Archive for October, 2010

thorbeckeplein (vervolg)

Posted by Mels de Jong on October 5th, 2010 under Uncategorized  •  1 Comment

 

                                           Thorbeckeplein (vervolg)

Dat er veranderingen op til waren bleek ook al spoedig toen Gerda bemerkte dat haar menstruatie uitbleef. Na een bezoek aan de dokter ging zij er vanuit, dat zij zwanger was, en vroegen wij ons af wat wij met deze situatie aanmoesten. We besloten om te trouwen en het kind te accepteren, hoe lastig dat ook mocht zijn in verband met onze studie. Jan en Marian waren natuurlijk de eersten die het van ons te horen kregen, en toen ik later Jan alleen sprak en vroeg of hij mijn getuige wilde zijn, aarzelde hij even alvorens zijn toestemming te geven, en zei toen dat hij niet graag getuige was bij iets dat toch geen twee jaar stand zou houden. Maar toen in oktober Gerda’s kalenderproblemen van de baan bleken te zijn en we dus vrijelijk konden besluiten wat we nu moesten doen met onze hernieuwde vrijheid, besloten we het huwelijk toch maar te laten doorgaan. We zouden het vroeger of later toch doen, en dus waarom nu niet, nu een aantal mensen er al op had gerekend. In plaats van een kind, moest er dan maar weer een groot feest komen. En dat kwam er, op die 20 november 1959 dat wij in het huwelijk traden. Alle familie en bekenden waren er. Mijn ouders en zussen, Gerda’s familie, en verder alle vrienden en vriendinnen en medebewoners van het Thorbeckeplein.

’s Ochtends zijn we van het Thorbeckeplein naar het gemeentehuis gelopen, en heeft een fotograaf alle genodigden op de trap van het Uiltje gefotografeerd, naast het affiche van Zwarte Riek. Bij het voorbereiden van zijn praatje, moet het de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn opgevallen, dat er louter mensen zonder beroep op de lijsten stonden, en hij eindigde zijn toespraakje dan ook in stijl: ‘U moet maar zo denken: kleine liefdedaden, woordjes teer en zacht, hebben vaak in het kleinste huis het grootste geluk gebracht.’ We hebben daar nog vaak om moeten lachen.

En ’s avonds was het feest. Het Thorbeckeplein was haast te klein om iedereen te kunnen herbergen. De aard van het feest wordt misschien nog het beste weergegeven door Corries moeder, die, aan het einde van de avond rondkijkend en de chaos overziend, uit de grond van haar hart liet weten: ‘Wat een bende is het hier.’ Dit werd misschien ook wel ingegeven door haar man Jan, die zich als een vis in het water bewoog tussen al het aanwezige vrouwelijke schoon en op het eind van de avond met veel genoegen een aantal meisjes in zijn auto naar hun huis begeleidde. Voor mij was de avond niet zo geslaagd. Ik had me voorgenomen om me de hele avond bezig te houden met Gerda, maar zij werd al te zeer in beslag genomen door Jan B. en Paul Rutgers van der Loeff, die, naar zij mij later vertelde, persoonlijke problemen had, waar hij met haar over wilde praten. Maar natuurlijk werd het laat, zeer laat, en toen we eindelijk om kwart over drie in bed lagen, kwam er van slapen niet veel meer terecht, omdat Gerda alweer vroeg op moest om naar een practicum te gaan.

Daarna veranderde er niet zo veel. Het weekeinde daarop zijn we naar Henk en Corrie geweest, die op de avond van het huwelijk al om kwart over acht weg moesten in verband met de baby, en omstreeks de jaarwisseling zijn we ook nog op ‘huwelijksreis’ geweest. Dat ging zo: Gerda’s broer Kees had zin om met zijn nieuwe vriendin Ineke naar Parijs te gaan en vroeg of wij ook mee wilden. Ja, natuurlijk. En zo togen wij in een kleine Morris zonder verwarming daarheen. Onderweg schalde voortdurend Milord van Edith Piaf uit de radio. Dat lied beleefde toen kennelijk zijn hoogtepunt. We vonden een hotelletje in de rue Gît-le- Coeur, en hebben er een nacht of vijf geslapen. Veel op terrasjes gezeten, geflipperd, naar de music-hall geweest, een paar films gezien, zoals Les liaisons dangereuses, en bezoeken gebracht aan een oom uit Gerda’s familie, oom Uyldert. Het opmerkelijkste voorval was een bezoek aan een warenhuis, ik meen Printania. Op de begane grond was een platenafdeling, waar ik tot mijn vruegde een nieuwe plaat van Léo Ferré zag, en nog wel op teksten van Baudelaire: Les fleurs du mal. We zagen niet zo gauw een kassa, en omdat we vlak bij een deur naar buiten stonden, zei ik tegen Gerda: ‘Kom, we smeren ‘em.’ Buiten hadden we nog maar een paar passen gedaan, toen ik een zware hand op mijn schouder voelde van de bedrijfspolitie. Hij verzocht ons mee te gaan, en bracht ons in een kamertje dat werkelijk uitpuilde van waarschijnlijk gestolen goederen. We werden streng toegesproken, en de man dicteerde mij een briefje, waarin ik bekende de plaat te hebben willen stelen. Daarna mochten we gaan. Wij weer terug naar de platenafdeling, omdat Kees en Ineke daar ook nog steeds waren. Die hadden ons met de plaat zien verdwijnen, en dachten: ‘dat gaat makkelijk’, waarop Kees ook zijn tas vol met platen laadde. Wij vertelden in een paar woorden wat er was gebeurd, maar toen was ook de agent al ter plaatse, en vroeg aan Kees wat hij dacht te gaan doen met al die platen. Met veel tegenwoordigheid van geest maar wel met een rood hoofd, zei Kees, dat hij platen aan het uitzoeken was, maar dat hij nog geen keuze had gemaakt. Omdat hij nog op de afdeling was, kon hem ook weinig gemaakt worden. Niettemin verlieten wij even later met knikkende knieën het warenhuis. Het is mijn eerste en enige poging tot winkeldiefstal geweest.  De plaat heb ik diezelfde dag toch nog gekocht en het is altijd een van mijn absolute favorieten gebleven. De titel dekt ook wel mooi ons benarde avontuur.

In Parijs hoorden wij ook van de dood van Camus. In café Bonaparte, waar de ober tegen iedereen die binnenkwam zei: ‘Monsieur Camus est mort.’

Op de laatste avond zijn we nog naar een uitvoering van Carmen geweest in de Opera, waarna we om kwart over één uit Parijs vertrokken en door vele sneeuwstormen heen de nachtelijke terugtocht naar Breda hebben volbracht. We kwamen ’s ochtends om kwart voor acht aan.

Op het Thorbeckeplein ging het leven en de studie gewoon door. Gerda en ik volgden een cursus Heidegger bij Delfgaauw. Hij was ongetwijfeld deskundig, maar zijn betoog maakte Heidegger voor ons niet helderder of belangwekkender. Eindeloze herhalingen van Heideggers eigen geheimschrift, met tot in den treure uitgesponnen verklaringen. Af en toe zaten we luidkeels te geeuwen, en ik doodde de tijd met het schrijven van een gedicht over de indruk die Delfgaauws college op mij maakte:

Heidegger.

Eigentliches sein ist

Sorge mit

Und selbstsein

Sich vorweg

Schon sein in

Als sein bei

Unter über vor

Und zwischen

Er-entschlossenheit

Befindlichkeit und

Das Verschwiegende

Mit nach näbst

Nebst bei seit

Vergessend-gegenwärtigendes

Gewärtigen

Nah also:

Eingentliches sein ist

Sein zum Tode.

Op 26 februari had ik mijn eerste afspraak met K.L. (Bert) Poll, na ontelbare telefoontjes en brieven. Mijn eerste stukje was hem kennelijk genoeg bevallen om contact met mij te willen houden. Ik had ook al een stuk over De Ziener van Vestdijk geschreven, dat hij erg goed vond, maar waarvan hij de bespreking al beloofd had aan Hugo Brandt Corstius. De afspraak was in het kantoor van het Hollands Weekblad op de Lange Voorhout 16. Op mijn kloppen op de deur deed hij zelf open met de joviale uitroep: ‘Ha, dat zal ‘em zijn.’ Zijn uiterlijk was een verrassing: hij is lang, mager, donker haar in een golf naar achteren gekamd, met de scheiding links en een donkergerande bril op. Verder maakt hij een nerveuze, beweeglijke, kwajongensachtige indruk, maar kijkt je voortdurend scherp aan met zijn bruine ogen. Ik had me eerder een wat oudere, correcte heer voorgesteld, die zuiver en duidelijk zou formuleren. Poll is 31. Hij spreekt erg gehaast, struikelend over zijn woorden en er ook wel een ‘zakkig’ en ‘gvd’s’ tussendoor gooiend. Mijn voorstelling was natuurlijk geheel gebaseerd op wat ik van hem gelezen had en dat maakte kennelijk die correcte, zelfverzekerde indruk, die ik bij hem verwachtte. Hij vroeg mij in de loop van het gesprek of ik vooral korte commentaren wilde schrijven, want dat vond hij toch de leukste rubriek van het HW. Voor boekbesprekingen moest ik me maar tot Boucher wenden, die me dan wel presentexemplaren zou sturen.

Toch is mijn medewerking beperkt gebleven. Ik heb nog wel de laatste Anton Wachter besproken en een paar korte commentaren geleverd, maar toen ging het HW over in het Hollands Maandblad, en veranderde daardoor van karakter. In plaats van een avontuurlijk tijdschrift met over het algemeen korte stukken werd het nu een degelijk maandblad met lange doorwrochte artikelen. Ik voelde mij daar minder thuis, maar had nog wel steeds zin in schrijven. Ik schreef weer eens een stuk over een Vestdijkroman en stuurde het in naar Vrij Nederland. Daarna werd ik opgebeld door Boersma, de eigenlijke naam van de dichter Alain Teister, die zei dat het boek al door iemand anders besproken was -het zal wel weer Brandt Corstius geweest zijn- maar of ik niet eens iets anders wilde insturen. In de Privé-domeinreeks van de Arbeiderspers verscheen toen een vertaling van autobiografisch werk van Léautaud, Onvoltooid verleden tijd, dat mij een geschikt boek leek voor een bespreking. Ik stuurde het in, en het werd inderdaad na enige tijd geplaatst. Niet alleen dat, maar ik werd ook gebeld door de toenmalige redacteur letteren Johan Phaff, die mij vroeg om eens te komen praten. Dat heb ik gedaan, en op zijn verzoek ben ik daarna over Franse literatuur gaan schrijven voor VN.

Veel later kwam ik  toch nog een keer Poll tegen, toen ik eens een stukje over Michel Tournier instuurde naar de NRC, dat meteen geplaatst werd. Poll vroeg mij bij die gelegenheid om regelmatiger voor de NRC te gaan schrijven, en zou graag hebben, dat ik dan VN zou laten schieten. Het eerste wilde ik wel doen, maar het laatste natuurlijk niet, daarvoor waren mijn betrekkingen met VN en met Carel Peeters, het hoofd van de boekenbijlage, te plezierig. Ik heb er wel even over moeten denken, omdat de NRC duidelijk beter betaalde. Dat bleek ook eens toen Martin Ros mij vroeg om Edith Silve, de bezorgster van de literaire nalatenschap van Léautaud, in Parijs te gaan interviewen voor een Léautaudboekje dat hij, samen met mij wilde gaan maken. Hij zei er onmiddellijk bij, dat de Arbeiderspers geen geld had voor mijn Parijse onkosten. Ik moest het maar aan VN vragen, maar ook Carel Peeters zei, dat daar geen geld voor beschikbaar was. Toen heb ik Poll gebeld, en hij zegde mij onmiddellijk fl. 750 toe, met als voorwaarde, dat er dan eerst een voorpublicatie van het interview in de NRC zou komen. Daar kon ik graag mee instemmen, en zo is het ook gegaan. Ik heb dus alle reden om met dankbaarheid aan Poll terug te denken. Hij is zeker een inspirator geweest bij mijn eerste schuchtere pogingen om mijn stukjes gepubliceerd te krijgen.

Maar terug naar het Thorbeckeplein, waar Gerda en ik in de tijd dat ik Poll voor het eerst ontmoette, van kamer ruilden met een andere bewoner, Wim Lemmens. Hij betrok onze kamer, en wij konden de huur van zijn kamer, die er rechts naast lag en mooier en groter was, overnemen. Wij betaalden dan wat meer, maar hadden dat er graag voor over. Ik meen fl. 100 in plaats van 55. Natuurlijk werd de kamer ook weer ingewijd met een feest, zij het dit keer wat bescheidener. Naast Jan en Marian en Paul Rutgers van der Loeff, die ook een regelmatige gast was waren er nog een meisje, Ruut Daalder, die met Paul was meegekomen en ook psychologie studeerde, en een jongen uit het huis, Ad Kammerer. Hij studeerde Duits en gaf al les aan een middelbare school, duidelijk homosexueel, en van een verfijnde esthetiek. Hij was bevriend met Friso Wiegersma en Wim Sonneveld, wat hem extra interessant maakte in onze ogen. Ruut bleek duidelijk verliefd op Paul, maar die liet er zich weinig aan gelegen liggen, en gaf zich als vaker over aan een vage, zwijgende vorm van Weltschmerz. Toen Ad zich na een tijdje terugtrok op zijn kamer, liep Paul met hem mee, even later gevolgd door Ruut, die zonder kloppen bij Ad naar binnen liep en plompverloren aan Paul vroeg hoe hij het zou vinden als zij eens verliefd op hem was. Paul antwoordde, dat hij daar niet zo op gesteld zou zijn. Hierop liet Ad hen alleen en vluchtte terug naar onze kamer, waar hij verslag deed van het gebeurde in een sublieme Sonneveld-imitatie. Aan het einde van de avond verwachtte Ruut, dat zij door Paul zou worden thuisgebracht, maar die bleek plotseling verdwenen, waarna Jan zich belastte met deze voor hem niet onwelgevallige taak. Toen ze weg waren, kwam Paul, die zich verstopt had, weer te voorschijn en nam ook afscheid.

Later, toen Ad van het Thorbeckeplein vertrokken was en op de Weteringschans woonde, zijn Gerda en ik nog een keer een avond bij hem op bezoek geweest. Hij heeft ons toen getracht de uitspraak van het Duits bij te brengen, want daar deugde volgens hem helemaal niets van. In mei 1960 was het een grote uittocht uit het Thorbeckeplein. Kees Manders had ons per 1 juni de huur opgezegd, en was de laatste maanden bijzonder onaangenaam, waardoor de meeste studenten probeerden al eerder weg te komen. Gerda en ik zijn eind mei naar de Nicolaas Witsenstraat 12 verhuisd, terwijl Marian ons al een paar weken vooruit was gegaan en een kamer had gevonden op het Westeinde. Op ons nieuwe adres hadden wij een grote kamer met kookgelegenheid, die uitzag op de Den Texstraat. De hospes heette Gerard de B., en was de leider van een Tiroler orkestje, dat erg populair was in die tijd. Hij had een vriendin met wie hij een duidelijk sado-masochistische relatie onderhield, getuige de geluiden, die af en toe uit hun woonvertrekken opstegen. Hoewel het een grote kamer was, heb ik me er, ook al door de naargeestige omgeving van stijve burgermanswoningen,  nooit prettig gevoeld, en kwam zelfs eind juli in een duidelijke depressie terecht, met maar één wens: ‘Oh, in Godsnaam, terug naar het Thorbeckeplein. Die stemming werd nog versterkt door de loodzware, weemoedige geur van een grote bos lelies, die ik Gerda op haar verjaardag had gegeven, en die als een mist van wierook in de kamer bleef hangen. Om aan de sfeer te ontsnappen hebben wij die zomer nog een wat verlate huwelijksreis gehouden. We hadden in die tijd een mobylette-bromfiets en reden daarmee langs de Belgische en Franse kust met het doel Normandië te bereiken. We zijn niet verder gekomen dan Berck Plage, omdat de trekkracht van de brommer toch wel erg veel te wensen overliet. Toch was het een aardig reisje, met als noemenswaardige gebeurtenis een optreden van de Ramblers, mijn oude favoriete band, die we zagen spelen op een terras van een hotel aan de boulevard van Blanckenberge. En ook een West-Vlaams stadje als Dixmuide vonden wij prachtig.

Maar eenmaal terug in Nederland, zijn wij koortsachtig op zoek gegaan naar andere woonruimte, en vonden die al vrij snel. In september zagen wij een grote, betaalbare kamer op de Spiegelgracht, die wij meteen huurden en gingen bewonen. De kamer was misschien niet groter dan de vorige, maar de omgeving was aanzienlijk prettiger: vlak bij het Leidseplein en de Leidsestraat, café’s in de buurt, en aardige winkeltjes. We hebben er dan ook elf jaar gewoond, maar dat is een verhaal apart.