevolg van zijn roken. Ik herinner mij nog hoe hij altijd zijn sigaret rechtop, met het mondstuk naar beneden, op de schoorsteenmantel zette, tussen de trekjes in. En nooit heb ik gezien dat hij omviel. Een maand of vier later kreeg ik van Colin bericht, dat zijn vader was overleden. Daarna is de zuster van mrs. Taft bij haar ingetrokken, en ook toen zijn wij nog op bezoek geweest, en hebben met hen een uitstapje gemaakt.

Nicole Louvier

Posted by Mels de Jong on July 9th, 2010 under Uncategorized  •  1 Comment

Vandaag een film op TV met Françoise Arnoul: Le chemin des écoliers. Het was een weerzien sinds lange tijd, want in de jaren vijftig was zij mijn grote heldin: mooi, en uiterst sexy, wat natuurlijk een voorwaarde was. Zoals in La rage au corps, uit 1953, waarin zij een nymfomane speelt, die getrouwd is met de arme Raymond Pellegrin. Het is waarschijnlijk haar meest zwoele rol, waar ik met het zweet in mijn handen naar heb zitten kijken. Zeer gefascineerd, maar toch ook met de gedachte hoe afschuwelijk het moet zijn om een vriendin te hebben, die je geen moment alleen kunt laten, zonder het gevoel te hebben, dat ze wel weer bij een ander zal zijn. Bij Brigitte Bardot had ik dat ook wel. ‘Ah, those kittens with their sharp claws’, zoals een Engelse vriendin over dit soort meisjes zei.

De film van vandaag was ook weer een echte Arnoul. Hij speelt in de oorlog, en Arnoul is een getrouwde vrouw, die een relatie heeft met een scholier, een piepjonge Alain Delon, die zij wil overhalen in de zwarte handel te gaan. De film is uit 1959. Arnoul was toen 28 en Delon drie jaar jonger. Het thema doet een beetje denken aan Le diable au corps, met Gérard Philippe en Micheline Presle, maar zonder ook maar ergens dat niveau te halen. De klassieke scène in de laatste film waarin de scholier Philippe zich tegenover zijn minnares, wiens echtgenoot aan het front zit, wil bewijzen, en in een restaurant tegen de ober zegt dat de wijn naar de kurk smaakt (Il sent le bouchon.)

Heel mooi vond ik destijds Les amants du Tage, waarin Arnoul een jonge weduwe speelt, die in een taxi met Daniel Gelin als chauffeur, door Lissabon wordt gevoerd, en daar alle bezienswaardigheden krijgt voorgeschoteld. Hoogtepunt is een bezoek aan een fado-tent, waar Amalia Rodriguez Barco Negro zingt. Arnoul en Gelin dansen op de muziek, waarbij Gelin ondertussen de vertaling van de tekst in Arnouls oor fluistert.

Ik moet deze film hebben gezien in het jaar 1955, het jaar waarin hij werd gemaakt. Ik kan dit reconstrueren, omdat in die tijd een nieuwe ster aan het firmament verscheen: Nicole Louvier, een Franse chanteuse van eigen teksten, die zichzelf daarbij op de gitaar begeleidde. Het liedje, waarmee zij toen ongekend populair werd in Nederland was Mon petit copain perdu. Je hoorde het regelmatig op de radio, en een vriend van mij, Henk J., had al zeer snel de grammofoonplaat in zijn bezit. Het nummer heeft voor mij nog een hoofdrol gespeeld op een verjaardagsfeestje bij Ad de K., in de Roostenlaan in Eindhoven. Ik was er voor overgekomen uit Haarlem, waar ik woonde, en trof er tot mijn verrassing Enny van B., een meisje dat een aantal jaren jonger was, en dat ik nog kende uit mijn Eindhovense tijd in de Boerhaavelaan. Zij was de dochter van een autorijschoolhouder, en bleek opgegroeid tot een alleszins aantrekkelijke jonge vrouw, die mijn hart sneller liet kloppen. Ik danste voortdurend met haar en toen het onvermijdelijke Mon petit copain werd gedraaid, fluisterde ik haar als een ware Daniel Gelin na iedere regel de vertaling in haar oor. Met groot succes, want aan het einde van de avond was het al haast vanzelfsprekend dat ik haar naar huis zou brengen. Ondanks het feit dat zij maar een paar straten verder woonde, Roostenlaan-Floralaan-Boerhaavelaan, op ongeveer een kilometer afstand, had zij natuurlijk als telg van een autorijschool een auto tot haar beschikking. Uitermate sjiek voor die jaren, maar het had wel als nadeel, dat we niet met de armen om elkaar heen de afstand al vrijend konden afleggen. Geen nood, want eenmaal bij haar huis aangekomen, zouden we de schade, en nog wel geriefelijk in de auto gezeten, ruimschoots kunnen inhalen. Tijdens het korte ritje, hadden we het over Nicole Louvier, en over vroeger, over de tijd dat ik ook nog in Eindhoven woonde. In de Boerhaavelaan draaiden we het garageplein op, waaraan naast elkaar de garages lagen van de belendende woningen, die bijna allemaal waren opgekocht door Enny’s vader, voor zijn persoonlijke wagenpark. Enny stuurde de auto in de tweede garage van rechts, waarvan de deuren openstonden, en bracht de auto tot stilstand. Ik draaide me naar haar toe, sloeg mijn arm om haar schouders en wilde haar net de eerste kus geven, toen er op het raampje van mijn portier werd getikt. Ik keek op, en zag tot mijn grote misnoegen Pieke van B., Enny’s oudste broer staan. Hij opende het portier, begroette mij natuurlijk, want ook wij hadden elkaar in geen jaren gezien, en zei toen, dat het al laat was, en dat Enny met hem mee naar huis moest gaan. Ik zei, dat ze zo zou komen, maar hij bleek niet van plan ons alleen te laten, waarop Enny tegen mij fluisterde, dat zij er ook niets aan kon doen, maar dat zij wel mee moest. Ik gaf haar nog een haastige kus, en stapte toen ook uit, zei broer en zus gedag, waarna Daniel Gelin zich naar zijn logeeradres aan het begin van de straat begaf, waar hij met Henk nog even de dingen van de avond doornam, en op luide toon Pieke vervloekte, die het zo nodig had gevonden als verlate chaperonne voor zijn zus te moeten optreden. Al met al een mooie gemiste kans, want het leek veelbelovend.

Het was de gouden tijd van het naoorlogse Franse chanson, met opkomende sterren als Georges Brassens, Jacques Brel, Mouloudji, Patachou, Catherine Sauvage, Juliette Greco en Gilbert Bécaud, met het prachtige lied Mes mains: ‘Mes mains dessinent dans le noir les lignes de l’espoir, qui ressemblent à ton corps.’ Ook de radio besteedde er aandacht aan en er was zelfs een vast programma, Met de Franse slag, waarin Ben Levie wekelijks de laatste nieuwtjes en chansons bracht. Deze laatste werd op 25 mei 1955 uitgenodigd door de Haarlemse kunstenaarssociëteit Teisterbant, om daar een avond van het Franse chanson te verzorgen. Hoewel ik geen lid was, had ik via een collega van mijn vader een introductie weten te bemachtigen, en was niet weinig vereerd om deze tempel van Godfried Bomans, gehuisvest in de kelder van café-restaurant Brinkman op de Grote Markt, eens met eigen ogen te mogen aanschouwen.  De gang van zaken op die avond was eenvoudig genoeg: Bernard Levie liet een aantal chansons horen, en de luisteraars moesten op een scorebiljet hun waardering tot uiting brengen met behulp van rapportcijfers. Wie en wat er gedraaid werd weet ik ook nog maar bij benadering, het waren in ieder geval enkel dames. Ik herinner me Edith Piaf met La goualante du pauvre Jean, en Les bourgeois de Cherbourg gezongen door een mij onbekende en ook vrijwel onbekend gebleven Mick Micheyl. Verder waren er zeker Juliette Gréco, Catherine Sauvage en Patachou. En natuurlijk waren er twee liedjes van Nicole Louvier. Om haar weer te horen had ik zo mijn best gedaan een introductie voor Teisterbant te krijgen. En zij werd slechts tweede, want Patachou ging met de eer strijken. Zij was erg populair in Nederland, waarschijnlijk door haar vertolkingen van Brassens zoals ‘Brave Margot’ en ‘Les amoureux des bancs publics’. Toch kreeg Nicole Louvier een uitnodiging om naar Teisterbant te komen en om daaraan voorafgaande een uitvoering te geven in de Haarlemse schouwburg. Patachou was om de een of andere reden verhinderd, zij was, als ik mij goed herinner, nog maar kort geleden in Nederland geweest. Nicole Louvier aanvaardde de uitnodiging en zo kon ik haar voor het eerst in levende lijve aanschouwen. In de schouwburg wel te verstaan, want het was mij niet gelukt opnieuw een introductie voor Teisterbant te krijgen. Maar haar optreden op het toneel was voor mij ruimschoots voldoende compensatie. Daar stond zij, in een lang zwart gewaad tot op de grond, het pagekopje en de volle lippen die ik al van de platenhoezen kende, en de gitaar, waar zij de meest geile klanken aan wist te ontlokken. Wist ik toen al dat zij lesbisch was? Waarschijnlijk wel, maar het maakte haar alleen maar onaantastbaarder. De onbereikbare vrouw, zo moest het blijven. Voor mij golden haar teksten en het ingénue imago dat zij uitstraalde. Haar programma kon kort worden samengevat met een van haar liedteksten: ‘A la vie comme à la guerre, faut brûler tous ses vaisseaux, pour gagner la terre entière, il faut savoir jouer gros.’ Het was het aloude romantische credo dat Marsman ook al gebruikte: ‘Groots en meeslepend wil ik leven, hoort gij, vader, moeder, knekelhuis!’

Ed Leeflang

Posted by Mels de Jong on July 9th, 2010 under Uncategorized  •  No Comments

Nicole Louvier.

Vandaag een film op TV met Françoise Arnoul: Le chemin des écoliers.
Het was een weerzien sinds lange tijd, want in de jaren vijftig was zij mijn
grote heldin: mooi, en uiterst sexy, wat natuurlijk een voorwaarde was. Sexy
was zij vooral in La rage au corps, uit 1953, waarin zij een nymfomane
speelt, die getrouwd is met de arme Raymond Pellegrin. Het is waarschijnlijk
haar meest zwoele rol, waar ik met het zweet in mijn handen naar heb zitten
kijken. Zeer gefascineerd, maar toch ook met de gedachte hoe afschuwelijk het
moet zijn om een vriendin te hebben, die je geen moment alleen kunt laten,
zonder het gevoel te hebben, dat ze het waarschijnlijk op datzelfde moment met
een ander doet. Bij Brigitte Bardot had ik dat ook wel. ‘Ah, those kittens with
their sharp claws’, zoals een Engelse vriendin over dit soort meisjes zei.

De film van vandaag was ook weer een echte Arnoul. Hij speelt in de
oorlog, en Arnoul is een getrouwde vrouw, die een relatie heeft met een
scholier, een piepjonge Alain Delon, die zij wil overhalen in de zwarte handel
te gaan. De film is uit 1959. Arnoul was toen 28 en Delon drie jaar jonger. Het
thema doet een beetje denken aan Le diable au corps, met Gérard Philippe
en Micheline Presle, maar zonder ook maar ergens dat niveau te halen. De
klassieke scène in de laatste film waarin de scholier Philippe zich tegenover
zijn minnares, wiens echtgenoot aan het front zit, wil bewijzen, en in een
restaurant tegen de ober zegt dat de wijn naar de kurk smaakt.

Heel mooi vond ik Les amants du Tage, waarin Arnoul een weduwe
speelt, die door taxichauffeur Daniel Gelin door Lissabon gevoerd wordt, en
daar alle bezienswaardigheden krijgt voorgeschoteld. Hoogtepunt is een bezoek
aan een fado-tent, waar Amalia Rodriguez Barco Negro zingt. Arnoul en Gelin
dansen op de muziek, waarbij Gelin ondertussen de vertaling van de tekst in
Arnouls oor fluistert.

Ik moet deze film hebben gezien in het jaar 1955, het jaar waarin hij
werd gemaakt. Ik kan dit reconstrueren, omdat in die tijd een nieuwe ster voor
mij aan het firmament verscheen: Nicole Louvier, een Franse chanteuse van eigen
teksten, die zichzelf daarbij op de gitaar begeleidde. Het liedje, waarmee zij
ongekend populair werd in Nederland was Mon petit copain perdu. Je
hoorde het regelmatig op de radio, en een vriend van mij, het moet Henk J. zijn
geweest, had al zeer snel de grammofoonplaat in zijn bezit. Het nummer heeft
voor mij nog een hoofdrol gespeeld op een verjaardagsfeestje bij Ad de K., aan
de Roostenlaan in Eindhoven. Ik was er voor overgekomen uit Haarlem, waar ik
woonde, en trof er tot mijn verrassing Enny van B., een meisje dat een aantal
jaren jonger was, en dat ik nog kende uit mijn Eindhovense tijd in de
Boerhaavelaan. Zij was de dochter van een autorijschoolhouder, en bleek
opgegroeid tot een mooie jonge vrouw, die mijn hart sneller liet kloppen. Ik
danste voortdurend met haar en toen het onvermijdelijke Mon petit copain
werd gedraaid, fluisterde ik haar als een ware Daniel Gelin na iedere regel de
vertaling in haar oor. Met groot succes, want aan het einde van de avond was
het al haast vanzelfsprekend dat ik haar naar huis zou brengen. Ondanks het
feit dat zij maar een paar straten verder woonde,
Roostenlaan-Floralaan-Boerhaavelaan, op ongeveer een kilometer afstand, had zij
natuurlijk als telg van een autorijschool een auto tot haar beschikking.
Uitermate sjiek voor die jaren, maar het had wel als nadeel, dat we niet met de
armen om elkaar heen de afstand al vrijend konden afleggen. Geen nood, want
eenmaal bij haar huis aangekomen, zouden we de schade, en nog wel geriefelijk
in de auto gezeten, ruimschoots kunnen inhalen. Tijdens het korte ritje, hadden
we het over Nicole Louvier, en over Parijs, waar we maar het beste meteen
naartoe konden rijden. Hierbij dacht ik liever niet aan mijn portemonnee, waar
nog net genoeg geld in zat voor de treinreis van de volgende dag naar Haarlem.
In de Boerhaavelaan draaiden we het garageplein op, waaraan naast elkaar de
garages lagen van de belendende woningen, die bijna allemaal waren opgekocht
door Enny’s vader, voor zijn persoonlijke wagenpark. Enny stuurde de auto in de
tweede garage van rechts, waarvan de deuren openstonden, en bracht de auto tot
stilstand. Ik draaide me naar haar toe, sloeg mijn arm om haar schouders en
wilde haar net de eerste kus geven, toen er op het raampje van mijn portier
werd getikt. Ik keek op, en zag tot mijn grote misnoegen Pieke van B., Enny’s
oudste broer staan. Hij opende het portier, begroette mij natuurlijk, want ook
wij hadden elkaar in geen jaren gezien, en zei toen, dat het al laat was, en
dat Enny met hem mee naar huis moest gaan. Ik zei, dat ze zo zou komen, maar
hij bleek niet van plan ons alleen te laten, waarop Enny tegen mij fluisterde,
dat zij er ook niets aan kon doen, maar dat zij wel mee moest. Ik gaf haar nog
een haastige kus, en stapte toen ook uit, zei broer en zus gedag, waarna Daniel
Gelin zich naar zijn logeeradres aan het begin van de straat begaf, waar hij
met Henk nog even de dingen van de avond doornam, en op luide toon Pieke vervloekte,
die het zo nodig had gevonden als verlate chaperonne voor zijn zus te moeten
optreden. Al met al een mooie gemiste kans, want het leek veelbelovend.

 

Het
was de gouden tijd van het naoorlogse Franse chanson, met opkomende sterren als
Georges Brassens, Jacques Brel, Mouloudji, Patachou, Catherine Sauvage,
Juliette Greco en Gilbert Bécaud, met het prachtige lied Mes mains: ‘Mes
mains dessinent dans le noir les lignes de l’espoir, qui ressemblent à ton
corps.’ Ook
de radio besteedde er aandacht aan en er was zelfs een vast programma, Met
de Franse slag
, waarin Ben Levie wekelijks de laatste nieuwtjes en chansons
bracht. Deze laatste werd op 25 mei 1955 uitgenodigd door de Haarlemse
kunstenaarssociëteit Teisterbant, om daar een avond van het Franse chanson te
verzorgen. Hoewel ik geen lid was, had ik via een collega van mijn vader een
introductie weten te bemachtigen, en was niet weinig vereerd om deze tempel van
Godfried Bomans, gehuisvest in de kelder van café-restaurant Brinkman op de
Grote Markt, eens met eigen ogen te mogen aanschouwen.  De gang van zaken op die avond was eenvoudig
genoeg: Bernard Levie liet een aantal chansons horen, en de luisteraars moesten
op een scorebiljet hun waardering tot uiting brengen met behulp van
rapportcijfers. Wie en wat er gedraaid werd weet ik ook nog maar bij
benadering, het waren in ieder geval enkel dames. Ik herinner me Edith Piaf met
La goualante du pauvre Jean, en Les bourgeois de Cherbourg
gezongen door een mij onbekende en ook vrijwel onbekend gebleven Mick Micheyl.
Verder waren er zeker Juliette Gréco, Catherine Sauvage en Patachou, die in die
tijd furore maakte met teksten van Georges Brassens. En natuurlijk waren er
twee liedjes van Nicole Louvier. Om haar weer te horen had ik zo mijn best
gedaan een introductie voor Teisterbant te krijgen. En zij werd slechts tweede,
want de populaire Patachou ging met de eer strijken. Toch kreeg Nicole Louvier
een uitnodiging om naar Teisterbant te komen en om daaraan voorafgaande een
uitvoering te geven in de Haarlemse schouwburg. Patachou was om de een of
andere reden verhinderd. Zij aanvaardde de uitnodiging en zo kon ik haar voor
het eerst in levende lijve aanschouwen. In de schouwburg wel te verstaan, want
het was mij niet gelukt opnieuw een introductie voor Teisterbant te krijgen.
Maar haar optreden op het toneel was voor mij ruimschoots voldoende
compensatie. Daar stond zij, in een lang zwart gewaad tot op de grond, het
pagekopje en de volle lippen die ik al van de platenhoezen kende, en de gitaar,
waar zij de meest geile klanken aan wist te ontlokken. Wist ik toen al dat zij
lesbisch was? Waarschijnlijk wel, maar het maakte haar alleen maar
onaantastbaarder. De onbereikbare vrouw, zo moest het blijven. Voor mij golden
haar teksten en het ingénue imago dat zij uitstraalde. Haar
programma kon kort worden samengevat met een van haar liedteksten: ‘A la vie
comme à la guerre, faut brûler tous ses vaisseaux, pour gagner la terre
entière, il faut savoir jouer gros.’ Het was het aloude romantische credo dat
Marsman ook al gebruikte: ‘Groots en meeslepend wil ik leven, hoort gij, vader,
moeder, knekelhuis!’

 

 

 

In die tijd, het was 1955, zat ik op de kweekschool en volgde daar een spoedcursus voor onderwijzer. De geboortegolf van na de Tweede Wereldoorlog stond op het punt de lagere school te overspoelen, en om het leerkrachtentekort dat daardoor zou ontstaan het hoofd te bieden, had men besloten mensen met een middelbare schoolopleiding de gelegenheid te bieden een spoedcursus te volgen die vijftien maanden zou duren, en tijdens welke men ook nog een vergoeding ontving. Die bedroeg voor mensen die nog bij hun ouders thuis woonden fl. 100 en voor mensen die op kamers woonden fl. 150 gulden per maand. Voor mij gold het eerste en ik besefte, dat dit een uitgelezen manier was om van het kantoorbaantje af te komen, waar ik mij sinds ik uit militaire dienst was, waarlijk dood verveelde. Het zou, hoe dan ook, een keerpunt in mijn leven vormen. Naar kantoor ging ik nooit meer terug, dat was zeker, en een loopbaan als onderwijzer? Daar kon ik me nog niet goed iets bij voorstellen, en ik wist ook zeker niet, of ik daar wel geschikt voor was. Maar dat viel allemaal nog te bezien. Voorlopig zou ik vijftien maanden lang weer kunnen studeren, en zou ik nieuwe mensen ontmoeten, die me waarschijnlijk snel van mijn kantoortrauma zouden genezen. Natuurlijk was ik het meest nieuwsgierig naar de meisjes. Het zou toch al gek moeten lopen, als er niet een paar aardige bij zouden zijn. Eentje kende ik al: Corrie ten Have, die bij mij in de straat woonde, en die min of meer verloofd was met mijn vriend Henk Jansen.

Maar wie ik het eerst echt ontmoette, was geen meisje, maar een jongen: Ed Leeflang. Ik weet niet meer of  het bij de inschrijving was, of bij een medische keuring, dat wij met elkaar in gesprek raakten, en eigenlijk al meteen vrienden werden. Hij was kleiner dan ik, met een grote bos donker haar en bruine, onderzoekende ogen. Wat het meeste opviel, was zijn stem, of liever, zijn manier van praten. Ik was gewend aan ‘slordige’ gesprekken, zonder al te veel bekommernis om grammaticale correctheid, maar dat was bij Ed wel anders. Hij sprak vrij langzaam en doordacht, in fraai geformuleerde zinnen. Daarbij had hij een uiterst welluidende stem, waarin altijd wel een lachje op de loer lag, als om bij voorbaat de draak te steken met zijn eigen volzinnen. Waar we over spraken die eerste keer weet ik niet meer, maar Slauerhoff en Marsman kunnen nooit ver weg geweest zijn. En dan natuurlijk over wie we waren, en wat we zoal gedaan hadden. Ed woonde in Zandvoort, en was journalist geweest bij een plaatselijke krant, maar veel interessanter vond ik, dat hij daarnaast boekbesprekingen schreef voor Literair Paspoort. Ook was hij getrouwd, of pas gescheiden, en had al een zoontje. Hij was dan ook al drie jaar ouder dan ik, hoewel dat uiterlijk totaal niet opviel. Het kon niet anders, of  al deze gegevens maakten, dat ik hem niet weinig bewonderde. We waren van het eerste moment af onafscheidelijk op de ‘spoedcursus’, en het sprak vanzelf, dat wij ook naast elkaar in een bank zaten. Achteraan, in de eerste rij, zodat we een mooi uitzicht over de klas hadden.

Onze vriendschap werd als het ware bekrachtigd door de leraar Nederlands, Fossen. Een opmerkelijke en voortreffelijke man, enigszins rond, en van een joviale bonhomie, die zijn lessen, hij moest ons per slot van rekening ook iets leren, voortdurend begeleidde of onderbrak met uiterst geestige terzijdes. Tijdens de eerste les gaf hij als opdracht mee naar huis een opstel te schrijven naar vrije keuze. Ik kweet mij van mijn taak door een  erudiet  stukje te schrijven over het Journaal 1939 van Ter Braak, dat ik net had gelezen. Het viel zeer in de smaak bij Fossen, die het, in het eerste lesuur, nadat wij het hadden ingeleverd, in zijn geheel voorlas voor de hele klas, en het steeds onderbrak om aan de leerlingen bepaalde passages te verduidelijken. Ik luisterde als in een droom, en had waarschijnlijk van het begin tot het einde een hoogrode kleur. In het volgende lesuur gebeurde hetzelfde met het opstel van Ed, dat over Montaigne ging, en waar Fossen zichtbaar geroerd door was. Het was een stilistisch meesterwerkje, en Fossen vond, dat het het niveau van een Du Perron evenaarde. We hoorden nu ook voor de andere cursisten  bij elkaar, maar het was pas een eerste begin, want al snel sloten zich drie meisjes bij ons aan, en hiermee ontstond een vijftal, dat de komende vijftien maanden onafscheidelijk zou zijn. De meisjes waren Wilma Suyk, waarschijnlijk de mooiste cursiste, Heleen Menage, heel spontaan en direct en met een gymnastische achtergrond, waardoor ze mooi kon zwaaien aan de ringen. De derde was Els Mandemakers, erg introvert en waarschijnlijk de intelligentste. Zij trok mij het meeste aan, en ik werd maar meteen verliefd op haar. Dit had trouwens geen consequenties, want het behoorde, denk ik achteraf, tot de ongeschreven regels, dat we niet door intieme relaties het bestaan van het groepje op het spel zouden zetten. Toch hebben anderen het in de gaten gehad, want ik herinner mij, dat ik op een dag, na een korte ziekte terugkomend op school, van Corrie ten Have hoorde, dat Els een vrij ernstig auto-ongeluk had gehad, met vrienden op weg naar het carnaval in Roermond. Zij zou daar in het ziekenhuis liggen met een kaakfractuur, hersenschudding, beenwond en een lichte shock. Even later riep medecursist Aart de Zwart mij terzijde en zei, dat hij blij was mij weer te zien, want wist ik het al van Els, en daar ik ook net die dag afwezig was, dacht hij, zie je en zodoende… Drie dagen later vertelde Wilma mij de werkelijke toedracht. Els was niet met vriendjes op weg naar Roermond, maar zij zat bij Wilco Bergmans in de auto, de redacteur van Panorama/Libelle, die mij de uitnodiging voor Teisterbant had bezorgd, en daarnaast een geduchte vrouwenjager was. Zij hadden elkaar leren kennen een week daarvoor, toen Els en Wilma samen bij Scheltema koffie zaten te drinken en Wilco bij hen aanschoof met het voorstel een reportage over hen te maken voor Libelle, waarin zij als spoedcursisten geportretteerd zouden worden. Zij gingen erop in, en er werden ter plaatse foto’s van hen gemaakt. Ik had er een jaloerse pest over in, die niet beter werd, toen Wilma mij toevertrouwde, dat zij Wilco weliswaar niet ‘interessant’ vond, maar dat zij moest toegeven, dat ‘hij wist hoe je met vrouwen om moest gaan.’

De spoedcursus werd gehouden in het gebouw van de bekende Haarlemse kweekschool ‘De Bak’, aan het begin van de Leidsevaart, waar het onderwijs aan de ‘normale’ kwekelingen gewoon doorging. Wij waren daartussen ingeroosterd, zonder dat dat tot veel problemen leidde. Wel was te merken, dat de gewone kwekelingen ons met enige afgunst bejegenden, want wij zouden binnen vijftien maanden een diploma hebben en kregen daar ook nog eens voor betaald. De twee belangrijkste vakken voor ons waren Nederlands en pedagogie, wat ook weer door een uitstekende leraar werd gegeven, David Rüting. De nadruk  werd door hem trouwens gelegd op de psychologie, met vooral de persoonlijkheidstheorieën en moderne leertheorieën, zoals de Gestaltpsychologie en het behaviorisme, die toen nogal in zwang waren. Op deze twee vakken deden Ed en ik weinig voor elkaar onder, en het was dan ook door de andere vakken, dat Ed duidelijk werd gezien als de beste leerling van de klas. Tekenen deden wij allebei goed, maar met zingen was hij met zijn mooie, vaste stem iedereen de baas. En ook op het gebied van de natuurlijke historie wist hij meer dan een ander. Dat merkten wij toen wij er een keer met z’n vijven een hele middag op uit trokken om plantjes voor een door ons aan te leggen herbarium te gaan zoeken. Hij kende alle namen: stinkende gouwe, vogelmelk, maagdenpalm, look zonder look, wat het voor ons erg makkelijk maakte, omdat wij toen niet meer hoefden te determineren.

Aan het einde van de middag gingen wij als gebruikelijk naar Brinkman op de Grote Markt, om een koffie, een pilsje of een borrel te drinken, en eindeloze gesprekken te voeren. Die konden over van alles gaan, over de moderne dichters, met Nieuwe griffels, schone leien, en Atonaal, een bloemlezing, als het ware onder handbereik. Of over de andere cursisten, die er in onze beschouwingen niet al te best vanaf kwamen. Veel plezier hadden wij altijd om Harry Mulisch, die elke keer wel zijn rondje door Brinkman maakte, en wazig-spiedend om zich heen keek, of er niet een aardig en willig meisje te versieren viel. Dit overkwam eens Mia, de zus van een vriend van mij, die tijdens het winkelen Mulisch aan zag komen, en zich nadrukkelijk voor een etalage posteerde, om hem de kans te geven haar aan te spreken. Dit gebeurde inderdaad en zij werd uitgenodigd om samen met hem iets te gebruiken in Brinkman. Aan het einde van de avond werd de betovering verbroken, toen zij, in plaats van in een auto, door Harry werd thuisgebracht achter op zijn fiets. Zij was daarna niet meer geïnteresseerd in verdere uitnodigingen.

De kweekschool besteedde veel zorg aan de culturele ontwikkeling van de kwekelingen. Er waren regelmatig avonden waarop kunstenaars lezingen hielden over hun werk of in bredere zin over de stroming waartoe zij behoorden. Jan Wit, de blinde dominee-dichter sprak over ‘het woord in de dichtkunst’, en hoe een gedicht tot stand komt. De dichter begint vaak heel onschuldig, en komt dan via associaties tot het verwerkelijken van iets, waar hij zelf tot dan toe ook geen notie van had. De woorden komen in een totaal nieuw verband te staan, waar een spanning van uitgaat, die verantwoordelijk is voor de ‘meerwaarde’ die het woord in het gedicht krijgt. Tegenover de doelmatigheid van het woord in het dagelijks taalgebruik, wat hij aangaf met ‘om te…’ is het woord van de dichter autonoom, oftewel ‘om toch…’ Een andere keer sprak Ad den Besten over de moderne dichtkunst, en ook Ed liet zich op dit terrein niet onbetuigd, door een lezing te wijden aan de experimentelen, waarin hij het had over de context van het experimentele woord, dat wil zeggen, dat dit woord een appèl doet op de totale kennisvoorraad van de lezer.

Maar ook hebben Ed en ik eenmaal samen een avond verzorgd. Ed was, net als ik, zeer geïnteresseerd in het Franse chanson, en hij had bovendien platen die ik niet had. Zijn grote voorkeur toen was Léo Ferré. Die kende en bewonderde ik ook, maar dan toch vooral als schrijver van teksten die gezongen werden door meestal Catherine Sauvage. Paris Canaille was wel de bekendste. Maar Ed had platen van Ferré zelf, en dweepte met chansons als La chambre, Monsieur William en Les vitrines. Ikzelf was het meeste verknocht aan Georges Brassens, en had Il n’y a pas d’amour heureux, op een tekst van Aragon, letterlijk grijs gedraaid. Gewend als ik was aan zijn ruige geluid, moest ik erg wennen aan de af en toe wat precieuze voordracht met het sterke vibrato van Ferré, maar ik kon moeilijk ontkennen dat zijn teksten prachtig waren. In deze tijd vervulde Ed, naast dat hij een vriend van mij was, ook heel duidelijk een mentorsrol. Ik besefte, dat ik van hem een hoop kon leren, en allemaal dingen die ik ook graag wilde leren, of het nu op het terrein van de muziek was, of van de literatuur. Bij hem thuis liet hij mij eens een plaat horen van Mahlers Kindertotenlieder, gezongen door Herman Schey, en ik was er meer dan kapot van. Het was voor het eerst dat ik bewust iets van Mahler hoorde en het ging mij recht door de ziel. Later las ik bij Vestdijk over een uitvoering van een Mahlersymfonie in het concertgebouw, en dat een vrouw in een rij voor hem zei: ‘O God, laat dit altijd zo voortduren.’ Ik herkende dit onmiddellijk, het was ook mijn gevoel, toen, op die middag bij Ed thuis.

Wij zullen de ‘avond van het Franse chanson’ wel samen bedacht hebben, en er vervolgens over hebben gepraat met Fossen, die direct accoord ging. De bedoeling was, dat we korte inleidingen zouden houden bij een chanson, om daarna de bewuste plaat te laten horen. Het spreekt vanzelf, dat Ed wat langer zou stilstaan bij Ferré, en ik bij Brassens, maar natuurlijk brachten wij ook Nicole Louvier en Catherine Sauvage ten gehore. Fossen kon ons zelfs helpen aan een langspeelplaat van Louvier, waarop zij wordt ingeleid door Maurice Chevalier, en waarop zij ook het beroemde ‘A la vie comme à la guerre’ zingt. Het zal ongetwijfeld een rommelige avond geweest zijn, maar het publiek vond het allemaal prachtig en betuigde zich enthousiast.

Vele jaren later ben ik, in Vrij Nederland, nog eens teruggekomen op deze periode, toen Carel Peeters mij vroeg een stukje te schrijven over mijn favoriete gedicht.(VN 2/10/1993) Ik schreef  daarin: ‘Toen Ed Leeflang en ik nog in de schoolbanken zaten, organiseerden wij eens samen een ‘avond van het chanson’, waarop hij vooral Ferré introduceerde en ik Brassens, op dat moment mijn favoriet. Maar het was korte tijd later het prachtige gedicht van Apollinaire, Le pont Mirabeau,dat mij definitief tot Ferré bekeerde.’ Bijna per kerende post, geschreven op 18 oktober, kreeg ik een brief van Ed, met daarin: ‘In het café sloeg ik een VN-nummer open en las je stuk over dat wondermooie gedicht/chanson ‘Le pont Mirabeau. Ik zing het nog wel eens bij de harmonica en ontroer dan mezelf. Maar nu: terwijl jij dat allemaal opschreef, liep ik rond in het Musée G. Apollinaire in Stavelot. En toen jij de slotpunt tikte, nam ik de laatste slok Ciney in het Hotel du Mal Aimé. Zo deed ieder wat aan de oude liefde. Alles volgens onbekend plan, maar in orde is het natuurlijk wel.’ Nu ik nog eens de datum lees van zijn brief: 18 oktober 1993, bemerk ik, dat die geschreven is op de dag af vijftig jaar na de moord op mijn oom,  A.M. de Jong.

Nadat wij enige maanden op de cursus zaten, bedachten Ed en ik dat het misschien een goed idee was, als wij ons tegelijkertijd ook nog zouden inschrijven voor de cursus M.O.-Nederlands. Wij spraken er over met Fossen, en die moedigde ons ten sterkste aan. Er bestonden twee mogelijkheden: de Vrije Leergangen in Amsterdam, op gereformeerde grondslag, en de neutrale School voor Taal en Letterkunde in Den Haag. Wij besloten tot de laatste, en begonnen al in september 1955. De lessen werden gegeven op zaterdagmiddag in een Haags gymnasium, en dus reisden wij elke zaterdag met de trein naar Den Haag. Samen met nog een onderwijzeres, Anneke, die wij al kenden van een school waarop wij gehospiteerd hadden. Als leraren herinner ik mij J.H.W. Veenstra, die de letterkunde uit de Gouden Eeuw met ons behandelde, waaronder de Baeto van Hooft, en diens Historiën, die door ons, onder zijn leiding, vertaald werden. Het bleek een heidense klus te zijn, waarbij eindeloos gepiekerd werd over de betekenis van de tekst, en over de grammaticale constructies, die van een grote duisterheid waren. Voor fonetiek hadden wij de Vlaming F. de Tollenaere, redacteur van het Groot Woordenboek der Nederlandse taal. Hij verenigde het nuttige met het aangename, door ons voortdurend briefjes te geven, waarop wij woorden, die hij noemde, moesten schrijven, met de wijze waarop zij werden uitgesproken in de streek waar wij vandaan kwamen.

Na de vijftien maanden van de spoedcursus die voor mij vooral onvergetelijk zijn door het dagelijkse contact met de vriendinnen en vooral met Ed Leeflang, scheidden zich de wegen, dat wil zeggen, dat ieder van ons naar een school ging waar een aanstelling verkregen was. En merkwaardigerwijze, ik heb dit nooit helemaal begrepen, betekende dit ook het einde van onze omgang met elkaar. Wilma heb ik ongeveer een jaar later nog teruggezien, toen zij trouwde met een vriend van Mia Beijk. Mia was ook uitgenodigd, en vroeg aan mij of ik haar wilde vergezellen naar de receptie, wat ik natuurlijk graag heb gedaan. En ja, Els heeft mij nog een keer opgezocht toen ik met hoge koorts en een venijnige griep in bed lag. Maar ook dat heeft geen vervolg gehad. Was ik te ziek om nog een afspraak met haar te maken? De laatste keer, dat ik haar zag was in Amsterdam, waar zij toen samenwoonde met een journalist Joost de Ruyter. Maar al het vertrouwelijke was weg. De spoedcursus was definitief voorbij. Iedereen had weer een eigen leven, en het leek wel, of ik de enige was die eronder leed. Voor mij had het altijd door mogen gaan.

Twintig jaar later heb ik dan toch Ed Leeflang weer ontmoet. Een heel leven verder, kun je zeggen. Ik was in die tijd getrouwd, had psychologie gestudeerd, werkte op de universiteit als medewerker, en schreef  boekbesprekingen voor Vrij Nederland. We hadden lange tijd in Amsterdam gewoond, toen zes jaar in een stolpboerderij in Hoogwoud, en waren net weer plannen aan het maken om terug te gaan naar Amsterdam. Toen ik in een telefoongids bladerde stuitte ik toevallig op de naam Ed Leeflang. Meteen opgebeld en een afspraak gemaakt op het Leidseplein, waar we urenlang hebben zitten praten over de afgelopen jaren, en over toen. Hij bleek in zijn manier van spreken weinig veranderd. Nog steeds sprak hij in fraai gevormde zinnen en hij vergat daarbij niet zijn gesprekspartner via een chique formulering naar een ‘hoger’ plan te tillen. Toen ik hem vertelde, dat ik naast mijn werk op de universiteit, boekbesprekingen schreef voor Vrij Nederland, zei hij: ‘Ah, jij bent literair kronikeur.’ Ik had toen hetzelfde ongemakkelijke gevoel, als toen wij elkaar pas kenden, en wij aan het strand van Zandvoort lagen, waar hij een oud-collega-journalist van de Zandvoortse krant ontmoette. Toen hij mij voorstelde zei hij tegen hem: ‘Wij zijn de twee enige intellectuelen van de cursus.’ Op het Leidsepleinterrasje vertelde hij mij ook, dat hij nog steeds contact had met Fossen, en hem geregeld opzocht. Het ging niet goed met hem: ouderdoms-diabetes, en ten gevolge daarvan bijna blind. Een paar jaar later, toen ik Ed tegenkwam bij een receptie van De Gids, die zoveel jaar bestond, zei hij, dat Fossen het jaar daarvoor was overleden. En ook in de laatste brief die ik van hem ontving, kwam hij ter sprake, en hoe: ‘Ik zocht hem vrij regelmatig op. Hij had het jarenlang moeilijk met zijn diabetes en blindheid, vooral toen zijn dementerende vrouw eenmaal was opgenomen in een verpleeghuis. Ik las hem voor, bakte een biefstuk of we gingen eten bij Dreefzicht. Hij draaide zijn lievelingsmuziek, die hij me wilde laten horen. Zo ook de laatste avond, een strijkkwintet van Schubert, waarin je, naar hij zei, de dood hoorde aankomen. De volgende morgen wàs hij dood. Hij had zich in een vloerkleed gerold. Hij heeft me wel eens verteld hoe het tussen hem en zijn grote liefde was misgelopen, omdat hij onder druk van zijn kinderen zijn vrouw uiteindelijk niet in de steek had kunnen laten. Je begrijpt op hoe een vertrouwelijke voet we waren geraakt.’

Ik was in die jaren bezig met mijn proefschrift, en toen Gerda en ik eens door hem waren uitgenodigd om te komen eten in zijn woning op de Oude Schans, heb ik hem mijn stellingen laten lezen, waarbij er ook een paar waren, die door Gerda waren geschreven en die betrekking hadden op haar terrein van kinderen en onderwijs. Hij was het met de inhoud van de stellingen eens, maar had wel kritiek op de manier waarop Gerda haar mening onder woorden had gebracht. Dit bleek uit een brief, die hij vlak na ons bezoek schreef: ‘Wat de woordkeus in stelling 9 betreft, heregod, ‘Ouders die affectie inadequaat doseren en weinig structuur en ordening bieden’ zijn toch wel heel rare ledepoppen van psychopedagnostisch bargoens. Die zelfzuchtige en/of domme pappies en mammies lijken ontworpen door Sickbock himself, waaruit maar weer eens moge blijken dat het academisch jargon tegen Koot, Bie, Komrij, Toonder en dus alles bestand is. Maar zulke dingen roep ik niet door de promotie heen, hoor. Een van de onzuivere motieven om die bij te wonen is overigens de hoop paranimf IJlstra in jacquet te zien verschijnen.’ Deze brief is van 19 maart 1981, en de promotie zou plaats hebben op 3 april.

Omstreeks 1980, de tijd dat ik Ed weer voor het eerst na twintig jaar ontmoette, brak hij door als dichter met een aantal bundels die alle zeer lovend werden besproken. Nog in mijn laatste brief aan hem, van afgelopen januari, had ik het met hem over zijn gedichten, omdat hij schreef, dat hij met een nieuwe bundel bezig was: ‘In de bundeling van vogelgedichten die Guus Luijters maakte, zag ik dat hij ook een paar jou heeft opgenomen, maar niet ‘de ijsvogel’, die ik zo mooi vind: ‘Daar kwam van rechts/ oranje blanje bleu hij uit een duister groen gevlogen. God wat een schrik.’

Na het nieuwe weerzien zag ik Ed nog af en toe, ‘bij voorkomende gelegenheden’, maar van een regelmatige omgang is nooit meer iets gekomen. Als wij elkaar zagen, was hij  altijd bijzonder hartelijk. Ik herinner mij, dat toen mijn A.M.de Jong-biografie verschenen was, hij mij onmiddellijk opbelde, om mij te feliciteren, en om daarna te besluiten met de woorden: ‘Fossen zou trots op je geweest zijn’. Het was de mooiste lof die op dat moment voor mij denkbaar was, en even waren wij weer de onafscheidelijke vrienden van de spoedcursus, onder de warme hoede van een vereerde leermeester. Ik had tranen in mijn ogen toen ik de telefoon op de haak legde, en ik voelde hoe sterk onze verbondenheid was, ook al zagen we elkaar maar zelden. Korte tijd later heb ik  nog een avond lang met hem kunnen praten over de biografie en hij sprak opnieuw zijn bewondering uit over het boek.

Vorige zomer sprak ik op de opening van een schilderijententoonstelling van Bouke IJlstra  Rein Dool, een vriend van Ed, die mij vertelde dat het slecht ging met hem. Ik zei dat ik hem een brief zou schrijven. Hij vond dat een goed idee, maar zei wel, dat ik niet moest zeggen dat ik van hem, Rein, had gehoord over zijn toestand, want dat Ed daar liever niet over praatte. Ik schreef hem dus in neutrale bewoordingen, en vertelde ook, dat mijn Léautaud-biografie op het punt stond te verschijnen. En ook vroeg ik hem of hij nog ooit iets gehoord had van onze drie vriendinnen van de spoedcursus, want dat ik zelfs geen adressen van hen had. Hij antwoordde per omgaande en schreef ook de passage over de dood van Fossen, die ik al eerder aanhaalde. Over de vriendinnen zei hij: ‘De meisjes Els, Wilma en Heleen ben ik uit het oog verloren. Els is vrij kort na de cursus getrouwd met een journalist, Joost de Ruiter of Ruijter. Ik heb ze toen een fraaie antieke deurklopper gegeven, waar ik nog wel eens spijt over had. Voor zover ik me herinner, is dat huwelijk mislukt. Heleen heeft me, ook niet lang na de cursus, eens opgezocht in een vrijlustige bui. Ik woonde toen op een zolderkamer in Amsterdam.’ En hij vervolgt dan: ‘Momenteel gaat het me niet erg goed. In het voorjaar ben ik twee keer geopereerd aan een kankeraandoening, maar het heeft niet geholpen. Afgelopen maandag ben ik bestraald en dat gaat nog een keer of drie gebeuren. Hoe lang ik het nog zal maken kunnen mijn specialisten niet voorspellen. Ik hoop nog een dichtbundel in te leveren bij De Arbeiderspers. Daar ben ik al lang aan bezig. (…) Je Léautaud-biografie zie ik natuurlijk met veel belangstelling tegemoet. Hopelijk ben ik dan nog onder je lezers.’ Maar dit heeft niet mogen zijn. De presentatie van de biografie was op zondag 9 maart 2008, en Ed is op de 17de gestorven.