Archive for January, 2011

spiegelgracht

Posted by Mels de Jong on January 22nd, 2011 under Uncategorized  •  4 Comments

 

                                                          Spiegelgracht.

De Spiegelgracht 21 was een groot pand, waarvan de eerste twee etages bewoond werden door de studentenfotograaf Nico Schuytvlot, die op de begane grond zijn bedrijf uitoefende. Twee etages plus een zolder daarboven werden bewoond door de familie Raven, Guusje en Jaap met drie kleine kinderen. Zij bewoonden de grote voorkamer aan de voorzijde, en het kleine zijkamertje. De overige kamers werden alle door Raven verhuurd, te beginnen met de grote achterkamer op hun etage. Het zijkamertje achter fungeerde als keuken van de Ravens. De etage daarboven was in zijn geheel verhuurd, en wij bewoonden daarvan de grote achterkamer. Daarboven was nog een zolderetage, waarop aan de achterzijde ook weer een grote kamer met keukentje was gebouwd, en aan de voorkant bevond zich nog een keukentje, dat door ons gebruikt werd.

            Wij waren zeer tevreden met onze kamer. Hij was groot, en we hadden grote ramen aan de achterzijde –de Zuidkant- die uitzagen op het platte dak van een volkswagengarage en op de balletschool van Nel Roos. Daar konden wij de toekomstige danseresjes aan de bar hun oefeningen zien doen. De ligging was ook heel gunstig, vlak bij het Leidseplein en de Leidsestraat en in het Westen was de Spiegelgracht enkel door Weteringschans en Stadhouderskade gescheiden van het Rijksmuseum. We hoopten hier voldoende rust te kunnen vinden om weer met hernieuwde kracht aan de studie te kunnen gaan.

            Veel gelegenheid kregen wij daar voorlopig niet voor, want het ging slecht met mijn moeder. Het begon ermee, dat ze verward ging praten en in feite geen contact meer met ons had. Ze was toen wel aandoenlijk lief, en zat vol herinneringen aan vroeger. Ze promoveerde op een gegeven moment mijn vader tot doctor in de mythologie omdat hij het antwoord wist op de vraag wie de vrouw van Socrates was. Aan mij vroeg ze of ik het groene briefje nog had. Zij was het kwijt en moest het terughebben, omdat ‘alles erop stond’. Het mocht niet verloren gaan. Ik vertelde haar dat ik het in een boek had gestopt en dat het er dus nog was, wat haar zichtbaar geruststelde. Aanvankelijk lag ze in het ziekenhuis in een kamer met nog een vrouw, maar daar kon ze helemaal niet mee opschieten. Zij was toen volkomen ontremd, en schold in het wilde weg. Toen ze eindelijk een kamer alleen had, was dat ook niet goed, omdat ze bang was om alleen te zijn.

            Een week later viel ze ’s nachts uit haar bed en belde Frieda ons op of we onmiddellijk naar Haarlem wilden komen. Vanaf dat moment is er steeds iemand van ons bij haar geweest. ’s Nachts zaten Gerda en ik meestal bij haar, ’s morgens mijn vader en ’s middags Frieda. Ze had toen helemaal geen gesprekken meer en wilde alleen maar steeds verlegd worden. Een ontmoedigende bezigheid, omdat het niet mogelijk was een houding voor haar te vinden waarin ze het een tijdje kon volhouden. Bovendien beweerde ze steeds dat we haar pijn deden. En schelden, ook tegen ons. Papa was een bruut, Frieda een brulboei en ik een nozem. Alleen van Gerda wist zij af en toe te vertellen dat zij lief was. Maar op den duur moesten Gerda en ik toch weer naar Amsterdam, ook al omdat Gerda nog een paar practicums  moest lopen. Op de laatste avond dat we bij haar waren, hebben we een zakje frites het ziekenhuis binnengesmokkeld, omdat ze daar zo’n versqchrikkelijke trek in had. Ze had er al vaker om gevraagd, maar het was streng verboden, omdat ze absoluut geen zout mocht hebben. Toch hadden we het deze keer maar gedaan, als ultieme goede daad, en zij heeft er erg van genoten. Terug in Amsterdam liep Gerda dus weer practicum. En ook op 3 maart, Marians 22ste verjaardag. Ik kocht bloemen voor Marian en heb met haar op een terrasje gezeten, en vandaar even naar Haarlem gebeld omdat we al een paar dagen niets meer gehoord hadden. Papa vertelde, dat Mama al een paar dagen buiten bewustzijn was en of we gauw weer eens kwamen. ’s Middags om 5 uur, ik was alleen thuis, belde hij op en zei dat Mama om 3 uur was overleden. Frieda en hij waren juist op bezoek. Ze merkten het aan de kleur die plotseling veranderde en aan een laatste poging tot hoesten.

            ’s Avonds zijn Gerda en ik naar de vroege voorstelling gegaan van een nieuwe film: A bout de souffle, met Jean Seberg en een eerste rol van Jean-Paul Belmondo. Daarna nog even naar de verjaardag van Marian, bij Jan op de Weteringschans, waar Jan Elshout en Eva Titus ook waren. We vertelden wat er gebeurd was, en zijn maar heel even gebleven. De volgende dag zijn we naar Haarlem gegaan tot na de crematie. Voor het eerst sinds lange tijd, een jaar of twintig, Gudy weer gezien. Na afloop van de crematie in Driehuis-Westerveld ging zij mee naar de Kamerlingh Onnesstraat, en zijn we een stevige borrel gaan drinken. Op een gegeven moment kwam Corries vader, Jan ten Have, ook nog op condoleancebezoek. Met een plechtig ouderlingengezicht kwam hij de kamer binnen, zag verrast wat  er gaande was, en liet zich niet lang noden om een borrel mee te drinken.

            Na terugkeer in Amsterdam zijn we braaf aan de studie gegaan, tot we in augustus of september plotseling in de krant een advertentie in de krant zagen, dat er een kamerverhuurbedrijf werd aangeboden. Niets bijzonders, maar het pikante was, dat het ging om het huis waar wij in woonden. Wij zijn onmiddellijk poolshoogte gaan nemen bij Guusje Raven, die bevestigde dat zij van plan waren om een café in Weesp te gaan beginnen. Zij informeerde of de overname niet iets voor ons was. De prijs was weliswaar f. 13000.-, ruim boven onze mogelijkheden, maar de opbrengst van de kamers bedroeg ongeveer f. 4000.- per jaar, dus de aankoopprijs zouden wij er binnen een jaar of drie vier uit hebben. Het klonk aantrekkelijk, maar hoe moesten wij aan geld komen? Gelukkig wilde Koosje, een zus van Gerda, ons het bedrag wel lenen en wij konden het tegen de gebruikelijke rente aflossen.  En zo werden wij dus kamerverhuurders. Er werd een contract opgesteld door een makelaar, dat door beide partijen werd ondertekend. Daarmee was de zaak geregeld dachten wij. Maar toen wij naar de huiseigenaar, de heer Uytzinger in de Kerkstraat, togen met ons contract en om een officiële huurovereenkomst vroegen, bleek het allemaal wat anders te liggen. Er was geen sprake van een kamerverhuurbedrijf. Raven was gewoon hoofdhuurder en zij verhuurden clandestien kamers. Bovendien stond de makelaar niet ingeschreven en was dus een ordinaire beunhaas. Hij begreep wel, dat wij te goeder trouw waren en buiten onze schuld waren opgelicht, maar wat moest hij daarmee aan? En wat waren wij eigenlijk van plan? Wij vertelden hem dat wij zolang als wij nog studeerden kamers wilden verhuren, omdat wij nu eenmaal ook de schuld moesten afbetalen, en geld moesten hebben om in ons onderhoud te voorzien. Dat ik werkzaam was als kandidaat-assistent, heb ik niet verteld. Dat was trouwens ook niet genoeg om van te leven. Na onze studie zouden wij, als er kamers leeg kwamen, deze niet opnieuw verhuren, maar gewoon bij onze woonruimte trekken. Hij is nog een keer bij ons langs geweest op de Spiegelgracht, bewonderde ons ‘Spaans meubilair’, zoals hij de sinaasappelkistjes noemde die wij gebruikten als kastruimte, en liet het daar voorlopig bij. Gelukkig is Jan ten Have, Corries vader, ons toen te hulp gekomen. Hij was bevriend met de directeur van de Kamer van Koophandel in Amsterdam, en wist hem er toe te brengen een goed woordje voor ons te doen bij Uytzinger. Toen was de zaak gauw beklonken. Wij kregen een keurig huurcontract en mochten toen met goedkeuring van Uytzinger ook kamers gaan verhuren. Jan ten Have zullen wij wel bedankt hebben met een paar flessen Oude Bokma, zijn lievelingsdrankje.

            Even later werden Gerda en ik door Jan ten Have uitgenodigd voor de herdenking van de 25ste sterfdag van Slauerhoff. Als boekhandelaar kon hij makkelijk voor kaarten zorgen, en zo zagen wij op 5 oktober de bloem der Nederlandse poëzie bijeen in een bovenzaal van Brinkman op de Grote Markt in Haarlem. Roland Holst, die ik voor het eerst zag, hield een openingswoord en daarna kwam de eigenlijke herdenkingsrede van Arthur Lehning. Hij ging lekker tekeer tegen mensen die Slauerhoff aanvielen op punten als Portugese en Chinese spelling (Herman van den Bergh, met name), ‘alsof Slauerhoff het er ooit op had toegelegd als filoloog of sinoloog herdacht te worden. Verder zagen we Kelk, de biograaf, Donkersloot, Pierre Dubois, en mijn oude leraar Carel Dinaux. Zijn dochter Millie heeft nog bij mij in de klas gezeten. P.H. Ritter Jr liep als de geest van zichzelf door Brinkman, met een wijd openhangende tandeloze mond. Hij was al bijna dood, ook letterlijk, want hij zou een half jaar later op 13 april overlijden. Hendrik de Vries was er en kwinkeleerde als een vogeltje Spaanse coplas in het rond, en Bloem, een van mijn favorieten, heel oud maar stevig in het gareel gehouden door Clara Eggink, die hem later, op weg naar buiten, moederlijk toeriep: ‘Je petje heb ik al in me tasje, hoor!’ Een mooie avond.

            Maar daarna konden wij echt gaan beginnen met ons bedrijf aan de Spiegelgracht. Wij verhuisden naar de grote kamer beneden aan de voorkant, met het kleine zijkamertje, waar de Ravens eerst hadden gewoond, en daardoor kwam onze grote achterkamer boven leeg. Via Bob Groen kwamen daar eerst als gegadigden kijken Joop en Gina van Tijn. Gina was toen in verwachting van haar eerste baby, en vond daarom de ruimte wat te klein. Bovendien zou zij de komende tijd moeite hebben met het trappen klimmen. Joop zou ik later nog goed leren kennen bij Vrij Nederland en Gina is later een goede vriendin van ons geworden. Maar toen was zij al de weduwe van Joop en getrouwd met Henk Verkuyl, met wie wij via Harry Sitters bevriend zijn geraakt.

            We plaatsten een advertentie en daar kwam als eerste Boebie Brugsma op af. Hij vond de kamer wel groot genoeg, maar had toch liever onze kamer aan de voorkant, in verband met het uitzicht. Dat ging niet door, en toen solliciteerde Rudy van Dantzig. Die vond de kamer wel naar zijn zin, en is er negen maanden blijven wonen. Tot ons genoegen, want Rudy was een bijzonder aardige jongen. Toen hij wegging kwam op zijn voorspraak Ben de Rochemont op de kamer, een collega-danser van het Nationaal Ballet, ook aardig, maar veel nichteriger dan Rudy. Hij is dertien maanden gebleven. Daarna ging hij naar Parijs om te dansen in het ballet van Roland Petit, als ik mij goed herinner.

Op de grote achterkamer achter onze woonruimte  kwam in mei 1962 Paul Beugels wonen. Hij was kunstredacteur van de Volkskrant, en woonde eerst met een vriendin Pia, die later werd afgewisseld door ene Malou. Een merkwaardig meisje, naar bleek. Want toen wij eens werden uitgenodigd om een borrel te komen drinken op zijn verjaardag, deed hij wat schichtig, en vertelde dat Malou even daarvoor, gezeten op de vensterbank, hem een ultimatum had gesteld: ‘Zeg dat je van me houdt, of anders spring ik uit het raam.’ Toen zijn antwoord te jezuïtisch was, in ieder geval niet duidelijk ja of nee, had zij de daad bij het woord gevoegd. Gelukkig was zij op het schuine afdakje van Schuytvlot terecht gekomen, en vandaar in de tuin gegleden. Even later werd er dan ook op de deur geklopt, en kwam een zeer verfomfaaide Malou de kamer binnen. Wij hebben snel onze borrel opgedronken en zijn weer naar onze kamer gegaan, waar we het gebeuren nog eens uitvoerig hebben besproken. Malou is daarna niet lang meer gebleven. Op een gegeven moment kwam er weer een vriendin bij hem wonen, met wie Paul uiteindelijk getrouwd is. Zij zijn in mei 64 vertrokken om zelfstandig te gaan wonen. Paul is ons ook nog een keer behulpzaam geweest. Een met Maureen Peeck bevriende kunstschilder uit York, John Heu, logeerde eens bij Joan en Maureen, omdat hij een expositie had in Amsterdam. Hij had niemand om de expositie te openen, en na overleg met Joan en Maureen hebben wij Paul gevraagd, of hij dat wilde doen. Hij heeft eerst de schilderijen bekeken en daarna toegestemd. Het werd een mooie, gedegen toespraak, en Paul hield er  nog een echte John Heu aan over.

Op de kleine achterkamer boven zat aanvankelijk een rechtenstudent, De Bruyne, die niet lang is gebleven. Na hem kwam er een Surinaamse studente Nederlands, Eugenie Eersel, die al snel vroeg of zij haar kamertje mocht overschilderen. Dat mocht, maar wij waren wel verrast toen bleek dat zij alle muren en het plafond donkergroen had geschilderd. Het leidde  tot voor de hand liggende grappen bij de andere bewoners. Zij had een vriend met wie wij goed konden opschieten. Het was Rudy van de Wind, oftewel Jochem, een beeldhouwer en schilder, die later naam zou maken met zijn schilderingen op de wand achter het spreekgestoelte van de Tweede Kamer, en met een groot project De Nollen in de duinen bij Den Helder, waar hij kunst maakte op basis van de bunkers van de Atlantikwal. Wij hebben hem daar nog eens opgezocht, samen met IJsbrand, een andere bewoner.

IJsbrand van Duyn woonde al op de Spiegelgracht toen de Ravens daar nog het bewind voerden. Hij had de grote kamer aan de voorzijde, naast onze kamer. Hij studeerde rechten. In naam, want ik geloof niet, dat hij ooit een studieboek heeft ingekeken. Dat hoefde ook niet zo erg, want zijn vader, een bekende jurist, betaalde naast de studie alle kosten voor zijn zoon. Zijn moeder was een freule De Brauw en lerares klassieke talen aan het Cartesiusgymnasium. Door haar voelde IJsbrand zich sterk verwaarloosd. Hij zei wel eens dat zijn moeder tegen de bijlesleerlingen die bij hen over de vloer kwamen, aanzienlijk aardiger was dan tegen hem. IJsbrand mocht dan niets ophebben met studieboeken, maar op literair gebied stond hij zijn mannetje Hij was een echte bibliofiel en had een prachtige collectie boeken, waaronder een meervoudige Couperus in eerste drukken. En ook Vestdijk had hij compleet in eerste druk. Op Vestdijkgebied deed ik niet veel voor hem onder, en wij waarschuwden elkaar als de nieuwe Vestdijk in de winkel lag. Hij bezat ook een grote verzameling handgeschreven brieven van Couperus, samen met Johan Polak de grootste van Nederland, volgens hem. In de omgang was hij zeer levendig, geestig en vol verhalen over van alles en nog wat. Hij wist zeer goed wat zich afspeelde op het Leidseplein en was bij voorbeeld zijdelings betrokken geweest bij een beruchte inbraak in een apotheek, waar grote hoeveelheden verdovende middelen waren buitgemaakt. Hij kende Hans van Zweden, een van de bekende pleiners, persoonlijk, en toen Louis van Gasteren een TV-film over diens leven maakte, heeft hij ook IJsbrand geïnterviewed, in diens kamer op de Spiegelgracht. In al de jaren dat wij daar hebben gewoond, is IJsbrand er het levendige middelpunt geweest. Hij is het ook geweest, die aan de voorkant van de zolder ontdekte, dat daar een gaatje in de vloer was geboord, waardoorheen je precies op het bed daaronder kon kijken. Naast het gaatje lagen vele sigarettenpeuken. Toen begrepen we, waarom Jaap zo vaak op de zolder moest zijn, en pas naar beneden kwam, als Guusje onderaan de trap riep dat het eten klaar was. Daarna hebben we ontdekt, dat in de verbindingsdeur van het keukentje naar de zolderkamer ook een gaatje geboord was.  Hij was een echte voyeur, kortom.

Aanvankelijk dachten wij, dat IJsbrand  homosexueel was, omdat we hem nooit met meisjes zagen, maar dat bleek later wel anders. Toen kwamen er met grote regelmaat meisjes op zijn kamer. De laatste was Tannie, een meisje met lange blonde haren en uitzonderlijk grote borsten. Zij studeerde ook rechten, maar was wat serieuzer dan IJsbrand op dat gebied. Wel kregen zij later steeds vaker ruzie, en dan ging het er bepaald ruig aan toe. Er werd wel eens een telefoon van de muur getrokken, of Tannie liep een gebroken arm op.

Natuurlijk zag IJsbrands vader met lede ogen aan, dat de studie van zijn zoon op niets dreigde uit te lopen, en op een keer zorgde hij ervoor dat IJsbrand een baantje kreeg bij een zakenrelatie van hem. Het betrof een dragline-importeur, en IJsbrand was wel gedwongen er heen te gaan op straffe van inhouding van zijn toelage. Hij heeft het ongeveer twee weken volgehouden, tot hij op het idee kwam iedere dag een kratje pils mee naar het werk te nemen, en de flesjes tussen de middag uit te delen aan de werknemers. Toen werd er op zijn diensten niet langer prijs gesteld, en de vader heeft daarna ook geen verdere stappen meer ondernomen om IJsbrand in het gareel te krijgen.

Op de zolderkamer woonde ten tijde van onze machtsovername Han van der Meer met een vriendin, een meisje met een grote bos rood haar. Hij deed iets in oude boeken en antiquiteiten, als ik me goed herinner. Zij gingen half december 1962 weg en maakten plaats voor Seters, een arts die zijn diensttijd doorbracht als officier van gezondheid en zijn vriendin, de actrice Edda B., die en dat wist IJsbrand onmiddellijk te vertellen, als pikante bijzonderheid had, dat zij de dochter was van de vertaler van Mein Kampf, voor alle duidelijkheid Mijn Kamp genoemd. Met Seters konden wij totaal niet overweg. Hij was een botte lomperik, met wie wij elk contact uit de weg gingen. Zij zijn niettemin drie jaar gebleven, tot december 1965. Zijn vertrek leverde weer een fraai staaltje op van zijn hufterigheid. Seters had een schuine kant van de kamer, onder het dak, afgetimmerd met schrootjes, zodat daarachter enige kastruimte ontstond. De volgende huurders zouden Hetty Jansen en Hans Rombouts worden. Hetty was Ben de Rochemont opgevolgd op de grote achterkamer onder de zolderetage in maart 1964. Zij had een vriend, Hans Rombouts, gekregen en wilde daarom graag de zolderkamer huren, om daar met z’n tweeën te kunnen wonen. Overleg met Seters leidde er toe, dat hij een buitensporig hoog bedrag vroeg voor de door hem aangebrachte schrootjes. Daar gingen Hans en Hetty terecht niet op in, onderhandelen was niet mogelijk en  Seters brak in een boze bui al zijn timmerwerk weer af. Daarop hebben Hans en Hetty met hun vaders de kamer volgens hun eigen opvattingen verbouwd en ingericht.

Hetty kenden wij van de studie, evenals Hans. Hetty was ouderejaars, maar Hans van onze lichting. Met hen hebben wij een gezellige tijd gehad op de Spiegelgracht. We kwamen vaak bij elkaar over de vloer, aten af en toe samen en keken elk jaar samen naar de EK en WK schaatsen, met de toen beroemde Ard Schenk en Kees Verkerk. Vrijdag ’s middags ging ik vaak met Hans biljarten in een café aan de Vijzelstraat en ook zijn wij samen naar de beroemde mistwedstrijd tussen Ajax en Liverpool geweest, die door Ajax zo glorieus werd gewonnen. Via hen leerden wij ook een aantal van hun vrienden kennen, waaronder vooral Hetty’s hartsvriendin Else P. en haar man Harry van G. Wij hebben veel met hen gebridged, maar het was een stormachtig huwelijk, dat uiteindelijk op een scheiding uitdraaide, waarna Else M.O. Nederlands ging studeren, de studie afmaakte, lerares werd, ondertussen vele minnaars had en ten slotte opnieuw trouwde met Harry. Daarna ging het bridgen weer gewoon door, evenals hun ruzies. Gerda en ik hadden af en toe sterk het gevoel dat wij meespeelden in Ingmar Bergmans film Scènes uit een huwelijk.  Zij zijn opnieuw gescheiden, en Else kreeg daarna een vrij langdurige relatie met de televisiepersoonlijkheid Herman W. Hij was bij voorbeeld aanwezig op de 50-jarige verjaardag van Else en Gerda, die in ons huis aan de Gietersstraat werd gevierd, en waar hij de gedenkwaardige woorden tot Else sprak: ‘Wat heb jij een alcoholische vrienden!’ Er werd inderdaad stevig gedronken, en IJsbrand, die op dat moment al een ongeneeslijke alcoholicus was, was er ook. Zeven jaar later zou hij aan zijn kwaal overlijden.

Ook zonder Harry kwam Else regelmatig bij ons langs. Zij was een verwoed speelster en gokster, en met zijn drieën speelden wij bridge à trois om geld, waarbij soms vele guldens over de tafel gingen. Er waren eens per maand speelavondjes met al onze vrienden, waarover later meer, waar vooral roulette en poker werden gespeeld, en ook daar was Else altijd fanatiek aanwezig. Wij hebben veel plezier beleefd aan het spelen met Else, maar waren wel

beducht voor het gemak waarmee zij kon ‘ontploffen’. Wij zijn een aantal keren met haar op vakantie geweest in Frankrijk, en dan gebeurde het wel dat zij, als ik kritiek had op een scrabble-woord dat zij gelegd had, onmiddellijk met veel misbaar opstond en in de slaapkamer haar koffers ging pakken. Het kon altijd wel weer gesust worden, maar het kostte soms veel moeite en ongemakkelijk was het zeker. Het verbreken van een relatie lag bij haar altijd als mogelijkheid op de loer. Zo is het bij voorbeeld ook gegaan met Hetty, haar hartsvriendin, die er op een gegeven moment niet meer tegen kon, en de vriendschap per brief heeft opgezegd. Met ons is het ook gebeurd, en wel onmiddellijk nadat Jan B. met ons had gebroken (zie: Een vriendschap.). Zij deed het per brief, en bleek daarna plotseling nauwe banden met Jan en Marian te hebben. Ik heb haar bij die gelegenheid de eerste NSBer uit onze vriendenkring genoemd. Van anderen hoorden wij, dat de relatie met Jan en Marian  inmiddels ook is verbroken. Het ligt in de aard der dingen.

Op de Spiegelgracht kwamen wij, tussen het innen van de huurpenningen door, ook weer tot studeren. Ik studeerde af in juni 1968 en Gerda een klein jaar later, in april 69. Ik kon mijn kandidatassistentschap omzetten in de functie van wetenschappelijk medewerker, wat inhield dat ik doorging met het assisteren bij practica, en daarnaast ook colleges moest gaan geven, wat ik altijd met veel plezier heb gedaan, ook al doordat ik goed overweg kon met de studenten. En natuurlijk werd ook verwacht dat ik zou deelnemen aan het wetenschappelijk onderzoek dat plaatsvond binnen de vakgroep. Gerda ging na haar afstuderen wèl de praktijk in, aanvankelijk bij de begeleiding van ongehuwde moeders in een paar tehuizen, en later bij de schoolbegeleidingddienst voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen in Amsterdam.

Binnen mijn familie gebeurden intussen opmerkelijke dingen. Mijn vader was de laatste jaren op verzoek van de buurtvereniging Haarlem Zuid-West leider en regisseur geworden van een amateurtoneelgezelschap. Hij ging hier helemaal in op en verzorgde één à twee voorstellingen per jaar, waar langdurige repetities aan vooraf gingen. Na de repetities werd nog koffie gedronken bij ons thuis en nagepraat. Ik herinner me dat als gezellige avonden. Er was natuurlijk een gezelschap van vaste acteurs en actrices onder wie het jonge echtpaar Henk en Yola Berkhout, dat meestal het romantische koppel voor zijn rekening nam. Henk was redacteur economie bij de NRC en Yola was geboren in Sao Paulo, en opgegroeid in Zuid-Afrika. Een andere vaste actrice was een wat oudere dame, Mevr. Van Veenendaal, die steevast het wijze omaatje speeltje, met olijke blikken over haar brilletje en altijd wel een breiwerkje onder handen. Zij was de schoonmoeder van mijn jongste zus Corrie. Na het overlijden van mijn moeder viel het gezelschap uit elkaar, maar wel bleek plotseling dat Yola Berkhout verliefd was geworden op mijn vader, die deze gevoelens, hoewel dertig jaar ouder, met mannelijke trots beantwoordde. Een probleem, dat Yola en Henk vier kinderen hadden, in de leeftijd van zes tot elf, werd door Yola met een zekere achteloosheid geofferd op het altaar van de liefde. Een ander probleem was mijn oudste zus Frieda, die na de dood van mamma er geheel op rekende om de verzorging van papa op zich te nemen. Zij was gescheiden van haar eerste echtgenoot, een stuurman op de grote vaart, en had haar handen vrij om de huishouding van de ouderlijke woning op zich te nemen. De komst van Yola, en haar frequente bezoeken moeten haar dan ook een doorn in het oog zijn geweest. Gelukkig voor haar leerde zij in deze tijd John Copsy kennen, een werknemer bij Ford, en binnen niet al te lange tijd trouwden zij. John trok bij Frieda in en dat leverde weer de nodige huisvestingsproblemen op, omdat ook Yola inmiddels onze ouderlijke woning had betrokken, zodat men elkaar wel erg voor de voeten begon te lopen.

Papa en Yola dachten er daarom over om een woning in Frankrijk te zoeken, en met hulp van neef Mels, die in Vesseaux in de Ardèche woonde met zijn Franse vrouw Odette, lukte dat ook. Eerst huurden zij een huis in Laviolle en later vonden zij een huisje in Jaujac, dat zij konden kopen, maar dat nog wel grondig opgeknapt moest worden. Van die taak hebben zij zich met verve gekweten. Voor mijn vader, die nooit veel meer had gedaan dan helpen bij het aanbrengen van een nieuw behangetje, moet dit een grote klus zijn geweest. Maar het lukte.

Dat hij daarnaast nog tijd had voor andere dingen, bleek in de zomer van 1964, toen hij met een duidelijk zwangere Yola even terug kwam naar Haarlem om te trouwen. Hij  vroeg mij om te getuigen, waar ik mee instemde, zij het zonder al te veel geestdrift. Eenmaal voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand overzag deze het gezelschap en zei toen: ‘Ik zie, dat uw voornemen om in het huwelijk te treden vaste vormen heeft aangenomen.’ Ongetwijfeld een gelegenheidsmopje dat hij wel vaker gemaakt zal hebben, maar wij konden er wel om lachen.

Een veertien dagen later werd een zoon geboren, Jean-Jacques, door ons Jeannot genoemd. Met deze ‘liefdesbaby’, zoals Yola placht te zeggen, vertrokken zij weer spoedig naar Frankrijk. Daar hebben wij een jaar later, in 1965, een lange vakantie bij hen doorgebracht, en in 1967 nog eens, maar nu in gezelschap van onze vrienden Joan en Maureen. Met mijn vader kon iedereen goed opschieten, maar tegen Yola rezen steeds meer bezwaren. Zij was wel mooi, en papa was terecht trots op zijn verovering, maar toch stoorden wij ons steeds vaker aan haar onechtheid, en aan haar pretenties. Zij vond het heerlijk om in ons midden te vertoeven, omdat zij zich dan voorstelde dat wij, als studenten, wel diepe dingen aan de orde zouden stellen in even spirituele als diepgaande discussies. Hoewel hier geen sprake van was, toonde zij zich toch nooit teleurgesteld: zij begreep wel, dat wij die, gesprekken bewaarden voor als wij met onze vrienden onder elkaar waren. Zij was erg gastvrij, maar van een gastvrijheid, waar je zeer moe van werd. En Maureen, als Engelse, stoorde zich zeer aan haar, wat zij noemde: ‘lousy colonial English.’

In 1968, toen Yola geërfd had van haar overleden vader, zijn zij naar Torremolinos gegaan, om daar te overwinteren, in een groot flatgebouw: Bonanza. Dit was ook wel ingegeven door het vochtige, en koude klimaat van Jaujac in de winter, waar mijn vader wel last van had. Zij nodigden ons met klem uit om met Kerst en Oud en Nieuw ook naar Torremolinos te komen, want daar was het heerlijk weer en goed en voordelig verblijven. Wij hebben de uitnodiging aanvaard en vlogen, beiden voor het eerst, met een DC 9, naar Malaga, waar papa en Yola ons al met de auto stonden op te wachten. Het werd in meer dan een opzicht een opmerkelijke vakantie. Niet alleen was het prachtig weer, en konden wij overdag aan het strand liggen en in het zwembad van het hotel zwemmen, maar we ontmoetten daar ook een gezin uit Dordrecht, de kunstschilder Bouke IJLstra en zijn vrouw José met hun drie kinderen Jessica, Gamila en Matthias. Zij zijn levenslange vrienden geworden. We konden uitstekend met hen overweg, we lachten om dezelfde dingen, hielden evenveel van spelletjes en deelden hun muzikale smaak. Dat was de popmuziek uit die tijd, waar zij veel verder in waren dan wij. Waren wij nog voornamelijk in The Beatles en Bob Dylan, dan luisterden zij in die tijd al naar Jefferson Airplane, The Byrds en Janis Joplin.

Wij hebben hen ontmoet via Papa en Yola. Bouke en José zaten op de begane grond, met een grasperkje voor de flat, terwijl Papa en Yola op de bovenste verdieping zaten. Het contact was vooral tot stand gekomen via Jeannot, die goed overweg kon met Matthias, en hele dagen beneden doorbracht, omdat hij het daar ‘zo gezellig’ vond. Ik kan me herinneren, dat we een keer met de IJlstra’s naar Malaga gereden zijn, en daar in een havencafé hebben zitten drinken en wat tapas hebben genomen, en dat we toen iets moesten afrekenen in de orde van grootte van een kwartje. Het stond allemaal met krijt op de bar genoteerd. Nogal eufoor en lacherig zijn we daar weggegaan. Oude jaar hebben we met z’n allen gevierd bij Papa en Yola. Yola had gezegd, dat we ons allemaal moesten verkleden, maar daar hebben alleen zij en Papa zich aan gehouden. Papa als oude tovenaar en Yola als zigeunerin, in navolging van A.M.’s beroemde romanheldin Poeske.

Terug in Nederland leerden wij pas goed de gastvrijheid van de IJlstra’s kennen. Wij werden al meteen in januari uitgenodigd om naar Dordrecht te komen, en maakten kennis in hun huis aan de Kromhout met een groot aantal van hun vrienden en vriendinnen. Er was veel te drinken en José bleek voortreffelijk thuis in de Indonesische keuken. En natuurlijk moesten wij op 13 maart terugkomen om Boukes verjaardag te vieren. Dat bleek later Gerda niet goed uit te komen, omdat zij nog wat had na te kijken voor haar doctoraal dat op 1 april zou plaatshebben. Ik ben toen alleen gegaan, en trof de inmiddels bekende situatie aan, met veel mensen, drank, eten en muziek. Zelfs had ik nog een amoureuze ontmoeting met T. Wij dansten op de muziek van Jefferson Airplane: Don’t you want somebody to love, zeer uitdagend gezongen door Grace Slick, en ik weet niet meer of ik haar verleidde of zij mij, maar in ieder geval spraken we af, dat ik haar naar huis zou brengen en bij haar zou blijven slapen. Dit gebeurde, en de volgende ochtend na het ontbijt fietsten wij terug naar IJlstra, waar wij meteen met een klein gezelschap in een auto stapten om een bezoek te brengen aan Herman Haan, architect en archeoloog, die woonde in de buurt van Gouda. Hij bleek een boeiende man te zijn, die prachtig kon vertellen over zijn Tellem-expeditie naar Oost-Afrika. Ik maakte daar ook kennis met de toen bekende acteur Rob de Vries.

’s Zomers hadden papa en Yola de IJlstra’s uitgenodigd voor een logeerpartijtje in Jaujac. Zij kwamen en raakten meteen in de ban van de Ardèche. In de komende tijd zijn zij zelf een huis gaan zoeken en vonden er uiteindelijk een op een berghelling in het dal van de Eyrieux, vlak bij St. Fortunat. Het was groot genoeg om ook een schildersatelier in onder te brengen, want Bouke wilde grote delen van het jaar in Frankrijk verblijven, en dan moest er natuurlijk ook gewerkt kunnen worden. Dit lukte goed, en zelfs wist hij ook daar exposities van zijn werk te organiseren. Een hoogtepunt op dit gebied was een expositie in Mirmande, een klein dorpje in de Drôme, die geopend zou worden door Ruud Lubbers, toen nog minister-president, met wie Bouke bevriend was. Het was een evenement van belang voor het kleine provincieplaatsje, compleet met politie-afzettingen, en na afloop het gebruikelijke grote feest bij Bouke en José thuis, waar Lubbers nog een paar dagen bleef logeren.

Kerst en Oud en Nieuw 1969 hebben wij weer doorgebracht in Zuid-Spanje, en naast de IJlstra’s waren ook hun vrienden Arie en Trees v.d. B. meegekomen, met wie wij inmiddels ook bevriend waren geraakt. Papa en Yola hadden nu een bungalow aan het strand van Benalmadena gehuurd, en Gerda en ik zaten in Fuengirola. Met Arie en Trees hebben we nog een uitstapje gemaakt naar Noord-Afrika. Met de auto van papa naar Algeciras en daar overgevaren naar Tanger. De kasbah bezocht en met een bus naar Tetuan, waar we geslapen hebben in een ijskoud en schamel hotelletje. De volgende dag weer terug.

Het volgende jaar, 1970, hebben we nog eenmaal een bezoek gebracht aan Zuid-Spanje. Het was de laatste keer dat we mijn vader zagen. In maart had Yola opgebeld dat papa in het ziekenhuis lag. Er was leukemie geconstateerd, en of ik over kon komen. Na overleg met mijn prof ben ik meteen de volgende dag op het vliegtuig gestapt. Yola zat nog steeds met Jeannot in de strandbungalow, en ik ben met ze op ziekenbezoek gegaan. Papa wist niet wat hem mankeerde, en het leek Yola ook beter om het hem niet te vertellen. Ze hadden net een huisje gekocht, en daar konden ze in zodra papa uit het ziekenhuis kwam. Toen we met de Kerst kwamen, zaten ze inderdaad in het nieuwe huis. Het hoorde een appartementencomplex dat gebouwd was in de vorm van een honingraat, nogal ongemakkelijk, omdat je daardoor binnen enkel schuine wanden had. Papa was nog steeds  niet op de hoogte van wat hem mankeerde, maar hij vertelde, dat hij regelmatig bloedtransfusies kreeg, en dat hij zich daarna altijd een stuk beter voelde. We zijn elke dag bij ze op bezoek geweest, en gingen een enkele maal ook naar Bouke en José, die er ook weer waren. Op oudejaarsavond moesten we terugvliegen, en veertien dagen later is papa overleden. Frieda had nog snel een reis geboekt en was op tijd om zijn laatste momenten mee te maken. Hij is 73 jaar geworden, en ligt begraven in Benalmadena. Het huisje in Jaujac hebben wij later, samen met een paar vrienden, van Yola overgenomen. Momenteel is het in het uitsluitende bezit van Lotje en Harry Sitters, waar wij nog geregeld op bezoek komen.

Op de Spiegelgracht was weinig verloop meer. IJsbrand woonde er nog en Hans en Hetty Rombouts,. maar zij zijn in juli 1968 verhuisd naar Amstelveen, waar zij een eigen huis gekocht hadden. Verder heeft er gedurende ruim twee jaar een medestudent/psycholoog, Schelte Bakker, gewoond, eerst alleen en later met zijn vrouw Beate, eveneens uit het ‘vak’. En dan nog wat kortstondige bewoners, zoals schaakgrootmeester Kick Langeweg, van maart tot en met juni 1965,  Rob Bakker, een minnaar van Else, en zelfs twee studenten van mij, Nol de Jong en Ton van de Bergh, die tijdelijk woonruimte zochten. Een jaar nadat wij in het bezit waren gekomen van het huurcontract, werd het huis verkocht. In de krant konden wij lezen, dat ‘huizen in de binnenstad veel geld opbrachten’, en inderdaad: het kapitale pand dat wij bewoonden, inclusief de fotozaak van Schuytvlot, ging voor fl. 72.000.- van de hand! De nieuwe eigenaar was Werkhoven, een wat protserige zakenman, die ons ‘bedrijf’ met lede ogen aanzag, maar er ook verder niets aan kon doen.

Sinds wij bevriend waren geraakt met Bouke en José, kwamen zij ook vaak naar Amsterdam, waar wij in die tijd eens per maand, op zaterdagavond, spelletjesavonden organiseerden. Er werd verwoed roulette, black Jack en poker gespeeld. Vaste gasten waren Bouke en José, met vrienden van hen uit Dordrecht, Jan en Marian, IJsbrand, Max Pam, en Else  en verder vele vrienden die zo nu en dan langs kwamen. Ik herinner mij één specifieke avond. Het was zaterdag en ik was jarig, en we hadden kaartjes voor een optreden van The Band in het Concertgebouw. Bouke en José zijn ook meegegaan. Ik vond het prachtig. Zoiets had ik nog nooit gehoord, en we zaten vlak vooraan voor de enorme speakers die aan de zijkanten van het podium waren opgesteld. Sinds die keer is The Band verreweg mijn favoriete groep gebleven, en ik kijk nog zeer regelmatig naar het optreden van hun laatste optreden: The Last Waltz, die ik op dvd heb. Ik heb zelfs na die tijd mijn snor laten staan, om toch maar enigszins op Rick Danko, de bassist/zanger, te lijken. Omdat op die avond ook een spelletjesavond gehouden zou worden, hebben wij de mensen wat later laten komen, wat geen probleem was, omdat de meesten in de regel toch pas tegen een uur of twaalf arriveerden. In het Concertgebouw hebben Gerda en ik ook nog The Byrds gezien, met de later beroemd geworden Rita Coolidge in het voorprogramma. Zij was toen nog onbekend, waardoor de mensen in de zaal tijdens haar optreden luidkeels: ‘We want The Byrds’ scandeerden. Met Bouke en José hebben we in Rotterdam nog de concerten van Eric Clapton en Frank Zappa met de Mothers of Invention bijgewoond. En hiermee is mijn bemoeienis met het poptijdperk wel zo ongeveer in kaart gebracht.

De schuld aan Gerda’s zus was inmiddels afgelost, en daarmee was ook de noodzaak om kamers te verhuren verdwenen. Op het laatst was IJsbrand nog de enige huurder. En hoe gezellig dat ook was, en hoezeer hij ook bij de Spiegelgracht hoorde, toch kregen Gerda en ik steeds meer de behoefte om een huis alleen te hebben. IJsbrand zou niet weggaan, daar hoefden we niet op te rekenen, en dus besloten wij ernstig te overwegen dan zelf iets anders te gaan zoeken. Er kwam bij, dat we dachten dat op den duur het trappenlopen een probleem zou kunnen gaan worden. De trap naar onze kamers ging over twee etages, gelijk aan de trappen in het Concertgebouw waarlangs de dirigent en de solisten op en neer moesten gaan. Wel te doen, maar in de winter moesten we dat doen met twee jerrycans van 20 liter petroleum, die we haalden bij Frits op de hoek. We hadden een oliehaard, maar geen olietank waaruit we de olie naar boven konden pompen. En dan kwamen er nog de boodschappen bij, als we met IJsbrand naar de Makro waren geweest, om weer voor een paar weken in te slaan. Het was nog een geluk, dat de vele kratten pils voor de spelletjesavonden zonder problemen door de medewerkers van Jonker, onze drankbroer, tegen een geringe fooi naar boven gesjouwd werden. Hoe dan ook, er waren genoeg argumenten te bedenken voor onze plannen om de Spiegelgracht te gaan verlaten. En niet alleen de Spiegelgracht,  maar waarom ook niet Amsterdam. We hadden een auto en konden dus makkelijk buiten gaan wonen. We waren dan ’s ochtends snel genoeg weer op ons werk.

In de zomer van 1972, onze laatste zomer op de Spiegelgracht, maakten we nog iets moois mee, dat de titel zou kunnen dragen niet van ‘de opstand der horden’, maar van ‘de opstand van de elite’. Het was een prachtige zomeravond, zoals ik ze alleen maar kende van voor de oorlog. Wij hadden een buurman, Tiller, die een antiquariaat dreef en woonde in een huis tussen ons huis en het café van Hans en Grietje, op de hoek. Hij ergerde zich al lang aan het stuitende geluid, dat iedere avond uit de buurtcafétjes naar buiten kwam, en besloot daar, geheel alleen, iets aan te doen. Op de bewuste avond zette hij het raam van zijn woonkamer helemaal open, en posteerde daar zijn luidsprekers, waarna hij een plaat opzette uit de Italiaanse barok. Vivaldi, meen ik. Het geluid werd hoog opgedraaid, waarna de prachtige klanken de Spiegelgracht op zweefden. Onmiddellijk bleven veel passanten getroffen staan om naar de wonderschone klanken te luisterden, met onder hen vele Amerikaanse en Japanse toeristen, die hun oren niet konden geloven. Om de feestvreugde nog te verhogen, zette Tiller voor zijn winkel een tafeltje neer met flessen witte wijn, en deelde daarvan gratis glazen uit aan de luisteraars. Natuurlijk waren IJsbrand, Gerda en ik ook van de partij, en prezen Tiller uitbundig om zijn aktie. Toen de plaat was afgelopen kwam er een volgende, en een volgende, Corelli, Telemann, en ga maar door. Wij konden ons geluk niet op. Maar wat gebeurde er: plotseling stopte er een politie-auto en sommeerde Tiller om onmiddellijk de muziek af te zetten, omdat er buren waren die geklaagd hadden over de geluidsoverlast. Tiller antwoordde, dat ze beter de muziek uit de cafétjes konden gaan verbieden, maar daar bleek de politie niet gevoelig voor. ‘Nou, dan ga ik door met mijn muziek, u ziet hoe de omstanders ervan genieten, wilt u ook een glas wijn?’ ‘Als u niet stopt, dan moeten wij u meenemen’, was de reactie. ‘Stoppen doe ik niet, en meegaan ook niet.’ Dat was het teken voor de politie om hardhandig in te grijpen. Zij pakten Tiller beet en sleurden hem zeer hardhandig achterin hun auto, waarna zij verdwenen naar het bureau Leidseplein. De omstanders waren zeer verontwaardigd. In plaats van het romantische verhaal dat zij mee naar huis hadden willen nemen, over dat wonderbaarlijke Amsterdam, waar ’s avonds de heerlijkste muziek over de grachten klonk, moest er nu weer een anticlimax in verwerkt worden. Wij, als buurtbewoners, vonden dat we het er niet bij moesten laten zitten, en IJsbrand, Gerda en de vriend van Tiller besloten om naar het bureau Leidseplein te gaan om Tiller op te halen. Maar de delegatie kreeg geen poot aan de grond, en Tiller werd gewoon vastgehouden. Onverrichter zake kwamen zij weer terug, waarna wij nog een tijdlang over het gebeurde hebben staan praten. Natuurlijk kwam Tiller om een uur of twaalf toch weer thuis, maar de euforie van een onvergetelijk zomeravondsprookje was toen al verdampt.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet meer, het zal wel een advertentie in de krant geweest zijn, maar in ieder geval reden we op een gegeven moment uit Amsterdam weg om een stolpboerderij in Hoogwoud te gaan bezichtigen. Het bleek een uurtje rijden te zijn, maar wat we zagen vonden we prachtig. Een stolpboerderij dus, met een rieten dak en op 2250 m grond, die omgeven was door een sloot. In de boerderij was, met behulp van heraclietplaten, een grote woonkamer met een keuken ernaast gebouwd, en verder waren er aan de voorkant twee kamers en een badkamer. Vanuit de zitkamer had je een prachtig panoramisch uitzicht naar het westen, over weilanden waar schapen graasden. Naast de zitkamer was een grote deel, waar bij voorbeeld de auto gestald zou kunnen worden. En over de volle breedte van de voorkant was een vliering, waar je met een ladder toegang toe had. Kortom, de romantische droom van elke stadsbewoner, en toen wij naar huis reden, hadden wij ook al min of meer besloten om het te kopen.  De prijs van f. 149.000 was, als we een hypotheek namen geen probleem.

We hebben dus snel besloten om ons in Hoogwoud te gaan vestigen, en toen moesten we alleen nog het vertrek van de Spiegelgracht op een plezierige manier zien te regelen. We wilden er graag een vriend in hebben, met wie we zouden kunnen afspreken dat wij in ieder geval de zolderkamer wilden houden, om zo een pied-à-terre in Amsterdam te hebben. Het is de schaker Hans Ree geworden, met wie we al een tijdje goed bevriend waren. Hij woonde toen nog op een zolderkamertje aan de Zeeburgerdijk, en wilde dolgraag meer woonruimte hebben. Maar hoe moesten we de huur op zijn naam overbrengen? We wisten vrijwel zeker, dat als we het aan Werkhoven, de eigenaar zouden vragen, hij zeker zou weigeren, omdat hij natuurlijk de ruimte liever in eigen beheer zou willen hebben. Daarom bedachten wij de constructie, dat wij gewoon de huur zouden blijven betalen, via afschrijvingen van onze girorekening, en dat Hans maandelijks eenzelfde bedrag zou terugstorten op onze rekening. De huur bedroeg in die tijd ongeveer f. 250.- per maand, een bescheiden bedrag, waarvan IJsbrand bovendien nog het grootste deel betaalde.

En dus eindigden we op de Spiegelgracht zoals we er waren begonnen: als kamerbewoners. We hebben er twaalf jaar gewoond, van september 1960 tot december 1972, en tot volle tevredenheid. Het was een prima plek, en we hebben er een hoop aardige mensen leren kennen. De regeling met Hans verliep goed, en ik heb vaak gebruik kunnen maken van de zolderkamer, toen ik eens per week met Harry Sitters musiceerde bij Crea, de gezelligheidsvereniging van de UvA. Wel, keken wij er van op, dat IJsbrand kort na ons vertrek ook een huis kocht, en de Spiegelgracht ging verlaten. Als wij dat eerder hadden geweten…Wij hadden op dat moment een goede vriendin, Lucie de V., die dringend om woonruimte verlegen zat, en dus boden wij haar IJsbrands ruimte aan, waar zij dolgelukkig mee was. Het leidde tot een brouille met Isa, de vriendin en latere vrouw van Hans, omdat zij vond, dat zij zeker mee hadden moeten beslissen over de bestemming van de kamer. Daar had ze gelijk in, maar wij hadden dat altijd zelf gedaan, en tot ieders tevredenheid en we dachten dat het nu niet anders was. Het is nooit meer goed gekomen tussen Isa en ons, en zij nodigde ons steevast ook niet uit voor een schaaktoernooi, dat zij jaarlijks organiseerde. Ik vond het zeer vervelend, maar gelukkig heeft het onze verhouding met Hans nooit in de weg gestaan.

Ons verblijf in Hoogwoud heeft zes jaar geduurd, want begin 1979 zijn we teruggekeerd in Amsterdam, waar we een mooi huis aan de Gietersstraat, in het hartje van de Jordaan, hadden gekocht. De noodzaak van een pied-à-terre verviel toen ook, en dus hebben wij ons definitief teruggetrokken van de Spiegelgracht. Het einde van een mooie periode.