Archive for September, 2010

Thorbeckeplein

Posted by Mels de Jong on September 15th, 2010 under Uncategorized  •  No Comments

  Het Thorbeckeplein.

Toen we weer terugwaren in Amsterdam, wachtte ons nog een prettige verrassing. Jan vertelde mij, dat hij had gehoord van een jaargenoot, dat de cabarettier Kees Manders de ruimte boven zijn club ‘Het Uiltje’ op het Thorbeckeplein wilde verhuren aan studenten. Het was een buitenkansje, dat deze ‘koning van het Thorbeckeplein’ ons aanbood. Het Uiltje was een gelegenheid waar elke avond muziek werd gemaakt, en waar Manders’ vrouw, de mooie Zwarte Riek elke avond verschillende keren haar absolute kraker ‘Mijn wiegje was een stijfselkistje’ ten gehore bracht. Toen wij er woonden zijn we er verschillende malen geweest, en waren ook getuige van de eerste optredens van Ria Valk. Om op onze etages, het waren er twee, te komen moest je een trap op naast Het Uiltje. Op de eerste etage ging je dan langs de club ‘De optimisten’, een besloten nachtclub van Manders, en via een brede trap bereikte je dan onze eerste etage met een grote keuken en een aantal kamers.

Van die kamers was er, op het moment dat Jan er van hoorde, nog een aantal vrij. Of dat niet iets voor mij zou zijn? Ik sprong een gat in de lucht en ben er meteen werk van gaan maken. Zo kreeg ik een lange, smalle kamer op de bovenste etage, aan de voorkant, net onder de hijsbalk. Wel iets anders dan het gehorige kamertje aan de Nieuwe Spiegelstraat. Hier zou ik bezoek kunnen ontvangen zoveel als ik wilde. De huur bedroeg 55 gulden, iets meer dan mijn vorige kamer, maar daar wogen de voordelen gemakkelijk tegen op. Toen ik Gerda van het Thorbeckeplein vertelde, was zij ook hogelijk geïnteresseerd. Zij vroeg of er geen grote kamer was, waar zij met Marian, haar beste vriendin, zou kunnen gaan wonen. Dat bleek inderdaad het geval. Op de etage onder mij, was aan de voorkant een grote kamer, die gemakkelijk door twee mensen bewoond zou kunnen worden. De prijs was aan de hoge kant, 140 gulden, maar wel op te brengen. En zo begon een van de spannendste en meest intense periodes van mijn leven. En ook een van de intiemste vormen van samenleven. Aanvankelijk tussen Gerda, Marian en mij, waarbij wij overdag in de grote kamer beneden huisden, en Gerda ’s avonds met mij naar boven ging, en de nacht bij mij doorbracht. In een smal bed, een twijfelaar, maar dat deerde ons niet. Spoedig kwam ook Jan steeds regelmatiger op bezoek. Hij at met ons, en bleef ’s avonds nog wat hangen om met mij te schaken of gewoon te kletsen. Vaak ook gingen wij met z’n tweeën naar een kroeg op het Rembrandtplein, Het Wijnvat, waar ze een balspel hadden, dat wij erg leuk vonden. Je moest de ballen in gaten gooien die een bepaalde waarde aangaven, om zo tot een zo hoog mogelijke score te komen. Ook ’s ochtends zaten wij uren op de terrasjes van het Rembrandtplein kopjes koffie te drinken. Dat ging tussen de colleges door, of voorafgaande aan de colleges. Ver waren zij niet. De meeste werden toen nog gegeven in de Oudemanhuispoort. En daarvoor hoefden wij enkel de halvemaansteeg door, de brug over naar de Kloveniersburgwal, en dan het poortje van de Oudemanhuispoort in. We deden dat vaak gedrieën, Gerda, Marian en ik, want in dit tweede studiejaar waren Marian en ik overgestapt van sociale pedagogiek naar psychologie, en Gerda had de academie eraan gegeven, om ook psychologie te gaan doen.

Na korte tijd werden Jan en Marian ook verliefd op elkaar, en maakte Marian het uit met haar vriend Henk. Zij werd nu Jans officiële vriendin, maar dat betekende niet, dat Jan nu ook volledig zijn intrek nam op het Thorbeckeplein. Hij hield zijn kamer, in deze tijd op de Weteringschans, aan, wat verstandig was, want in die eerste tijd met Marian was het voortdurend aan of uit. Marian zei eens tegen mij, dat ze nooit met Jan zou willen trouwen, want als ze twee dagen samen waren begon hij haar al ontzettend te irriteren. Toch hield ze van hem, maar ze was er erg onzeker over. Toen ze op een woensdagmiddag naar hem toe wilde gaan, maar eigenlijk niet durfde stelde ik voor om mee te gaan, waar zij grif op inging. Nauwelijks bij Jan binnen, zei ze, na een afspraakje voor de volgende avond te hebben afgezegd: ‘Nou, dan ga ik maar weer.’ En ze voegde de daad bij het woord, daarbij zowel Jan als mij in de grootste verbazing achterlatend. ’s Avonds kwam Jan weer bij ons, en sindsdien, het is nu zaterdagmorgen, schrijf ik in mijn dagboek, hebben ze elkaar niet meer alleen gelaten.

Het neemt niet weg, dat Jan toch steeds meer deelnam aan ons bestaan op het Thorbeckeplein.  We deden alles samen. We vierden samen Sinterklaas, gingen samen naar het carnaval in Roermond, en bewoonden intensief de grote voorkamer aan het Thorbeckeplein. De achtergrondmuziek was Mahler, van wie in die tijd de langspeelplaten met zijn symfonieën verschenen, in de prachtige uitvoeringen van Bruno Walter. Het was een tijd van ‘liaisons dangereuses’, niet erg serieus, maar er werden wel spelletjes gespeeld, waarvan ik  mij er nog één herinner, ik citeer uit een dagboek: ‘Gisteravond zijn Jan, Gerda en ik weer naar het Wijnvat geweest. De aanleiding was ditmaal een schaakpartij met als inzet een rondje bier. Ik verloor. Het ene rondje werden er zes, zodat we niet helemaal nuchter meer, om kwart over één weer op de kamer van Marian zaten, waar we nog wat onsamenhangend hebben zitten praten. Toen  kwamen Marian en een vluchtige kennis, ene Henk, binnen, die naar het casino waren geweest. Om hem te choqueren vertelden we, dat we geschaakt hadden om Gerda. Als Jan zou winnen zou hij met Gerda naar bed mogen en anders ik met Marian. Dit was vroeger al als mogelijkheid geopperd, zodat Marian nauwelijks verbaasd was. Na nog enig niet helemaal helder heen-en-weer-gepraat, gingen Henk, Marian en ik tegelijkertijd weg. Marian om Henk uit te laten en ik naar de W.C., en vandaar naar mijn kamer. Tegen Gerda zei ik bij het weggaan, dat ik haar na een minuut of vijf ook boven verwachtte. Toen de deur van mijn kamer openging, was het evenwel niet Gerda, maar Marian die binnenstapte. Het bleek, dat zij ons gesprek over het schaken voor ernst had opgevat, en dat zij maar naar mij was gegaan, omdat Gerda dus bij Jan was. Ik was hierdoor aangenaam verrast, en begon meteen met haar te vrijen, waar zij gretig op inging. Daarna ging de deur weer open en kwamen Gerda en Jan binnen. Lacherig, hoewel Jan onmiddellijk begon te kijken of de kleding van Marian nog op zijn plaats zat. Daarna verontschuldigden Jan en Gerda zich en gingen, nog steeds lachend, weer weg. Maar de lol was er af en na vijf minuten gingen Marian en ik naar beneden, zodat elk toch nog bij de eigen partner in bed belandde. Of de keer dat ik al in bed lag, en Gerda en Marian nog beneden waren. Gerda aan het strijken, en Marian Gerda’s jurken passend. Steeds als zij er een aanhad, kwam ze naar boven om het mij te laten zien. We vrijden dan even, waarop zij weer naar beneden ging om een andere jurk aan te trekken en die mij te tonen, enz.

We zijn in het voorjaar van 1959 ook nog samen naar Parijs geweest, in een Volkswagen, die we voor dat doel hadden gehuurd en die bestuurd werd door Jan, de enige die een rijbewijs had. We vonden een hotel in de rue Jacob, en Jan leidde ons de komende dagen rond langs de plaatsen, waar hij sinds zijn Parijse verblijf goede herinneringen aan bewaarde. Café Bonaparte, La Pergola, Carrefour, enz. Kortom, hechtere banden dan tussen ons vieren, heb ik na die tijd nooit meer meergemaakt. Marian zei in die tijd tegen Gerda en mij, dat zij zich een leven zonder ons niet meer voor kon stellen, en voor ons gold waarschijnlijk hetzelfde.

Af en toe gaven we grote feesten, waarop  wij de ‘buitenwereld’ gelegenheid boden ons domein te betreden. Zo ook op een donderdagavond in juli. We hadden voor de gelegenheid 35 flesjes pils ingeslagen, benevens een  fles jenever. De pils koelden wij in de badkamer, naast Marians kamer, met behulp van een grote staaf ijs, die we ’s middags hadden laten komen. Aanwezig waren: Henk, Corrie, Jan, Marian, Gerda en ik, Jopie P., Jan ten Have, de vader van Corrie, zijn zoon Jan-Wiegert, Adje de Klerk en Maarten Weytens. Wij hadden wel verwacht, dat Jan ten Have achter Marian aan zou gaan, en om hem te provoceren, ging ik met Marian dansen en tegelijkertijd vrijen. Jan deed hetzelfde met Gerda. Ik hield Jan ten Have in de gaten, en zag dat hij steeds met een brede grijns naar ons stond te kijken. Toen Marian en ik even op de gang stonden, kwam Henk naar ons toe en zei het van ons nog wel te begrijpen, maar van Gerda allerminst. Het was een duidelijke uitval naar Jan, waarop Marian en ik verontwaardigd zeiden dat we niet precies begrepen wat hij bedoelde. Hierdoor geïrriteerd begon Henk in de kamer tegen Jan en mij te ageren, daarbij luidruchtige braakgeluiden producerend. Hij keerde zich vooral tegen mij, omdat net een eerste stukje van mij in het Hollands Weekblad was verschenen. Hij deed er zeer minachtend over, en insinueerde dat ik ‘mee wilde doen’ en ‘erbij wilde horen’. Ik was toen al in een eufore stemming, en zijn uitval maakte mij alleen maar vrolijker. Ik ging met Jopie P. dansen en onderwijl vrijen, waarbij zij steeds naar Gerda riep: ‘Gerda, mag het?’ waarop Gerda een instemmend hoofdknikje gaf. Ik haalde de spelden uit Jopies haar, zodat haar haren lang over haar schouders vielen, en danste wel twee uur met haar, volgens Gerda. Jan ten Have stond op een gegeven moment met Gerda in de keuken en wilde net zijn arm om haar schouders leggen toen Marian binnenkwam. Het moment van verwarring kwam hij grandioos te boven, door zowel Gerda als Marian in zijn armen te sluiten. Toen Jan-Wiegert eerder op de avond met Marian in de keuken stond, wilde hij net iets beginnen, toen Jan ten Have binnenkwam. Jan-W verstijfde en Jan begon meteen aan Marian te frunniken en gaf haar een klap op de billen. Corrie heeft niet veel aan het feest gehad. Zij was voor de eerste keer zwanger, en heeft alles met grote verwonderde ogen gadegeslagen. De uitval van Henk naar mij, en later naar Gerda, had ook te maken met een moeilijke periode die hij doormaakte. Hij was op dat moment niet meer zo zeker van de juistheid van zijn beroepskeuze. Hij had Delft gedaan, en werkte als ingenieur bij Philips in Roermond. Hij had het hier wel eens over en zei dan dat hij ook liever psychologie had gedaan. Maar dat werd waarschijnlijk vooral ingegeven door een gevoel van afgunst, als hij zag wat voor een vrij leven wij met zijn vieren hadden. Tegen Gerda had Henk het vol weerzin over de verhoudingen op het Thorbeckeplein, en daarbij doelde hij op het onderlinge vrijen. Hij noemde het: keukenmeidengedoe: ‘En als jullie nu maar eens werkelijk met elkaar naar bed gingen! Maar dat doen jullie niet. Tenminste: nog niet. Want dat komt misschien ook nog wel.’

Zo waren onze feestjes. Gerda en ik lagen na afloop zeer voldaan in bed. We hadden ons opperbest vermaakt. Zij met vooral Jan, en ik met Marian en Jopie.

Die zomer van 1959 had ik ook weer een vakantiebaantje. Zes weken lang werkte ik als portier bij de Tuschinsky-bioskopen Corso en Cinema-Royal op de Nieuwe Dijk. Het was een leuke baan, waarbij ik rondliep in een hemelsblauw uniform met gouden biezen op de broekspijpen en een dito pet. Ik hoefde enkel bij de kassa te staan om te vragen wat voor kaartjes de bezoekers wilden hebben, en moest in de morgenuren de zaal stofzuigen en de colablikjes, etc. verzamelen. Ik had daarbij veel gelegenheid om te lezen, in de kassa, de garderobe, de koffiekamer of gewoon in de hall. Ik heb daar de Faux-monnayeurs van Gide en The Naked and the Dead van Norman Mailer gelezen. Vooral van het laatste boek was ik diep onder de indruk. Gerda werd in deze tijd meerderjarig, en kreeg daardoor de beschikking over het bescheiden kapitaaltje dat haar ouders haar hadden nagelaten. De eerste bestemming was, dat ze mij wilde trakteren op een vakantie naar de Rivièra, waar ook Jan en Marian aan zouden deelnemen. Weer in een gehuurde Volkswagen.

Op deze reis ging alles mis wat er mis kon gaan. Op de heenweg ergerde ik mij voortdurend aan Marian, die ‘draaide, kwijnde en zwijmelde aan Jans zijde’ (dagboek), en over een groot repertoire aan onnozele uitspraken bleek te beschikken, zoals: ‘Als je in de zon ligt, moet je altijd iets, een voet of een grote teen, bewegen om het minder warm te hebben’, of: ‘Jouw zonnebril is lekkerder om op te sabbelen dan de mijne’, of: ‘Ik krijg altijd zo’n raar gevoel als ik met mijn vinger over stof aai,’ enz. Maar ook aan Gerda, die sterk met Marian rivaliseerde in pogingen om Jans aandacht te trekken. Daarom was de heenreis, over Grenoble en Annecy vermoeiend, en we waren blij eindelijk in Nice aan te komen. Daar hebben we één nacht geslapen in de binnnenstad, en zijn de volgende dag verder gereden naar Juan-les-Pins, waar Jan en ik goede herinneringen aan hadden, sinds onze vakantie in 1956. Onderweg gezwommen in Cagnes met een oponthoud door Marian, die even iets uit de auto moest halen, en terugkwam met een gebroken sleuteltje. Op de grond gevallen, zei zij, terwijl aan de breuklijn duidelijk was te zien, dat hij kapot gedraaid was. Jan en Marian zijn toen teruggegaan naar Nice, om een nieuw sleuteltje te halen, terwijl Gerda en ik op een terrasje aan de boulevard bleven wachten en een paar pilsjes dronken. We hadden een vertrouwelijk gesprek, waarbij ik het had over mijn rivaliteit ten opzichte van Jan. Gerda luisterde heel ‘koel’ toe, omdat ik, zoals ze zei, na een half uur alweer spijt zou hebben van mijn openhartigheid. Ik moest haar gelijk geven en bedacht me, dat ik het alleen maar  zei om haar duidelijk te maken dat zij niet met Jan moest flirten. Met Jan en Marian doorgereden naar Juan-les-Pins, waar we tenten konden huren op dezelfde camping-des-sans-bagages waar ik al met Jan was geweest . Daarna kon de vakantie beginnen, die toch aangenamer werd dan zich aanvankelijk liet aanzien. Overdag zwemmen in zee, ’s avonds op terrasjes zitten en spelen in het casino. Er was daar een boule-roulette, die ik mij van de vorige vakantie herinnerde, en waar je met kleine bedragen kon spelen. Hoewel hij minder uitbetaalde dan een echte roulette, kon je er toch leuk op spelen, en winnen, want op een van de laatste avonden won Gerda 1000 fr. en ik zelfs 3000. Jan, als echte speler, speelde wel  roulette en zette een aanvankelijk verlies toch nog om in een winst van 6000 fr. , hetgeen hem een brede grijns ontlokte.

We besloten om over Italië terug te rijden naar Nederland. De eerste dag naar Genua, waar Jan een voetganger schampte, die plotseling van het trottoir de weg opstapte. Het was allemaal niet erg, maar er werd stevig gescholden door de man, en door een andere Italiaan, die het voor Jan opnam. Een agent, die uiteindelijk arriveerde, zei alleen maar: ‘Avanti, avanti’, hetgeen het einde van de scène betekende. De volgende dag verder langs de kust tot Sestri Levante, voor ons min of meer heilige grond, omdat Ter Braak en Du Perron daar waren geweest als logeergasten van Arthur van Schendel. Het viel erg tegen, en we zijn teruggereden naar Santa Margharita, waar we een ‘pensione’ vonden voor maar 1800 lire per nacht. Een mooie, grote hotelkamer, met veel ramen en prachtige uitzichten. De volgende dag zijn we huiswaarts gegaan, over Zwitserland. In Como bemerkte wij, dat wij onze paspoorten in het hotel hadden laten liggen. Toch maar doorgereden. Bij de grens een goedkoop hotelletje genomen. Bij de grens werd de volgende ochtend aanvankelijk wat moeilijk gedaan, maar daarna lachte men alles weg, zeker toen we desgevraagd verzekerden, dat Marian en Gerda geen Italiaansen waren. Aan het meer van Lugano even gestopt om te zwemmen. Daar heeft Marian mij van mijn zwemangst afgeholpen. Tot dan toe durfde ik alleen te zwemmen, als ik wist dat ik in het water kon staan, maar nu ging Marian een meter of vijfentwintig het meer in, en zei, dat ik een fles Campari zou krijgen, als ik naar haar toe zou zwemmen. Dat lukte, en het is het begin geworden van de langere afstanden die ik daarna ben gaan zwemmen. In Duitsland kwamen we terecht in afschuwelijke files, zodat we kruipend Nederland bereikten. Bij de Duits-Nederlandse grens nog een incident, toen Jan op de vraag van de douane of wij iets hadden aan te geven, losbarstte in een schaterbui, en toen de douane zijn vraag herhaalde, zei Jan: ‘Ik mag hangen als ik iets heb aan te geven.’ Daarop moesten we uitstappen, en heeft de douane zeer grondig onze auto doorzocht. In Roermond geslapen bij Henk en Corrie.

De volgende ochtend besloten we eerst naar Marians ouders in Breda te gaan. Gegeten. Daarna wilde Gerda nog even bij haar familie langs. Marian bleef zolang bij haar ouders, en in haar plaats ging haar zus Nel mee. Zij zou dat stukje wel even rijden, want zij kon dat wel, zei zij tegen Jan. Maar al bij de eerste bocht reed zij een bromfiets aan. De berijdster vloog met een grote boog over het stuur en kwam op de keien terecht. Diepe vleeswonden in haar been door de aanraking met onze rechter koplamp. Jan en Nel doken ijlings de auto uit. Ik deed de richtingaanwijzer aan, want dat was Nel vergeten, en toen gingen Gerda en ik ook naar buiten. Na veel zenuwachtig gepraat ging het slachtoffer, een directrice van het diaconessenhuis in Bilthoven, met Jan mee naar het ziekenhuis en namen wij de brommer mee naar Marians huis. Er was uit een juridisch oogpunt niets aan de hand geweest als het laatste gedeelte van de weg verhard was geweest, wat niet het geval was. Dan hadden wij voorrang gehad, en had zij moeten stoppen. Nu lag de schuld bij ons. Niemand had gezien, dat Nel reed, en dat hebben wij ook niet aan de politie verteld, die later kwam. Marians vader beloofde aan Jan, dat hij alle kosten zou vergoeden.

De terugreis verliep in een geprikkelde stemming, met een Jan die niet uitgepraat raakte over het ongeluk en over ‘die stomme trut’ van een Nel. Terug op het Thorbeckeplein vertelde hij mij, toen de meisjes even in de keuken waren, dat hij er over dacht om maar enige tijd uit de roulatie van het Thorbeckeplein te verdwijnen. Ook Gerda was voor verandering en zei, dat ze eigenlijk een eigen kamer wilde hebben, want dat ze nu teveel heen en weer pendelde, en bovendien boterde het niet meer zo goed met Marian. Ik gaf haar wel gelijk, en toen zij het aan Marian vertelde, zei Marian dat zij zelf al een andere kamer aan het zoeken was, wat Gerda weer stak, omdat zij dacht dat het om haar was. Maar het was omdat hun kamer teveel een openbare plaats geworden  was, waar iedereen maar in en uit kon lopen. Er was geen enkele vorm van privacy meer.

Allemaal heel begrijpelijk, maar het was zonneklaar, dat ons hechte viertal, onze vier-eenheid, in factoren uiteen zou vallen, waarbij het vakantiereisje het proces aanzienlijk heeft versneld. Vier was niet langer vier, maar twee plus twee.

En het werd zomer…

Posted by Mels de Jong on September 15th, 2010 under 1947  •  No Comments

En het werd zomer…

Toen kwam Lien. Maar dan moet ik het eerst over Rein S. hebben. Rein was de schilderachtigste vriend van mijn HBS-jaren. Wij waren in maart 1947 naar Haarlem verhuisd, en ik kwam daar in de tweede klas van de HBS-A aan de Raaks. Rein moet toen ook al in die klas gezeten hebben, getuige de klassefoto’s uit die tijd, en wij raakten al spoedig bevriend. Wij schaakten, kwamen daardoor bij elkaar over de vloer, maar voor hem was de muziek toch het belangrijkste. Hij had zelfs een electrische gitaar, zeer uitzonderlijk voor die tijd. Hij voerde ons in in de nieuwste stromingen van de jazz: bebob, de platen van de Jazz at the Philharmonic, die hij toen al had, het King Cole trio, dat hij uitstekend kon imiteren, maar dat toch volgens hem onderdeed voor het Engelse Ray Ellington quartet, en niet te vergeten de ‘progressive jazz’ van Stan Kenton, met zang van de goddelijke June Christy. Vooral haar ‘Just a sittin’ and a rockin’ bezorgt mij nog steeds huiveringen van seksuele opwinding, waarschijnlijk ook al doordat ik op de klanken van dat lied op een feestje bij mij thuis uitvoerig heb zitten vrijen met Bobby van Ravesteyn, in die jaren het meest sexy meisje uit de straat, en voor mij in het dagelijkse leven volstrekt onbereikbaar. Rein nam mij mee naar uitvoeringen van de Jig rhythm club, een Haarlems dixielandbandje, en hij kende alle jazzmuzikanten persoonlijk, waaronder de toen al grote en beroemde Cees Smal. Op een keer was hij naar Alkmaar geweest, en kwam terug met een jongen die volgens hem heel goed piano speelde en die een tijdje bij hem mocht logeren. Het was niemand minder dan Kees Slinger, die in Haarlem natuurlijk kennis maakte met Cees Smal en Harry Verbeke, wat later heeft geleid tot de ‘Diamond Five’. Kees kwam in die tijd ook wel op feestjes bij mij thuis en ik  weet nog, dat ik het een keer met hem had over jazzpianisten, en dat ik Erroll Garner noemde, die toen zeer populair was. Hij keek mij met enige minachting aan, en zei dat die muziek niets met jazz te maken had. Oscar Peterson, dat was het op dat moment. Ik heb Kees Slinger nog een paar maal ontmoet. Toen ik net een baantje in Amsterdam had, en daar dagelijks met de tram naar toe reisde, had Kees daar ook een baantje, en zo hebben wij een aantal malen samen die reis gemaakt. Veel later ben ik hem nog eens op De Kring tegengekomen, en aan de bar vroeg ik hem of hij nog steeds contact had met Rein Solkamans. Dat bleek niet of nauwelijks het geval, maar hij wist wel, dat hij inmiddels in Het Gooi woonde.

Rein was een welkome gast bij ons aan huis. Mijn vader en moeder vonden hem erg aardig, ook al door alle fantastische verhalen die hij vertelde, en bij mijn jongste zus Corrie kon hij geen kwaad meer doen, toen hij eens op haar verjaardag, vanuit de achterkamer, achter de gesloten schuifdeuren, via een microfoon en een kabeltje naar de radio in de voorkamer, op officiële toon ‘vanuit de studio’ een gelukwens tot de jarige richtte. Corrie zat met een kleur van opwinding naar ‘de radio’ te luisteren, en begreep er niets van. Ook heeft hij een mooi gedicht met een prachtige tekening voor haar poesie-album gemaakt.

In die tijd fietste ik in de vakanties nogal eens van Haarlem naar Eindhoven, om temidden van mijn vrienden en vriendinnen van de Boerhaavelaan te vertoeven. Ik denk dat het in de zomer van 49 was, dat ik Rein vroeg om mee te gaan. Hij stemde onmiddellijk toe, en een logeeradres was gauw geregeld. Hij kon bij Adje de Klerk in de Roostenlaan terecht, en ik, zoals gebruikelijk, bij mijn vriend Henk in de Boerhaavelaan. Rein zat toen al niet meer op mijn HBS, want hij was er na de derde klas afgegaan, omdat hij liever naar de kunstnijverheidschool wilde, met de bedoeling om binnenhuisarchitect te worden. We hebben in Eindhoven die zomer veel  gevoetbald, maar er was ook een landbouw-tentoonstelling op de ‘hobbelende geit’, zoals het stuk braakland dat de twee delen van de Floralaan verbond, algemeen genoemd werd. Natuurlijk waren wij vaak op  het tentoonstellingsterrein te vinden, omdat er altijd wel wat te beleven viel. En ’s avonds was er muziek waarop gedanst kon worden. Ik herinner mij, dat Henk en ik op een avond al in bed lagen, en dat we door het open raam de muziek nog konden horen, met plotseling de onmiskenbare stem van Rein, die ‘A slowboat to China’ ten gehore bracht. Zo maakte Rein ook in Eindhoven furore. Hetzelfde heb ik eens meegemaakt, toen Rein en ik een bezoek brachten aan Sheherazade in Amsterdam, waar het Miller-sextet optrad, en waar Rein of het de gewoonste zaak van de wereld was het podium beklom, en een duet aanging met Sanny Day.

Op het gebied van de meisjes was hij ons ver voor. Hij had altijd wel ‘een vrouw’, zoals hij dat uitdrukte, en de verwachting was, dat hij het ook ‘met hen deed’. Omdat hij op dit punt niet altijd even betrouwbaar was, kwamen zijn meisjes soms ten einde raad bij mij informeren, of Rein nu eigenlijk serieus met hen was, of niet. Ik hield mij natuurlijk op de vlakte, hoewel hij tegenover mij altijd bijzonder openhartig was over de  avontuurtjes met zijn ‘vrouwen’, en ik dus in staat was om alle mogelijke informatie te verschaffen..

In het voorjaar van 1952 vertrouwde hij mij toe, dat hij een bijzonder aardig echtpaar had ontmoet, en dat hij met de vrouw een verhouding had gehad. Zij heetten Joop en Lien en ik moest zeker eens meegaan om kennis met hen te maken. Wij belden op een middag aan bij een huis aan de Leidsevaart, aan de achterkant van ons huis aan de Kamerlingh Onnesstraat, en een bijzonder mooie, blonde en jonge vrouw boog zich even later uit het raam op de eerste verdieping om te zien wie het was. Zij zag Rein en monsterde daarop mij, met een blik die ik me nog goed weet te herinneren. Nieuwsgierig en met een uitnodigende lach om haar lippen. Rein vroeg of wij even binnen mochten komen, waarop zij de deur opende, en wij naar boven gingen. Het gesprek verliep heel gemakkelijk. Zij vroeg wat ik deed, en ik zei dat ik op een kantoor zat, maar dat mijn eigenlijke belangstelling uitging naar de literatuur. Zij bleek te schilderen, en had les gehad van Zadkine op diens atelier in Parijs. Daar moest ik ook eens heen gaan, als ik daar was, en zij schreef onmiddellijk zijn adres voor mij op. Verder hield zij veel van muziek, en dan vooral van Bach: ‘Dat is zo’n ontzettend blije muziek, vind jij ook niet?’ Ik bevestigde het maar, hoewel ik blij als bijvoeglijk naamwoord bij muziek nog niet kende. Pas later ben ik gaan inzien, dat het toch wel een rake typering was. Later kwam ook Joop, haar echtgenoot binnen, die terugkwam van zijn werk, en ook hij bleek bijzonder aardig. Bij het weggaan zei Lien tegen mij, dat zij het heel gezellig had gevonden, en dat ik nog maar eens terug moest komen. Zij noemde zelfs een datum, en zei zachtjes, zodat enkel ik het kon horen, dat zij dan alleen thuis zou zijn.

Thuis vertelde ik van mijn nieuwe kennissen, en mijn moeder, met een ingebouwd waarschuwingssysteem, zei, dat zij eens zou informeren bij een vriendin van haar, die ook op de Leidsevaart woonde, niet ver van Joop en Lien. De berichten waren niet gunstig. Lien was een ‘slechte vrouw’, die het niet zo nauw nam met de echtelijke trouw. Zij had pas nog een verhouding gehad met Rein. Ik zei, dat ik dat al wist, maar dat het uit was, hetgeen de zorgen van mijn moeder niet wegnam. Op de afgesproken datum zei ik, dat ik naar Lien ging, waarop mijn moeder zei, dat zij dan wel even mee zou gaan om met Lien te praten. Mijn protesten mochten niet baten, en zo begaven wij ons even later samen op de fiets naar de Leidsevaart. Toen wij aanbelden, ging de deur open en kwam Lien ons al halverwege de trap tegemoet in een bloesje met een diep décolleté. Mijn moeder liep haar tegemoet, terwijl ik onder aan de trap bleef staan met een gevoel van onuitsprekelijke schaamte. Mijn moeder vond, dat Lien zich diende te schamen. Zij was toch een getrouwde vrouw, en dan gaf het geen pas om jonge jongens bij haar thuis te ontvangen. Zij was toch veel te oud voor mij, en wat waren eigenlijk haar bedoelingen? Lien antwoordde recht door zee, dat zij mij aardig vond, en dat één keer toch de eerste keer moest wezen, waarop mijn moeder: ‘Ja, dat kan wel, maar dat hoeft dan toch niet bij jou te zijn.’ Hiermee vond zij dat het gesprek beëindigd was, en liep zij naar beneden, en zei tegen mij: ‘Kom, we gaan weer naar huis.’ Ik aarzelde, en keek naar Lien, die op zachte toon zei: ‘Ja, Mels, ga maar met je moeder mee.’

Die avond heb ik nog een gesprek gehad met mijn vader, duidelijk op instigatie van mijn moeder, die mij wees op de ‘gevaren’ van ‘dit soort vrouwen’ en dat je maar moest afwachten wat er met je gebeurde, als je in hun netten verstrikt raakte. Ik dacht alleen maar: ‘Je zou haar eens moeten zien, dan zou je wel anders piepen.’ Ik zag Lien de komende tijd toch regelmatig, want op de tennisclub van Kouling, tussen onze straat en de Pijlslaan, was een tafeltennisclub opgericht, waar ik, samen met mijn vrienden van toen, Bert F. en Jan F., lid van was geworden, en waar ik tot mijn vreugde ook Lien weer mocht begroeten. Zo werd het maken van afspraken aanzienlijk vergemakkelijkt. De eerste, de dingen gebeuren nu eenmaal zoals ze gebeuren moeten,  was een uitnodiging van mij aan haar om samen met mij naar een feest te gaan bij Bert, die alleen thuis was, omdat zijn ouders op vakantie waren. Het zou een feest worden, waar alles mogelijk was, een ‘bessem’, zoals dat in ons jargon van toen heette, dus was het min of meer een voorwaarde, dat je een meisje mee zou nemen. Ik nodigde ook twee vrienden uit Eindhoven uit, Henk J. en Joost W., en zorgde er voor dat er ook voor hen meisjes aanwezig zouden zijn. Hoe zorgvuldig wij alles hadden voorbereid, er ging toch iets mis. Aan het begin van een feest waren Bert en ik gewend, om in de keuken voor elk vijf borrelglaasjes neer te zetten, en die te vullen met rum Negrita, ons ‘huisdrankje’ in die dagen. Vervolgens moesten de vijf glaasjes achter elkaar worden geleegd, waarna een geslaagde avond verzekerd was. Zo ook nu. Toen vervolgens iedereen was gearriveerd, begaven we ons op de dansvloer om wat te dansen met onze dames, natuurlijk cheek-to-cheek. Tussendoor nuttigden wij de gebruikelijke biertjes. Op een gegeven moment had Lien daar wel genoeg van, en troonde mij mee naar een hoek van de kamer, waar we op de grond gingen zitten vrijen. Een voorbeeld dat door velen werd gevolgd. Toen merkte ik tot mijn ontzetting, dat ik mij letterlijk lam gezopen had. Er was geen sprake van vrijen zoals wij ons dat hadden voorgesteld, hoezeer Lien ook probeerde mijn levensgeesten weer op te wekken. Ik stelde haar voor om naar boven naar een slaapkamer te gaan, waar wij belandden in het bed van Berts ouders, in de grote slaapkamer aan de voorkant. Wij kleedden ons half uit en ik ging op haar liggen, maar behalve het gebruikelijke zoenen en liefkozen, bleef het daarbij. Ik voelde mij hulpeloos, en verontschuldigde mij met te zeggen, dat ik teveel gedronken had. Lien zei, dat ze het niet erg vond, maar dat ik beter een keer alleen bij haar kon komen, zodat we met z’n tweeën zouden zijn. Zij was weg bij Joop, en woonde nu in de Omvalspoort, in het centrum van Haarlem. Het was het beste om op een avond af te spreken, de komende week, voor het atelier van de kunstschilder H.F. Boot op het Klein Heiligland, want daar had zij een sleutel van, omdat zij er af en toe schilderde en ook wel model stond. Wij maakten een afspraak, en zij zei nog: ‘Vertel het maar niet aan je moeder.’

Op het afgesproken tijdstip fietste ik het Klein Heiligland op, en zag Lien al heen en weer lopen. Zij opende de deur, en wij betraden het atelier van Boot. Daar, in het halfdonker op de sofa, die waarschijnlijk gebruikt werd door de modellen van Boot, ben ik vervolgens mijn ‘onschuld’ kwijtgeraakt. Het ging allemaal even gemakkelijk als vanzelfsprekend. Problemen deden zich niet meer voor. Na de ontlading klemde Lien mij dicht tegen zich aan en fluisterde: ‘Zo is het goed, zo is het goed,’ waarbij zij mijn gezicht overlaadde met kleine kusjes. We bleven nog even zo liggen, waarna we overeind kwamen. We brachten onze kleren  op orde, omhelsden elkaar nog eens en liepen naar buiten. Mijn fietstocht naar huis had het karakter van een zegetocht, door het triomfantelijke geluksgevoel dat mij doorstroomde. Zo moest het zijn, en zo was het inderdaad goed. Daar hielp geen moedertje-lief aan, bedacht ik spottend. Bij mijzelf herhaalde ik de woorden die Garance tegen Baptiste uitspreekt op haar hotelkamer in de film Les Enfants du Paradis: ‘C’est si simple, l’amour.’ Thuis ging ik onmiddellijk naar de badkamer, waste mij en bekeek mij langdurig in de spiegel met een ongekend gevoel van voldaanheid.

Ik ben nog één keer met Lien samen geweest. Dit keer was het een uitnodiging aan haar om naar een feestje te komen in Heemstede, waar het huis van Roel, een vriend van Rein F., leeg stond door afwezigheid van de ouders. Een vergelijkbaar feest als bij Bert thuis, maar nu waakte ik er wel voor dat ik niet te veel dronk. Halverwege het feest gingen Lien en ik naar de zolder, waar een matras voor ons was neergelegd. We bedreven weer de liefde, nu geheel naakt, en daarna vielen wij in elkaars armen in slaap. De volgende ochtend werd ik voor het eerst wakker naast een vrouw. Allemaal eerste keren, die ik met Lien  beleefde. En ja, ik heb, nadat we waren opgestaan, ook nog samen met haar onder de douche gestaan. Voor het eerst, vanzelfsprekend.

Een paar maanden later ben ik nog een keer bij haar geweest op de Omvalspoort, maar toen woonde zij samen met ene Jeroen, en was zij zichtbaar zwanger. Het laatste wat ik van haar zag in Haarlem, was een naaktportret van haar, in de etalage van een galerie op de Grote markt, geschilderd, als ik mij niet vergis, door Jules Chapon, een leerling van Boot, en waarschijnlijk tot stand gekomen in het atelier waar ik zo’n gedenkwaardige ervaring heb gehad. Jaren later, ik was toen al een jaar getrouwd, zag ik haar lopen op het Leidseplein in Amsterdam. Ik ben niet naar haar toegegaan, omdat ik niet goed wist wat ik tegen haar zou moeten zeggen. Als zij nog leeft, is zij nu ver over de tachtig, want zij was tien jaar ouder dan ik…

Van één ding hebben Mieke en Lien mij in ieder geval voor een belangrijk deel verlost: van mijn verlegenheid voor meisjes. Ik voelde mij zelfverzekerder, nu ik had gemerkt dat meisjes het ook heel vanzelfsprekend vonden om met mij te vrijen en door mij gekust te worden. Ik durfde beter met ze te praten, maar vond het nog steeds prettiger om halverwege tegemoet gekomen te worden. Want verlegen in algemene zin bleef ik natuurlijk wel.

De vrolijke liefde.

Posted by Mels de Jong on September 15th, 2010 under Uncategorized  •  No Comments

De vrolijke liefde.

Omdat het studiejaar pas in oktober zou beginnen, besloot ik pas op die datum op te zeggen bij het L.O. in Amsterdam. Daardoor kreeg ik in augustus nog een aanstelling aan de Prinsenschool, aan de Nieuwezijds Voorburgwal, vlak bij het Spui. Het was in het gebouw van het voormalige cabaret Tingeltangel, en werd later, toen de school was opgeheven, het Betty Asphalt-complex. Ik kreeg een eigen klas, de vierde, en wat me als reservist niet was gelukt, lukte nu wel: ik had orde. Het was een hele nieuwe en plezierige ervaring. Maar dat kan ook aan de kinderen hebben gelegen. In plaats van de kwajongens uit de Jordaan, had ik nu de kinderen uit het wat artistieke milieu van de grachtengordel. En dat was een groot verschil. In deze tijd trouwden Henk en Corrie, op 19 september. Henk had mij uitgenodigd om getuige te zijn, maar omdat het geen naaste familie betrof, kreeg ik van het hoofd van de school geen vrij om aan dit verzoek te kunnen voldoen. Ik vond het kinderachtig, temeer daar hij wist dat ik veertien dagen later toch zou vertrekken. Maar bij het diner ’s avonds in Brinkman was ik natuurlijk wel aanwezig.

Hoewel ik het op school voor het eerst naar mijn zin had, vond ik het niettemin heerlijk om eind september te kunnen vertrekken, en aan het voor mij totaal nieuwe studentenleven te kunnen gaan deelnemen. Ik had, door voorspraak van een onderwijzeres van de Prinsenschool een achterkamertje gevonden aan de Nieuwe Spiegelstraat. Klein, vier bij vier meter, maar groot genoeg voor mijn behoeftes. Ontbijt kon ik daar zelf wel maken, ik had een koffie-apparaat en een broodtrommeltje, en ’s avonds zou ik gaan eten in de Mensa. De deur van mijn kamer bevond zich aan een klein overloopje, waar ook, aan de andere kant, recht tegenover mijn deur, de slaapkamer van mijn hospita op uitkwam. Lawaai maken was dus volstrekt uitgesloten. Dat maakte ik een keer mee, toen Henk en Corrie op bezoek kwamen, en een boze hospita in de deuropening verscheen, om te zeggen, dat zij niet kon slapen van de herrie. De volgende dag heb ik dat met een bosje bloemen goed weten te maken.

Overdag volgde ik de colleges, en veel meer dan voor mijn studie strikt noodzakelijk waren. Van de verplichte colleges waren die van Presser de boeiendste. Ze gingen over de Franse geschiedenis van rond de eeuwwisseling, met de affaire Dreyfus, en de bel époque. Maar het was vooral de wijze waarop hij college gaf die zijn studenten boeide. Hij vertelde zeer anecdotisch, waarbij hij vooral ook zijn eigen voorkeuren liet blijken, en hij had altijd een stapeltje boeken bij zich, waarvan hij de titels opsomde, en die wij beslist moesten lezen.

Verder was er de blinde professor Barends, die altijd werd binnengeleid door zijn zeer mooie en jonge vrouw, die vervolgens het hele uur naast zijn lessenaar bleef staan. Hij verzorgde de colleges politiek, samen met Lucas van der Land, die mij intrigeerde door de arrogant-nonchalante wijze waarop hij de geschiedenis der politiek doceerde. Hem heb ik vele jaren later nog regelmatig ontmoet op De Kring. De laatste keer dat ik hem zag was in de file bij Vienne, onder Lyon. Hij was kennelijk, net als wij, onderweg naar onze respectievelijke tweede huizen. Wij hebben nog even groetend de hand naar elkaar opgeheven. Niet veel later hoorden wij dat hij was overleden.

Van de overige colleges herinner ik mij vooral die van Stuiveling over de Tachtigers. Hij was stellig de best geklede prof, met iedere keer een pochette in dezelfde stof als zijn stropdas, en iedere week een andere.

Het eerste tentamen waar wij voor moesten werken, was sociologie. De stof was een Amerikaans tekstboek, dat wij geheel moesten kennen, en dat in het begin van 58 zou worden getentamineerd. Op de een of andere manier raakte ik in contact met twee meisjes en een jongen, die ook voor het tentamen werkten, en wij besloten met ons vieren een studiegroepje samen te stellen, om samen de stof door te werken. De meisjes waren twee vriendinnen uit Breda, Toos en Marian, die samen op één adres woonden, in de Beethovenstraat. Omdat het een groot huis was, waar nog een stel andere studenten woonden, lag het voor de hand, dat ons groepje voornamelijk daar bij elkaar kwam. Van de eerste keer herinner ik mij, dat er nog een ander meisje bij was, die voor gymlerares studeerde aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Zij heette Gerda, had niets met onze sociologische beraadslagingen te maken, maar trakteerde ons op koffie en thee, en nam na het studie-uurtje ook deel aan een wat algemener gesprek.  Omdat ik de omgeving prettig vond en goed kon opschieten met de meisjes, begon ik ook buiten het werkgroepje om naar de Beethovenstraat te gaan, en maakte zo ook kennis met een paar Amerikaanse studenten, die daar woonden. Izzy Leeb, een geschiedenisstudent, en Leon Kearing, die medicijnen deed.

Toen op een gegeven moment er een theaterstuk in Carré ging dat naar ik meen Le Lit heette met decors van Bernard Buffet, die ook een prachtig affiche had gemaakt, met een groot bed erop, en daarbij de tekst: ‘Là où on se trouve, là où on se perd’, besloten Marian, Toos en ik daarheen te gaan, waarbij ik het vaste besluit nam, om na afloop een van beide meisjes naar huis te brengen. Het werd Toos, omdat Marian nog een afspraak had met haar vriend Henk, die ook in Amsterdam studeerde. Toos had ook een vriend, maar die zat ver weg in Breda, en leverde dus geen probleem op. Ik geloof dat wij het hele eind van Carré naar de Beethovenstraat lopend hebben afgelegd, waarbij we steeds stilhielden om te vrijen, want daar kwam het automatisch van. Zij had een opmerkelijke manier van zoenen, die eruit bestond, dat ze onmiddellijk begon met mijn tong naar binnen te zuigen, en dat op een wel zeer krachtige wijze. In de paar weken, dat wij omgang met elkaar hadden, begonnen mijn tongriemen steeds pijnlijker te worden, en probeerde ik haar wat te matigen in dit opzicht. Ik kwam er ook al snel achter, dat zij bepaald niet eenkennig was, en ook bij voorbeeld Jan B. bezocht in zijn nieuwe kamer in de Weesperstraat. Toen ik een keer in de Beethovenstraat was, zat zij bovendien zo openlijk te flirten met Leon Kearing, zonder ook maar enige aandacht aan mij te schenken, dat ik op dat moment besloot, er meteen mee op te houden. Dat was ook gemakkelijk genoeg, want wij hadden op geen enkele manier iets met elkaar afgesproken. Het stopte gewoon, zo simpel was dat.

Toch bleef ik de Beethovenstraat bezoeken, en begon  ook steeds meer aandacht te krijgen voor Gerda, en voor haar vrolijke opgewektheid. Leon liet zich een keer ontvallen, dat zij ‘too healthy and too normal’ was, waarover zij diep beledigd was. Ook verzon hij de bijnaam ‘muscles’, voor haar. Onzin. Alleen omdat zij op de gymacademie zat. Want uiterlijk was zij op en top vrouwelijk en bovendien erg meisjesachtig. Ik had begin van die zomer een vakantiebaantje op een reisbureau in de Leidsestraat, en af en toe kwam Gerda mij afhalen, en gingen we nog op een terras wat drinken. We begonnen elkaar ook te zoenen. Dat begon op een avond, toen we met een stel naar Zandvoort waren geweest. Het waren Leon, Izzy, Toos, Gerda, Jan B. en ik. Jan kwam ook steeds vaker in de Beethovenstraat, want hij vond het er  gezellig, en hield er van om tot diep in de nacht te kletsen met de ‘Amerikanen’. Ik denk, dat Jan op die avond de beschikking had over de auto van zijn vader, een grote Amerikaanse Chevrolet, en wel een eindje met ons wilde rijden. De keuze viel op Riche, een strandtent tussen Zandvoort en Bloemendaal, omdat daar volgens Leon een pianist zat, die perfect de liedjes van Tom Lehrer, waar hij een groot liefhebber van was,  kon spelen. Het werd inderdaad een geslaagde avond met veel drank, en een zich misdragende Toos, en op de terugweg naar Amsterdam hebben Gerda en ik op de achterbank van de auto onze eerste zoenen gewisseld.

 Op een avond, toen het laat geworden was, en ik weinig zin meer had om nog helemaal naar de Nieuwe Spiegelstraat te lopen, nodigde zij mij uit om bij haar te slapen, waar ik gretig op inging. En het is nooit meer anders geworden. Het was niet zozeer een blikseminslag, als wel dat ik één nacht van Gerda leerde dat de liefde ook vrolijk en vanzelfsprekend kon zijn, en zonder enige zwaarwichtigheid.

 Daarna brak de mooiste zomer van mijn leven aan, een zomer die bestond uit een voortdurende ontdekkingstocht naar elkaar. Er waren ook wel onderbrekingen. Gerda had een vakantiebaantje in Wijk aan Zee, en ik in Castricum, als hulpverpleger in de psychiatrische inrichting Duinenbos, waar mijn moeder ook nog had gewerkt als verpleegster. Zij vond het zeer interessant, dat ik daar ook een tijdje kon rondkijken, en haar kon vertellen hoe het er nu toeging. En Gerda was niet ver weg, en kwam als het maar even kon naar Castricum, om met mij in de duinen te liggen en te genieten van onze nieuwe status van jonggeliefden. Vreemd was het wel te bedenken, dat mijn ouders daar een dertig jaar eerder ook hadden gelopen en liggen vrijen, want zij hebben elkaar aan het strand van Castricum leren kennen. Zij lag op dat moment een boek te lezen, en mijn vader vroeg aan haar: ‘Wat lees je?’ ‘De zware weg, van A. M. de Jong’, antwoordde mijn moeder. ‘O, zei mijn vader, Dat is geschreven door mijn broer.’

Een vriendschap.

Posted by Mels de Jong on September 15th, 2010 under Uncategorized  •  No Comments

 Een vriendschap.

In hetzelfde najaar van mijn verhouding met de slagersdochter (1951) gebeurde iets, dat wel van grote betekenis was. In september kwam een nieuwe jongen op kantoor, Jan B. , die de zoon bleek van de grote baas van de buitendienst van de Spaarnestad, een van de kopstukken uit Haarlem. Hij was net van de HBS gekomen, en ik merkte al snel dat we goed met elkaar konden opschieten. Hij bleek ook zeer geïnteresseerd in literatuur, en ik vond in hem een dankbare medestander voor Ter Braak en Du Perron, met wier werk ik hem in aanraking bracht. Het zou niet lang duren, voor hij, samen met Henk, een van mijn allerbeste vrienden werd. ’s Middags na kantoor gingen we nog vaak op een terrasje zitten om een biertje te drinken en elkaar al pratend beter te leren kennen. Het kantoor vonden wij allebei afschuwelijk, hoewel hij, vergeleken met mij, een aanzienlijk aangenamer baantje had. Omdat hij al een rijbewijs had, kon hij in de auto van de baas vaak met een controleur op stap langs de colporteurs in de provincie om te zien hoe de zaken er voorstonden. Het was duidelijk dat hij werd opgeleid voor de ‘buitendienst’. Na enige weken al ontdekten wij dat we allebei grote liefhebbers waren van schaken, en toen begonnen we ook al spoedig bij elkaar over de vloer te komen, om ons te verliezen in een lange serie tienkampen. Jan vond, toen bleek dat wij zeer aan elkaar gewaagd waren, dat er eigenlijk prijzen op de tienkampen moesten staan, en na enige voorstellen over en weer, kwamen we tot overeenstemming. De winnaar van een tienkamp zou een deeltje Ter Braak of Du Perron mogen uitzoeken, dat dan door de ander zou worden betaald. Op die manier kwamen wij spelenderwijze in het bezit van de mooie Van Oorschot-deeltjes van de verzamelde werken van Ter Braak en Du Perron. Bij Jan thuis leerde ik ook zijn mooie zus Mia kennen, die werkte op de Franse redactie van Libelle, en zijn broer Kick, die nog niet zo lag geleden was teruggekeerd uit Indonesië, waar hij had deelgenomen aan de poltionele acties. Hij was econoom en ook al werkzaam bij de Spaarnestad.

Jan en ik waren praktisch even oud, Jan twee maanden ouder, en wij zouden dus ongeveer gelijktijdig in militaire dienst moeten. Wij besloten om daarna, zodra we uit de dienst kwamen, een jaar naar Parijs te gaan, om daar, aan de Sorbonne, een cursus ‘civilisation française’ te gaan volgen. Ik zag nog wel niet in, hoe ik als soldaat in twee jaar tijd zoveel geld bij elkaar zou kunnen sparen, maar het was een mooi plan. Eenmaal in dienst, die voor mij begon in november 1952, begon het er rooskleurig uit te zien, omdat ik werd uitverkoren om een officiersopleiding te gaan volgen in Ede. En eenmaal cornet, en geen vaandrig, want ik was artillerist bij de zware luchtdoelartillerie, of wel ‘zware lua’, zou ik genoeg verdienen om daaraan een jaar Parijs over te kunnen houden. Jan was omstreeks dezelfde tijd in dienst gegaan, en zat bij de Aan- en afvoertroepen, die gelegerd waren in de Ripperdakazerne in Haarlem-Noord. Hij was niet uitgenodigd voor de officiersopleiding. Sterker nog, toen ik in januari naar Ede vertrok om de opleiding te volgen, zat hij met streng arrest in de gevangenis. Dit had te maken met de watersnoodramp, die toen net was uitgebroken. Zoals veel militairen, was hij ook met zijn compagnie gevorderd om in Brabant en Zeeland te helpen met de hulp aan de vele slachtoffers. In zijn geval ging het om het inladen van voedselpakketten in vliegtuigen, die vervolgens boven het noodgebied gedropt werden. Mijn batterij moest ook, maar ik was vrijgesteld wegens mijn vertrek naar de officiersopleiding: first things first. Jan raakte op vliegveld Valkenburg gefascineerd door de af- en aanvliegende transportvliegtuigen, en toen een Amerikaanse piloot hem vroeg om mee te helpen met de droppings en een vlucht mee te maken, gaf hij daar maar al te gaarne gehoor aan. Het was een fantastische ervaring, en Jan vertelde later hoe na elke dropping het vliegtuig als het ware naar boven viel, door het plotseling geringere gewicht. Minder leuk was, dat hij nadat hij weer geland was, bemerkte dat hij op het appèl van zijn compagnie had ontbroken, en dus als 2 ½  uur ongeoorloofd afwezig tijdens een noodtoestand werd beschouwd. Uitspraak: 14 dagen streng arrest.

Onderwijl had ik het in Ede wel naar mijn zin. Het exerceren, stormbanen nemen, schieten, veldlopen en lange marsen met volle bepakking zorgden ervoor, dat mijn lichamelijke conditie sterk vooruit ging. Met de theoretische vakken had ik met mijn HBS-A opleiding aanzienlijk meer moeite. Kogelbanen berekenen, RADAR en vuurleiding waren onderdelen die ik aanvankelijk wel getracht heb te volgen, maar waar ik op den duur toch bij moest afhaken. Dat wil zeggen dat ik voortdurend onvoldoendes kreeg voor de tentamens, en dus niet de bevorderingen tot wachtmeester en uiteindelijk tot kornet deelachtig werd. Aan het einde van de opleiding ging ik weer als gewoon soldaat naar mijn onderdeel, dat gelegerd was in een kazerne aan de Van Alkemadelaan in Den Haag. Het ergste was, dat daarmee ook het plan om samen met Jan een jaar naar Parijs te gaan geen doorgang kon vinden, omdat ik er eenvoudigweg het geld niet voor had. De militaire dienst kon me toen verder ook wel gestolen worden, en ik besloot om geen medicatie tegen mijn asthma meer te gebruiken, en het op een herkeuring te laten aankomen. Dat lukte, en zo werd ik na dertien maanden militaire dienst opnieuw burger.

Ik ging weer solliciteren, en kreeg een baantje bij een naaimachinehandel op de Kloveniersburgwal. Het werd goed betaald, ongeveer wat ik als cornet zou hebben verdiend, maar voor Parijs was het te laat. Jan zou in de zomer met groot verlof gaan, en dan meteen naar Parijs –hij had een vader die het makkelijk kon betalen- maar ik zou tegen die tijd nog lang niet genoeg geld gespaard kunnen hebben om mee te gaan. Mijn functie bij de naaimachinehandel werd met een weidse titel omschreven als kostprijsberekenaar, wat inhield, dat ik de orders van de afnemers uit de textielindustrie op mijn bureau kreeg, en daarvoor de prijzen moest bepalen, aan de hand van allerlei catalogi. Zo wist ik binnen korte tijd alles van de prijzen van de industriële Husqvarna’s, Pfaffs, en de Reece knoopsgaten- machines. Er werden voorts grote hoeveelheden naalden afgenomen, kortom een levendig bedrijf met een grote omzet, maar voor mij uiteindelijk niet minder saai dan de abonnementenadministratie van mijn vorige baantje. Dat ik beter verdiende, ongeveer drie maal zo veel, was wel een compensatie, maar het betekende niet, dat ik daar langdurig carrière dacht te gaan maken.

Wel werd ik weer verliefd. Ditmaal op een meisje dat ik aan het eind van de middag in de tram naar Haarlem opmerkte. Vooral omdat ik hoorde, dat zij Engels sprak met een man die in dezelfde tram reisde.  Op een keer toen zij alleen was, en ik tegenover haar kwam te zitten, informeerde ik of zij Engelse was. Zij vertelde, dat haar ouders Engels waren, maar dat zij in Nederland was geboren. Haar vader werkte als afgezant van een Engels bedrijf in Nederland. Zijzelf werkte op de Dam bij een reisbureau. Haar naam was Ann-Margaret. Ik vond haar erg aardig en het praten met haar leverde geen enkel probleem op, ook al door onze gezamenlijke affiniteit met Engeland. De volgende dagen reisden we samen naar Haarlem, en het duurde niet lang voor ik een afspraakje maakte om haar ook eens buiten de tram om te ontmoeten. Daarna zagen we elkaar haast dagelijks. We wandelden door de Haarlemmer Hout –zij woonde in Heemstede- en we vrijden. Niet zo onstuimig als destijds met Mieke, maar zij was ‘a good kisser’. En net als met Mieke duurde het ook maar twee maanden. Ik ben een keer bij haar thuis geweest toen zij alleen was, en we hebben  voor de open haard liggen vrijen, zonder intiemer te worden dan op onze wandelingen door de Hout, maar toch zei zij na afloop tegen mij: ‘Heb je nu je zin gehad?’ Ik was sprakeloos en niet weinig verontwaardigd. Daarna liep het snel af. En toen we weer een keer door de Hout liepen, en zij tegen mij zei dat zij zou gaan gillen als ik mijn arm om haar heen zou slaan, en zij dat ook werkelijk deed, hield ik het verder voor gezien. Ik begreep niets van haar gedrag, maar had geen zin om daar nog langer dupe van te worden.  Het speet mij genoeg, want ik was werkelijk verliefd op haar. Toch heb ik haar veel later weer ontmoet. Het was in de tijd dat Gerda en ik iedere week het scriptogram uit de NRC probeerden op te lossen, en ik een keer zag, dat Ann-Margaret voor dat van de vorige week een prijs gewonnen had. Ik kon haar telefoonnummer achterhalen en belde haar op. Tot mijn verrassing bleek zij mij nog te herinneren. Wij hebben een afspraak bij Brinkman gemaakt, en daarna wat gegeten aan het Bloemendaalse strand. Zij was inmiddels weduwe, had twee dochters en woonde nog steeds in Heemstede. Het was nog steeds erg aardig om met haar te praten. Daarna hebben we nog een keer afgesproken –zij had toen weer een nieuwe vriend- en tegenwoordig schrijven we elkaar met Kerst. Toch nog a happy end, in a way…

Jan zat nog steeds in militaire dienst, maar zou er wel spoedig uitkomen. Hij had inmiddels ook vriendschap gesloten met mijn andere vriend, Henk, die in Delft studeerde, maar vaak een week-end overkwam naar Haarlem. Dan gingen we soms naar Eylders in Amsterdam, of we kwamen zo maar bij elkaar bij mij thuis. Toen Henk die zomer een stage moest volgen bij de kolenmijnen in Brunssum, besloten Jan en ik daar een weekje te gaan logeren. Henk had voor een kamer gezorgd waar Jan en ik konden slapen en die gelegen was boven het café waar hij ’s avonds vaak een pilsje dronk. Van de week dat we daar waren, herinner ik mij vooral dat de pilsjes daar inderdaad lekker waren, en dat we een keer met z’n drieën naar Maastricht en naar Visé, even over de Belgische grens zijn geweest. En daarmee was ook mijn vakantie van dat jaar op, want die bedroeg maar één week, en moest bovendien opgenomen worden in de week dat ook de directie met vakantie was.

In september daarop vertrok Jan naar Parijs, om een jaar aan de Sorbonne te gaan studeren. Onze vriendschap veranderde toen in een vrij intensieve briefwisseling.   De eerste brieven gaan natuurlijk vooral over het zoeken naar woonruimte. Hij vindt een kamer in de rue Verneuil, hotel l’Idéale, waar hij 900 fr per maand moet betalen, wat hij te duur vindt, maar ja, Parijs blijkt veel duurder dan hij had verwacht. En hij ontmoet interessante mensen, zoals een Amerikaanse pianist, Paul McCoole, zo weggelopen uit Somerset Maugham, vriend en buurman geweest van Gide. Hij wordt uitgenodigd op diens gigantische appartement met concertvleugel, en een Nederlandse componist Snijders, een goede vriend van Gerard den Brabander, van wie hij, evenals van Slauerhoff, tientallen gedichten uit zijn hoofd kon opzeggen. Het eerste meisje dat hij ontmoet is de Engelse Roma: ‘Niet mooi en niet lelijk, aantrekkelijk zou je kunnen zeggen. Ze is werkelijk de meest geëmancipeerde vrouw die ik ooit ontmoet heb. Geestig, intelligent en op haar voordeligst wanneer ze een meningsverschil heeft. Dan is het een genot haar Engels te horen spreken. Waarschijnlijk zal ik haar eens aanbieden m’n bed met haar te delen. Dat is n.l. nog niemand hier gelukt, geloof ik, alhoewel de pogingen legio zijn.’ En dan is er nog ene Andrée: ‘Ze is zwart, mooi en boeiend. Alhoewel aanmerkelijk zwaarder gebouwd dan de gemiddelde Franse vrouw, heeft ze toch een goed figuur. Het meest curieuze echter is haar stem. Een gesluierde, hese stem, waarmee ze elk woord afzonderlijk articuleert. In de film moet deze stem miljoenen waard zijn.’ Deze ontmoetingen spelen zich voor een groot deel af in Bonaparte, het beroemde café op de hoek van de rue Bonaparte en het place Saint Germain des Prés. Met Roma wordt het uiteindelijk niets. Op een gegeven moment is zij met een Griekse schilder, en Jan heeft sterk de indruk dat zij met hem samenwoont, maar toen was zijn interesse al verdwenen, en wist hij zelfs niet meer ‘wat hij ooit in haar had gezien.’ Henk is ’s winters nog in Parijs geweest, om zijn vriendin Corrie ten Have te bezoeken, en heeft bij die gelegenheid ook Jan ontmoet, en zelfs Roma: ‘Roma (je kent haar reeds) vertelde iets over de Marquis de Sade en trok de conclusie  dat het een walgelijke figuur was, wat Henk koppig ging ontkennen. Waarop hij me in het Nederlands vertelde dat ze onmogelijk het recht had iemand walgelijk te noemen, omdat ze zelf pervers was. Ik verzoek hem om in een woordenboek de betekenis van het woord ‘pervers’ op te zoeken. Volhardt hij dan nog in zijn mening dan moet hij eens precies uitleggen wat er pervers aan haar is, en hoe hij dat na één avond kan weten.’ Eind februari ben ik ook nog een weekje naar Parijs gegaan. Ik had opgezegd bij de naaimachinehandel, en wachtte op het begin van de spoedcursus. Ik ben met Jan naar Bonaparte en la Pergola geweest, heb met hem een paar colleges bezocht en gegeten in de mensa van de Beaux Arts. Omdat Corrie ook terug moest naar Nederland in verband met de spoedcursus, ben ik met haar vanuit Parijs teruggelift naar Haarlem.

Uit de brieven blijkt, dat ik een luie correspondent ben, want Jan beklaagt zich vaak over het lange uitblijven van mijn brieven. Een keer schrijft hij zelfs dat als ik nog eens zo lang wacht, dat hij dan niet meer schrijft. Het is de eerste keer, dat hij dreigt met het opzeggen van de vriendschap. In een volgende brief doet hij het nog eens, en jaren later opnieuw, na een feestje waarop ik hem vroeg, waarom hij zich zo rücksichtsloos afmaakte van iemand die hij aanvankelijk  toch zeer bewonderde. In dit geval ging het om de filosoof Oldewelt, waar hij ons zeer enthousiast voor had gemaakt, en wiens colleges we daarna met veel plezier zijn gaan volgen. Zijn bewondering had ons duidelijk aangestoken, en nog steeds denk ik met veel genoegen terug aan de enorme welsprekendheid van Oldewelt, en aan zijn oproep om niets te noteren, maar aandachtig te luisteren om met hem mee te kunnen denken. Bovendien was hij een allerbeminnelijkste man, bij wie het een feest was om tentamen te doen. Toen ik eens op zijn spreekuur was om een tentamen af te spreken, schoof hij dat meteen op de lange baan: ‘Zullen we zeggen over een maand of zes?’ Toen ik dat te gortig vond, zei hij:’ Filosoferen moet je erbij doen, daar moet je niet echt voor gaan zitten. Daarom is tentamineren in dit vak ook zo moeilijk.’ Uiteindelijk ging hij akkoord met twee maanden later: ‘tenzij het natuurlijk helemaal niet anders kan, in verband met practica, werk, of dergelijke.’ Hoe kun je zo’n man nou niet aardig vinden? Maar Jan bleek op genoemd feest plotseling omgeslagen: er deugde niets meer van de goede man. Het trof mij als een koude douche, en ik heb mijn mening daarover niet onder stoelen of banken gestoken. Daags daarna bleek Jan ernstig gepikeerd over mijn uitval, en zei dat hij op het punt had gestaan om daar ter plekke de vriendschap met mij op te zeggen.  Maar het bleef opnieuw bij een dreigement, tot hij zo’n vijfenveertig jaar ! na Parijs, alsnog met mij brak. En definitief. Waarom? Om niets, een onhandige opmerking van mijn kant, misschien, maar misschien wachtte hij ook wel op een gelegenheid om met mij af te kunnen rekenen. Wat was het geval: Henk en Corrie zouden een inwijdingsfeestje geven voor hun nieuwe flat in Soest en hadden daarvoor ook Gerda en mij uitgenodigd. Toen ik vroeg of Jan en Marian ook kwamen, zei Henk dat zij niet waren uitgenodigd, omdat zij al een tijd lang niets van zich hadden laten horen. Op de tennisbaan vertelde ik Jan over het feestje en vroeg of zij ook waren uitgenodigd, hoewel ik dus wist, dat dat niet het geval was. Hier kwam Jan later achter (dat ik op de hoogte was), en dat ik het dus ‘stiekem’ voor hem geheim had gehouden. Hij was spinnijdig en heeft er veertien dagen op lopen broeden en er met Marian uitvoerig over gesproken. Deze zei, op een gegeven moment: ‘Ach, kap toch met hem.’ Wat Jan vervolgens telefonisch deed, met de mededeling dat hij alleen nog mijn ‘tennisvriendje’ wilde zijn. Ik vertelde het lachend aan Gerda, want erg serieus nam ik het niet. Wel vond ik het bijzonder inconsequent, dat hij nog wel met mij wilde tennissen. Ik besloot om dan maar zelf niet meer met hem te willen tennissen, en heb hierover gesproken met Tim Krabbé en Hans Ree, de andere leden van het tennisclubje, die het mij afraadden, omdat dat de zaken teveel op de spits zou drijven. Er ontstond toen de belachelijke situatie, dat als Hans en Tim aan de beurt waren om te tennissen, Jan en ik zwijgend naast elkaar op een bankje zaten om hun spel te volgen. Deze situatie heeft gelukkig niet lang geduurd, omdat Gerda en ik een appartement in Frankrijk hadden gekocht, waar wij het grootste gedeelte van de tijd doorbrachten. Jan moest korte tijd later stoppen met tennis, omdat hij ging lijden aan een ernstige longemfyseem.

 Maar terug naar de briefwisseling. Als het bij Jan gebeurt, dat hij eens lang wacht met terugschrijven, heeft hij altijd een goede reden: hij heeft  het zo druk met zijn studie. Ik weet nog, dat ik altijd met grote belangstelling uitzag naar zijn brieven, want was het niet ‘ons’ avontuur, dat Jan nu in zijn eentje beleefde? Natuurlijk was ik ook behoorlijk afgunstig, hoewel Jan af en toe liet weten, dat hij Parijs ook geen onverdeeld succes vond. Eind april schrijft hij: ‘Ik heb na Pasen hier met toenemende frequentie met depressies te kampen en vraag me steeds dringender af wat ik eigenlijk (in laatste instantie!) in Parijs ben komen zoeken. Als ’t alleen de vrouwen zijn is dat een duidelijk teken van degeneratie. Overigens zou dat de depressies wel verklaren. ‘ In mei zijn de examens, en dan heeft hij het echt druk. Hij schrijft mij dan zelfs in het Frans, om zich te oefenen voor het opstel dat hij moet schrijven. En ook blikt hij vooruit naar de tijd, dat hij weer terug in Nederland zal zijn: ‘Het schijnt mij toe, dat de nu volgende tijd een ‘engagement’ voor het leven inhoudt, wat me lichtelijk huiverig maakt. In ieder geval is Parijs de moeite waard geweest en ik geloof dat ik mijn keuze niet betreur. Want 7 jaren ‘psychologie’ zouden me toch de keel uit zijn gaan hangen.’

Hij besefte op dat moment niet, dat die ‘7 jaren psychologie’ na een paar maanden toch nog zouden gaan komen, maar wel dat wat hij ook zou gaan doen, het een ‘engagement voor het leven’ zou betekenen. Tegen het einde van zijn verblijf heb ik hem nog opgezocht in Parijs, en zijn we van daar naar de Normandische kust gelift, waar we in Houlgate voor een paar dagen een huisje hebben gehuurd, en overdag aan het strand lagen. Toen na een bezoek aan een casino ons geld er praktisch doorheen was, zijn we naar Haarlem teruggelift.

Jan gaat in september psychologie studeren in Amsterdam, en ik ben nog volop bezig met mijn spoedcursus, waarover ik al berichtte in ‘Ed Leeflang’.  Jan mocht van zijn ouders  op kamers gaan wonen, in Amsterdam. Het werd een kamer in de Wijde Steeg, met uitzicht voor zover ik mij herinner, op de Spuistraat. Ik bezocht hem daar regelmatig, als ik uitging in Amsterdam, en zeker in zijn tweede studiejaar, toen ik verbonden was als onderwijzer aan de Burghtschool, aan het begin van de Heerengracht. Ik was daar in dat jaar reservist, wat niet al te plezierig was, want het hield in, dat ik alleen voor de klas mocht staan, als er een leerkracht ziek was. Geen eigen klas dus, waarvan de kinderen uit de Jordaan die de school bevolkten, een dankbaar gebruik maakten om de afwezigheid van hun eigen meester of juffrouw te benutten om er een vrolijke boel van te maken in de klas. Hierdoor raakte ik al spoedig in de waan, dat ik geen orde kon houden, en dat bracht mij ertoe, ook al door de enthousiaste verhalen van Jan over zijn studie, om in Den Haag een studiebeurs aan te vragen voor een universitaire opleiding. Ik verwachtte niet, dat mijn verzoek gehonoreerd zou worden, omdat men mij ook al de gesubsidieerde spoedopleiding voor onderwijzer had geschonken, en die was toch bedoeld om de nood aan leerkrachten bij het Lager Onderwijs te verlichten. Maar, tot mijn verbazing en onuitsprekelijke blijdschap gebeurde dat wel, en dus zou ik na één jaar het lagere onderwijs vaarwel kunnen zeggen, om te beginnen aan de studie die ik had uitgekozen, en die kortweg luidde: PSF-c. Het was een onderdeel van de nieuw opgerichte zevende faculteit, oftewel Politieke en Sociale Wetenschappen. C stond daarbij voor Sociale Pedagogiek. Ik had dit gekozen, omdat het naar mij leek nog het beste aansloot bij mijn onderwijsopleiding. PSF-a was politicologie en b sociale geografie. Veel andere mogelijkheden waren er voor mensen met mijn vooropleiding trouwens niet. Economie voelde ik niet voor en psychologie, dat zou teveel een navolgen van Jan zijn.