Archive for July, 2011

De geheimtaal van het leven.

Posted by Mels de Jong on July 2nd, 2011 under Uncategorized  •  No Comments

Richard Powers.

Op 21 december 1991 schreef ik in de rubriek ‘De beste boeken’ in Vrij Nederland: ‘Dit jaar staat voor mij in het teken van Richard Powers. Na lezing van Op weg naar een dansfeest (Veen, f 39,90) en vooral The Goldbug Variations (William Morrow, importeur Van Ditmar, f 62,50) zijn alle andere boeken die ik gelezen heb plotseling naar het tweede plan verhuisd. En dan te bedenken dat er nog een derde boek van hem bestaat, Prisoner’s Dilemma, dat ik nog in handen moet zien te krijgen. Powers’ boeken zijn niet zomaar goed, nee, het lijkt of ze kwalitatief verschillen van de boeken die je doorgaans leest. Het is een soort totaalkunst waarin essay, wetenschappelijke verhandeling en fictie tot een wonderbaarlijke eenheid komen. En zijn stijl van schrijven is gevoelig, grappig, spannend, eindeloos genuanceerd en houdt mij in ieder geval in een voortdurende toestand van plezierige opwinding. Powers dus. In 1991 voor mij de man for all seasons.

Ik heb Richard Powers een maal ontmoet, toen hij een lezing hield in het Oost-Indiëhuis in Amsterdam. Carel Peeters had mij van te voren verwittigd, en natuurlijk ging ik er heen, met Gerda en een paar goede vrienden. Het moet niet lang geweest zijn nadat mijn bespreking van de The Gold Bug Variations in Vrij Nederland van 4 januari 1992 had gestaan. Carel zou een inleidend praatje houden, voordat Powers zijn lezing hield. Daarvoor had Carel mij al aan hem voorgesteld, en Powers, die Nederlands kan lezen door zijn verblijf in Limburg, zei dat hij mijn bespreking had gelezen, en dat hij het de beste bespreking vond die over het boek verschenen was. Ik was erg verbaasd, maar voelde me ook gestreeld. Het beste boek, dat ik ooit had gelezen, en ik was er in geslaagd om zelfs voor de schrijver ervan een goede bespreking te hebben geschreven. Bovendien kreeg ik van hem het mij ontbrekende boek Prisoner’s dilemma cadeau! Zo werd deze avond voor mij een van de hoogtepunten van mijn jaren bij Vrij Nederland . En het spreekt vanzelf dat ik de bespreking hierbij in haar geheel op mijn weblog zet.

Het geheimschrift van het leven. (Vrij Nederland, 4 januari 1992)

Toen ik kort geleden over Op weg naar een dansfeest van Richard Powers schreef, sprak ik, zeer onder de indruk van het boek, de vrees uit dat Powers met deze eersteling wel eens zijn meesterwerk geschreven zou kunnen hebben en dus de rest van zijn leven niet veel méér zou kunnen doen dan in spijtig verlangen omzien naar deze periode van goddelijke inspiratie. Het was voorbarig gezegd, want vlak na mijn bespreking (VN, 24-8-1991) kreeg ik The Gold Bug Variations in handen, dat alweer zijn derde boek is en dat mij bij lezing gevoelens bezorgde die zich moeilijk laten analyseren. Het liefst zou ik mij een half jaartje met het boek terugtrekken om mij met niets anders bezig te hoeven houden dan met het herlezen en overpeinzen van de tekst in een poging om verder door te dringen in het netwerk van raadsels dat Powers voor de lezer –en voor zichzelf_ heeft uitgezet. Op weg naar een dansfeest was een gecompliceerd boek en dat is The Gold Bug ook, maar er komt bij dat het thema van het boek in laatste instantie ongrijpbaar is, omdat het vraagt naar het raadsel dat verbonden is met de oorsprong van het leven en de vermetele pogingen die de laatste decennia zijn ondernomen om dit ‘raadsel’ tot een oplossing te brengen.

            De titel van het boek is natuurlijk ontleend aan het beroemde verhaal van Edgar Allan Poe, dat als prototype beschouwd kan worden van alle verhalen over een verborgen schat die alleen maar kan worden gevonden als men erin slaagt het geheimschrift te kraken van een brief die naar de schat verwijst. De held uit dat verhaal zegt dat hij ernstig betwijfeld ‘of de menselijke vindingrijkheid een enigma kan construeren zodanig dat die vindingrijkheid, mits op de juiste wijze toegepast, het niet weer zou kunnen oplossen.’ Maar dat is het juist: wat te doen met raadsels waarvan men het bestaan kent, maar die niet door mensen zijn ontworpen? Of, zoals Powers zegt: ‘Wij zijn het bijproduct van het mechanisme daar binnenin. Dus moet het ingenieuzer zijn dan wij. Iets dat ingewikkeld genoeg is om het bewustzijn te scheppen is misschien te ingewikkeld voor het bewustzijn om te begrijpen.’

            Met ‘het mechanisme daar binnenin’ doelt Powers op het DNA dat in de genen, de dragers van de erfelijkheid, is vervat. Elke cel in ons lichaam bevat in zijn kern het totele pakket aan erfelijkheid en geeft dit bij elke deling ook weer door aan de dochtercel. Sinds het onderzoek van Crick en Watson uit 1953 weten wij hoe het DNA-molecuul eruitziet: het heeft de vorm van een dubbele helix of spiraal, ongeveer als een wenteltrap. Langs de leuningen van deze trap bevindt zich bij iedere trede een van de in totaal vier basen: adenine, thymine, cytosine en guanine, of: a, t, c en g. De aanwezigheid van een bepaalde base aan één kant van de trede definieerty de base aan de andere kant, in de zin dat a altijd gepaard is met aan t en c altijd aan g. De inhoud van de erfelijkheid wordt bepaald door de volgorde van de basen die in een eindeloze streng langs de ‘trapleuning’ liggen. De informatie die hierin ligt besloten kan men zich dus voorstellen als een tekst die met behulp van een alfabet van vier letters wordt gevormd. Hierbij geldt dat de basen steeds in groepjes van drie, de zogenaamde codond, bij elkaar horen, omdat zij de code vormen voor de synthese ven bepaalde aminozuren, de bouwtenen van de proteïnen of eiwitten. De codons zijn, zou men kunnen zeggen, de eigenlijke letters van de tekst, terwijl zij in bepaalde samenstellingen ook dienst doen als als stopteken, om de ‘woorden’ of de genen van elkaar te onderscheiden.  Maar ook dan is men nog niet zover dat de genetische code ook werkelijk gekraakt kan worden. Wel weet men tegenwoordig welke codon voor welk aminozuur staat; maar dan kent men enkel nog maar het alfabet, meent Powers, terwijl om de boodschap te kunnen begrijpen ook de grammatica bekend zou moeten zijn. Anders is men niet veel verder dan de vertaalmachine die bij voorbeeld het Engelse ‘I am left behind’ omzet in ‘ik ben links achter.’

            De centrale figuur van het boek is Stuart Ressler; een briljante moleculair-bioloog die in 1957, hij is dan vijfentwintig jaar, wordt gegrepen door het werk van Crick en Watson een paar jaar daarvoor, en in hun voetspoor, samen met het team waarin hij wordt opgenomen, pogingen in het werk gaat stellen om de DNA-code te ‘kraken’. Deze periode beleeft men in flash-back , want het eigenlijke verhaal speelt zich vijfentwintig jaar later af. Ressler heeft dan een nederige functie als computerbediende in de nachtdienst van een onduidelijk bedrijf. Waarom? Wat is er gebeurd waardoor hij zijn wetenschappelijk onderzoek heeft laten zitten? Zijn collega-computerbediende, Frank Todd, een kunstgeschiedenisstudent van vijfentwintig, is zo gefascineerd door Ressler en de vragen die hij oproept, dat hij aan Jan O’Deigh, een vrouwelijke medewerker van de informatieafdeling van een nabije bibliotheek, vraagt alles aan de weet te komen omtrent Resslers verleden. Door dit werk ontstaat een band tussen hen beiden die later van amoureuze aard zal worden. En als Jan er een gewoonte van gaat maken om Dfrank ’s nachts op zijn werk op te zoeken, leert zij ook Ressler kennen die op een wat afstandelijk-belangstellende wijze meeleeft met hun verhouding.

            Dit drietal vormt samen met Jeanette Koss eenzelfde soort complementaire paren als de vier basen die ten grondslag liggen aan ons bestaan. Zij zijn de elementen die in onderlinge verbindingen de variaties doen ontstaan die Powers in zijn boek heeft trachten te vangen. Jeanette Koss is een collega uit Resslers researchperiode. Zij is getrouwd, maar dat verhindert haar niet om een onstuimige liefdesrelatie met Ressler te beginnen. En dan: onbedoeld is zij er ook de oorzaak van dat Ressler een einde maakt aan zijn onderzoek. Zij levert hem zelfs twee motieven daarvoor. In de eerste plaats een grammofoonplaat van Bachs Goldbergvariaties (zie nog eens de titel van het boek). De muziek onthutst hem, omdat hij in de eindeloze variaties op het uitgangsthema met behulp van viertoonsreeksen niets anders kan zien dan de ontdekking van Crick en Watson, maar dan vertaald naar de menselijke creativiteit en tweehonderd jaar eerder. Een tweede moptief is zijn verliefdheid, waar zijn reductionistische instelling geen weg mee weet. Powers schrijft: ‘Hij is verloren voor de wetenschap op het moment dat hij niet in in woorden, in chromosoomstrengen kan vangen waarom hij van deze vrouw houdt. Reductionisme levert geen verklaring, behalve haar kleding, lukraak, in niet bij elkaar passende pasteltinten; haar bekoorlijke argeloosheid tussen de benen, de absolute lichtheid van haar ledematen die tegen de zwaartekracht in alle kanten tegelijk op gaan, haar ronde wangen, haar grote, verschrikte ogen van een kind, haar bezoeken, snel en kort als waren zij toevallig.’ Elke poging om op grond van deze elementen zijn gevoelens te construeren kan op zijn best iets opleveren dat erop lijkt, iets als vertaalde literatuur. Het is niet ‘the real thing’. En evenzo beseft hij dat de ‘de droom dat reeksen base-paren over zichzelf  zouden kunnen praten in een hogere grammatica’ inderdaad niet meer is dan een droom van het gesynthetiseerde organisme. Het totaal valt niet te herleiden tot de oorspronkelijke elementen. Men zal het leven moeten leven zonder zichzelf tot in de fundamenten te kennen. Als Ressler de wetenschap vaarwel zegt, bekeert hij zich daarom haast vanzelfsprekend tot de muziek, waar het scheppingsproces, zoals Bach heeft laten zien, langs analoge paden verloopt.

            Het is dus niet uit teleurstelling in de wetenschap dat Ressler zich terutrekt, want Powers laat hem op het punt staan belangrijke ontdekkingen te doen, die in werkelijkheid pas in de jaren zestig tot stand kwamen. Maar er komt nog iets bij, een bepaald soort pessimisme dat naar het zich laat aanzien ontleend is aan het intrigerende boek The Selfish Gene van Richard Dawkins, zonder dat dit trouwens genoemd wordt. Dawkins ziet het gen als een blinde kracht die gericht is op zijn voortbestaan en het ‘gastheerorganisme’ enkel ziet als een wegwerpartikel dat door zijn vermogen tot voortplanting dit voortbestaan garandeert. Bij Powers heet het: ‘Plotseling zie ik DNA als een ingeieuze parasiet (…): organismes zijn slechts een noodzakelijk kwaad, de manier die het DNA heeft ontdekt om meer DNA te maken.’ Hoe dwingend het DNA ‘aanzet’ tot voortplanten illustreert Powers in zijn boek door de beide vrouwelijke hoofdpersoenen, Jan en Jeanette, onvruchtbaar te laten zijn. Jeanette door organische oorzaken en Jan vrijwillig, door sterilisatie. Als Jan ontdekt dat Frank naast haar nog een vriendin heeft, beseft zijn onmiddellijk de reden: ‘Met mij kon hij geen leven schrijven waarbij een tweede druk op zijn minst voorstelbaar was. Hij was gedoemd een gezond-zaaddragend lichaam te blijven. Mijn afbinding beroofde hem van eventuele mogelijkheden.’ En als Jeanette een verhouding met Ressler begint, weet zij weliswaar dat zij geen kinderen kan krijgen, maar weigert zich daarbij neer te leggen. De hartstocht die zij in deze liefde legt valt voor een deel uit haar wanhoop te verklaren. Uiteindelijk zal zij toch haar man vergezellen als hij elders een baan krijgt en de adoptie van een kind overwegen.

            The Gold Bug Variations is geen boek dat je gemakkelijk weglegt. Toen ik het uit had en het opnieuw doorkeek voor deze bespreking had ik sterk de neiging om maar weer te blijven lezen. Ook wel omdat het een ‘moeilijk’ boek is, waar voortdurend nieuwe dingen in te ontdekken zijn, maar vooral toch omdat het echt prachtig geschreven is. Powers’ taalgebruik is zo gespeend van clichés en pasklare wendingen dat het is of je weer voor het eerst leert lezen. En dat is een verfrissende gewaarwording. Het maakt dat je ook de gevoelens waarmee hij over zijn personages schrijft direct meebeleeft. Ik merkte het al in Op weg naar een dansfeest, en dit keer gebeurde het opnieuw: ik werd op slag verliefd op sommige van zijn vrouwelijke hoofdpersonen. Ongebruikelijk, maar niet onplezierig. Dat het boek ‘geconstrueerd’ is, is zeker waar, maar dat houdt in dit geval geen diskwalificatie in, omdat het inherent is aan bepaalde bedoelingen van de schrijver om de lezer vetrouwd te maken met het ‘geheimschrift’ van het leven. In wezen simpel, de eerste woorden zijn ook ‘What could be simpler?’ maar zich vervolgens uitbreidend in niet overzienbare variaties en organisaties. Enh zo is het boek ook, opgezet, trouw de Goldbergvariaties volgend. Het begint met een aria die, net als Bachs werk, wordt gevolgd door dertig variaties, ondergebracht in dertig hoofdstukken, om weer te besluiten met de aria. Laatste woorden ‘Da capo e fine. What could be simpler? In rough translation: Once more with feeling.’ En zo gaan we maar door, eindeloos door. En ik, als lezer, wil niets liever.