Archive for August, 2011

de vroege jaren

Posted by Mels de Jong on August 17th, 2011 under Uncategorized  •  2 Comments

                                                      RETROSPECTIEF

 

                                                       De vroege jaren.

 

 

                                                                   1932

 

1932, het jaar van mijn geboorte. Op 6 juni, om een uur of twee ’s nachts. Mijn ouders waren al naar bed gegaan, toen mijn moeder de eerste weeën kreeg. Mijn vader heeft haar ijlings in een taxi naar het protestantse ziekenhuis in Roermond gebracht, waar een vriendin van mijn ouders, Corrie Spee, directrice van het ziekenhuis en door ons tante Corrie genoemd, al klaar stond, en mijn moeder naar een bevalkamer bracht. Zij lag nog maar nauwelijks in bed, of zij katapulteerde mij al naar buiten, waar ik aan het voeteneinde belandde. Een vlotte bevalling, mag wel gezegd worden. Een week daarvoor, op 28 mei, had mijn vader naam gemaakt door vanuit de lucht de beroemde foto’s te maken van het dichten van de Afsluitdijk. Op grond hiervan werd hij uitgenodigd om bij de luchtkarteringsdienst in Nederlands-Indië te komen werken. Hij had er veel zin in, maar legde zich neer bij een krachtig veto van mijn moeder.

            In de grote wereld was het een rumoerig jaar. De depressie beleefde haar dieptepunt. Hitler werd Duits staatsburger, doordat hij in de deelstaat Braunschweig tot Regierungsrat werd benoemd. Daarvoor was hij statenloos, omdat hij na het einde van de oorlog zijn Oostenrijkse nationaliteit had verloren. Het Duitse staatsburgerschap was belangrijk voor hem, omdat hij nu kon meedingen naar het presidentsschap. Toch lukte het hem niet om bij de verkiezingen in maart/april een meerderheid te verwerven. De oude Hindenburg kreeg 53% van de stemmen, terwijl Hitler bleef steken op 36,8%. Het was het laatste jaar voordat Hitler, in januari 1933 aan de macht kwam.

            In Frankrijk werd begin mei president Paul Doumer vermoord door een geestelijk gestoorde Rus. Hij werd opgevolgd door Albert Lebrun. Bij zijn aantreden had Doumer gezegd: ‘Ik ben de dertiende president van Frankrijk en op een dertiende verkozen. Ik moet wel vermoord worden.’ Dertien maanden later gebeurde dit inderdaad.

            De Verenigde Staten kozen in november Roosevelt tot president. Hij zou met zijn New Deal-politiek een belangrijke stap zetten om het vertrouwen in de banken te herstellen en daarmee de weg naar herstel van de depressie aan te geven.

            Lang zijn wij niet in Roermond gebleven, want al in 1933 verhuisden mijn ouders met hun twee kinderen naar Eindhoven, waar zij een ruim huis betrokken aan de Blaarthemseweg, in het uiterste westen van de stad. Als je die weg vervolgde, verliet je Eindhoven en kwam je  uiteindelijk in Meerveldhoven. Aan een kant van het huis was een gangetje, waardoor je op het terrein achter het huis belandde. Er was daar een garage, waar mijn vader zijn auto in kon parkeren, en verder was er een grote tuin, die doorliep tot een sloot. Aan de andere kant van het gangetje woonden de buren, Slingerland, met ook twee kinderen, net als bij ons ook een ouder meisje, Lietje, en een jongen, Jan. Verder nog een witte keeshond, die luisterde naar de naam Tippie. Met de Slingerlands raakten we al snel bevriend, en dat is altijd zo gebleven. Toen wij eind jaren dertig naar Stratum verhuisden, deden zij dat ook. Zij woonden toen in een ruime villa aan de Aalsterweg. Hij was aannemer, verdiende goed, en dat werd in de oorlog alleen maar beter, toen hij als bunkerbouwer mee heeft gewerkt aan de aanleg van de Atlantik-wal. Het heeft de vriendschap nooit in de weg gestaan. Hij was ook een verwoed jager, en omdat mijn ouders hun verjaardagen in het jachtseizoen, in november hadden, werd er in die tijd altijd vaak wild door hem gebracht, of het nu een haas was, of een paar eenden, patrijzen of fazanten.

            Hoe raar zaken kunnen gaan, bleek in de oorlog. Terwijl Jan Slingerland bezig was met de Atlantikwal, zat zijn broer Joop in Amsterdam in het verzet. Op een gegeven moment werd hem daar de grond te heet onder de voeten en moest hij onderduiken. Jan heeft toen bij mijn ouders geïnformeerd of dat bij ons kon, en zij hebben meteen toegestemd. Het was geen gemakkelijke onderduiker, want hij was ronduit onvoorzichtig. Overdag maakte hij grote wandelingen op de hei, en hoewel mijn moeder hem heeft laten beloven, dat hij niet mocht zeggen, dat hij bij ons onderdak was, waren het toch steeds weer spannende momenten. Wij hadden trouwens ervaring met onderduiken, want ook een dochtertje van Joodse vrienden van ons, de Hartogs van no. 28, Clarie, heeft enige maanden bij ons in huis gezeten, tot er een nieuw onderduikadres voor haar was gevonden. Een probleem was, dat zij iedere dag naar school moest, en dan langs haar ouderlijk huis kwam, dat was gevorderd door Duitsers. Maar mijn moeder had gezegd, dat zij haar schooltas onder haar linkerarm moest houden en voor haar borst, zodat de ster niet te zien was. Het hele gezin heeft de oorlog overleefd. Zij hadden dus kennelijk goede adressen weten te vinden.

            In het huis aan de Blaarthemseweg hebben we vijf jaar gewoond, mijn vroegste kindertijd, en de eerste klas van de lagere school. Het was een prettig huis. Frieda en ik hadden een eigen speelkamer, die boordevol speelgoed lag, en een grote slaapkamer op de bovenste, derde verdieping van het huis. Er was evenwel nog geen warm en koud stromend water, zodat we werden gewassen uit een lampetkan. Ik herinner me, dat het vooral een gezellig huis was, zeker ’s winters, als Sinterklaas en Kerstmis uitvoerig werden gevierd. Er waren ook vaak logé’s en Frieda en ik hadden trouwe vrienden en vriendinnen bij de familie Jansen. Een  katholiek gezin, dat een kruidenierswinkeltje had op een tweehonderd meter van ons vandaan, aan dezelfde weg. Zij hadden zes kinderen, drie jongens en drie meisjes. Frieda was bevriend met het tweede meisje, Marietje, en ik met de tweede zoon, Wim. De verstandhouding was zo goed, dat als mijn ouders eens een week-end weg waren , wij daar altijd mochten logeren. Dat was een feest voor ons, niet alleen omdat wij met z’n allen in twee grote bedden mochten slapen, waar veel pret gemaakt werd, maar ook omdat wij op zondagochtend, als iedereen naar de kerk was geweest,  ‘sop-in-de-pan’ kregen, waar wij allebei gek op waren. Het bestond uit een grote koekenpan, waarin spekjes uitgebakken waren, en we hadden in dobbelsteentjes gesneden boterhammen voor ons, die we dan met de vork in het spekvet konden dopen. Een lekkernij, waar ik nog wel eens met weemoed aan terugdenk. Ik kan me de smaak nog precies voor de geest halen. Ook zult en balkenbrij waren gewaardeerde onderdelen van het menu. De jongens waren enthousiaste voetballers, vooral de oudste, Piet, die later als midvoor in de Gestelse voetbalclub Veloc ging spelen, en zelfs wel is uitgenodigd voor een vertegenwoordigend elftal, misschien het zuidelijke, dat weet ik niet meer. Toen mijn vader dan ook eens een leren voetbal voor ze meebracht, waren zij in alle staten van verrukking. Soms liep ik met Wim en een broer het onverharde pad langs hun huis af, dat tussen weilanden en korenvelden voerde, en vingen dan, in het goede jaargetijde meikevers, of mulders, zoals zij het op z’n Brabants noemden. Ik vond het  een prettig gevoel om ze over mijn hand te laten lopen, en besloot er eentje mee naar huis te nemen in een lucifersdoosje. Groot was mijn teleurstelling, toen hij de volgende morgen dood bleek te zijn, hoewel ik er toch een blaadje bij had gedaan.

            In deze tijd gebeurde iets, wat ik lang niet heb begrepen. Elke ochtend kwam de melkboer langs, een boer die schuin aan de overkant woonde, en waar mijn moeder onveranderlijk: ‘Drie liter, graag’ tegen zei. Tegen mijn vader zei ze vaak in dit verband lachend: ‘Heil Hitler, drie liter’, omdat ze dat leuk vond rijmen. Op een keer toen de melkboer weer belde, stond ik naast haar, en toen zij de deur opende zei ik, nog voor zij iets had kunnen zeggen: ‘Heil Hitler, drie liter.’  waarna ik een enorme draai om mijn oren kreeg van haar. Ik was zo verbaasd dat ik zelfs vergat om in huilen uit te barsten.

            In de zomer van 1936 werden de opnames gemaakt van de film Merijntje Gijzen. Natuurlijk was mijn vader van de partij toen de buitenopnames in West-Brabant werden gefilmd, en vanwege het bijzondere evenement nam hij zijn hele gezin mee. In mijn A.M. de Jong-biografie schrijf ik hierover: ‘Dat leverde mij, die, op dat moment vier jaar was, mijn eerste bewuste herinneringen op. Wat ik nog voel is een wat landerige stemming van verveeld met mijn zusje langs een dijkweggetje hangen tussen grote mensen die het te druk hadden om zich met ons te bemoeien, en een Merijntje dat zich daar kennelijk te groot voor voelde, en bovendien voortdurend wordt weggeroepen voor een opname.’ Ik was ook zeer geïmponeerd door de kolossale gestalte van de regisseur Kurt Gerron. Zo’n dikke man had ik nog nooit eerder gezien.

            Toen ik in 1938 zes jaar werd, moest ik natuurlijk naar school. Voor het eerst, want naar een kleuter- of fröbelschool was ik nooit geweest. Ik vond het zeer interessant. Frieda was me al voor gegaan, en had me al voorbereid op wat mij te wachten stond. In die wijk van Eindhoven waren nog geen openbare scholen, zodat wij waren aangewezen op katholieke scholen. Frieda zat op een school, waar werd lesgegeven door nonnen. Wat ik mij van de school van Frieda herinner, is dat zij daar veel rijmpjes leerde, die zij op zondagochtend moest opzeggen voor pappa en mamma, die daartoe door haar naast elkaar werden neergezet op twee rechte stoelen. Ik vond het nogal kinderachtig, en verwachtte van mijn ‘jongensschool’ heel andere dingen. Op de eerste ochtend werd ik weggebracht door mijn moeder, maar alle volgende keren ging ik samen met mijn vrienden Wim en Jo Jansen. Het was nog een heel eind lopen. Een minuut of twintig, schat ik. We moesten voorbij de Gestelse kerk, en dan even later schuin rechtsaf, de Bennekel in, zoals die wijk volgens mij heette. Daar zag je dan in de verte de school, een groot gebouw, opgetrokken uit rode baksteen. Bij mijn laatste bezoek heb ik het niet meer terug kunnen vinden. Ik heb er een dik half jaar opgezeten en werd met enige onderscheiding behandeld, omdat ik de enige niet-katholieke jongen was. Maar ik zal ook wel de beste geweest zijn, en de braafste, resulterend in hoge cijfers voor vlijt en gedrag. Of ik ook het lievelingetje van de meester was, weet ik niet, maar het zou kunnen, want op een keer, toen hij zijn laatste sigaret uit zijn doosje opstak, liep hij langs mijn bank en gaf mij achteloos het lege doosje, dat ik nog een tijd lang als een kleinood heb bewaard.  Natuurlijk ontkwam ik er niet aan, dat ik ook, samen met de andere jongens de ‘Wees-gegroetjes’ en de ‘Onze vaders’ moest opzeggen, en de catechismus moest leren, maar ik hoefde niet mee op het uur dat de hele klas ging biechten, ik meen op donderdag. Dan mocht ik in mijn eentje in de klas blijven om wat te tekenen. Veel herinneringen heb ik niet aan deze maanden. Niet meer dan een totaalindruk van wat stijf geklede jongens, die allemaal onfris roken naar een mengsel van urine, vuile kleren en ongewassen zweetgeurtjes. Maar aan het einde van de dag wachtten mijn vrienden mij weer op en liepen we gezamenlijk naar huis, waar ik bij Jansen altijd nog wel even mee naar binnen ging en wat snoep uit het kruidenierswinkeltje kreeg.

            Dat ik maar een half jaar daar op school gezeten heb, komt omdat we in april 1939 gingen verhuizen naar een nieuw huis, in een ander deel van Eindhoven. Van het uiterste Westen van de stad gingen we naar het uiterste Zuiden, van Gestel naar Stratum. Ik denk dat daarvoor een aantal factoren hebben meegespeeld: in de eerste plaats vonden onze ouders het niet prettig dat hun kinderen een schools-katholieke opvoeding kregen, maar belangrijk was zeker ook, dat mijn moeder vond dat ze langzamerhand toe was aan enig modern comfort, bij voorbeeld de luxe van warm en koud stromend water. Tot nog toe werden Frieda en ik altijd gewassen met koud water uit de lampetkan, dat daartoe in een grote kom werd uitgegoten. En in het nieuwe huis was sprake van een echte, ingebouwde badkuip, waar zomaar warm water in stroomde en waarin je je ook nog eens kon afdouchen met een handdouche. Wat misschien de doorslag heeft gegeven, was dat je de nieuwbouwhuizen in de Boerhaavelaan en de Pasteurlaan onder aantrekkelijke voorwaarden kon huren. Dat wil zeggen, dat men het eerste half jaar geen huur hoefde te betalen.

Toch ben ik nog vaak teruggegaan naar Gestel, de laatste keer in 2009, toen wij op vakantie waren in Brabant. We hebben voor ons oude huis gestaan. Het was zo te zien tot de grond toe afgebroken en opnieuw opgetrokken. De indeling leek nog hetzelfde, met de voordeur in het midden en daarnaast de ramen van de twee grote kamers, rechts de vroegere zitkamer, en links wat onze speelkamer was. Het gangetje tussen ons huis en dat van Slingerland, bestond nog, maar was nu afgesloten door een hek. Het huis van Slingerland was nog het oude huis, zij het waarschijnlijk gerestaureerd. Het winkeltje van Jansen, op nummer 21, was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een woonhuis.

            Ik vond de nieuwe omgeving zeer interessant, vooral ook omdat er aan de overkant, de onevenkant van de Boerhaavelaan en in de Pasteurlaan, nog druk gebouwd werd. Het leverde spannende speelterreinen op tussen de grote hoeveelheden bouwmaterialen die daar overal verspreid lagen. En het huis glom van nieuwheid, en rook ook zo. Beneden waren twee grote kamers, verbonden door schuifdeuren, een hal en een gang die naar de keuken voerde, en aan de gang een kelder en een wc. Boven ook weer twee grote slaapkamers, aan de voorkant sliepen Frieda en ik en aan de achterkant onze ouders. Aan de voorkant was ook nog een kleine zijkamer, en aan de achterkant werd die ruimte in beslag genomen door de badkamer, met het warm en koud stromende water. Ik kreeg er niet genoeg van om dat wonder steeds opnieuw te proberen. Op de tweede etage, want die was er ook nog, bevond zich weer een grote achterkamer, de logeerkamer, en aan de voorkant een grote zolder. Een kleine zijkamer achter was bedoeld als donkere kamer voor mijn vader. Buiten het huis was een klein voortuintje, en een grotere achtertuin, die uitkwam op een grote plaats waaraan een aantal garages lagen, waarvan de derde van rechts van ons was. Die plaats was te bereiken via een doorgang tussen de huizen genummerd 32 en 30. Wij woonden op 34. De  plaats was gelegen achter de huizen die genummerd waren van 26 tot en met 36.

            De nieuwe school, waar wij natuurlijk na een paar dagen wennen aan het nieuwe huis, naar toe moesten, was een openbare, en dus een gemengde school en lag op een klein kwartiertje lopen van ons huis aan het Kerstroosplein, tussen de Leenderweg en een plantsoen, dat precies een hectare groot was, zoals wij op school leerden. En een zuiver vierkant, van honderd bij honderd meter. De eerste tijd liepen wij daar naar toe met twee kinderen uit de Pasteurlaan, Hans en Marijke Kampman. Hans was net zo oud als Frieda en Marijke was van mijn leeftijd, en zat ook bij mij in de klas. Hun vader was wiskundeleraar en ik zou later, in de eerste klas van de HBS nog enige maanden les van hem krijgen. Ik kwam veel bij hen over de vloer en heb daar hele middagen in boekjes van Bruintje Beer zitten lezen. Zij waren geabonneerd op het Algemeen Handelsblad, waar het verhaal als strip in verscheen. Hoeveel kranten wij ook thuis hadden, het Handelsblad was er niet bij. Mijn vader las, met het oog op zijn werk, voornamelijk regionale bladen als de Limburger Koerier en de Maasbode, en natuurlijk een Eindhovense krant, ik meen het Eindhovens Dagblad. Geabonneerd waren wij, als rechtgeaarde socialisten, op Het Volk, met de strip van Bulletje en Bonenstaak. Zodra daar boekjes van verschenen, kregen wij die natuurlijk van mijn oom. Toch zag ik elke dag met de meeste spanning uit naar de Limburger Koerier, omdat daar een strip in stond over King van de Bereden Brigade, die de meest spannende avonturen beleefde. Later, toen ik van mijn ouders een abonnement kreeg op Doe Mee (Doe mee met Doe Mee, maak je vriendje abonnee!) bleek King tot mijn grote vreugde ook daarin opgenomen te zijn.

            Toen wij nog maar net in de Boerhaavelaan woonden, werd mijn vader ernstig ziek. Hij kwam op een keer met de auto terug van een reportage en was kletsnat van het zweten. Toen mijn moeder hem temperatuurde bleek hij hoge koorts te hebben. De dokter die er bij gehaald werd, constateerde een dubbele longontsteking en liet hem onmiddellijk in het Sint Jozefziekenhuis opnemen. Daar bleek de toestand zo ernstig te zijn, dat er een gerede kans bestond, dat hij het niet zou overleven. Mijn moeder, die met de zorg voor mijn jongste zusje zat, dat nog geen jaar oud was, zat met haar handen in het haar, maar gelukkig boden goede vrienden van ons, die in de wijk Strijp woonden, aan om zolang de ziekte duurde, Frieda en mij in huis op te nemen. En zo kwamen wij tijdelijk bij oom Jurry en tante Diet in de kost. Zij hadden een dochtertje, Jopie, dat iets jonger was dan ik, en nog een klein zoontje. Ik weet niet meer hoe lang wij daar gebleven zijn, maar mijn zevende verjaardag, op 6 juni, heb ik daar gevierd, hoewel gevierd natuurlijk niet het juiste woord is. Het was een angstige en beklemmende tijd, waarin de volwassenen steeds met elkaar fluisterden als Frieda en ik in de kamer waren. Wat ik mij nog kan herinneren was, dat ik nergens zin in had, nooit vrolijk was, en alleen maar aan pappa zat te denken. Ik heb die stemming later prachtig beschreven teruggevonden bij Kees de jongen, van Theo Thijssen, als hij het heeft over de periode voorafgaande aan de dood van Kees’ vader. Mijn vaders broer, A.M. de Jong, die op dat moment in Menton met vakantie was, werd snel op de hoogte gebracht, en kwam onmiddellijk met het vliegtuig terug, in het bezit van een nieuw medicijn, dat in Nederland nog niet te krijgen was. Of het door dit medicijn kwam valt moeilijk na te gaan, maar mijn vader werd beter. Zelf is hij er altijd vast van overtuigd gebleven, dat hij zijn leven te danken had aan zijn broer, aan oom A, zoals hij bij ons thuis genoemd werd.

            Ik vond het erg prettig op de nieuwe school, en behoorde, samen met een meisje, Tinie Thijs, tot de uitblinkers. Een staaltje van ons genie konden we eens tijdens een rekenles laten zien, toen de meester de sommen op het bord schreef. We rekenden nog maar tot tien, maar tot onze verrassing stond er ook een som bij van 4 + 7 =. Tinie en ik keken elkaar vragend aan, en ik zei zachtjes tegen haar: ‘Ik denk dat het elf is, want drie en zeven is tien, en dan komt er nog een bij.’ ‘Ja, dat denk ik ook,’ zei ze bevestigend. We vonden het heel knap van onszelf.

Voor het eerst werden we op school met de mogelijkheid van een naderende oorlog geconfronteerd, toen, na de grote zomervakantie, onze meester niet meer terug kwam: hij was gemobiliseerd. Voor hem in de plaats kwam een onderwijzeres, juffrouw Olthof, die prachtig kon voorlezen uit Bolke de Beer. Naast rekenen en taal was tekenen mijn liefste bezigheid. We kregen een schrift, waarin we, als we klaar waren met de sommetjes, mochten tekenen. Op een keer maakte ik een tekening van twee koeien, van welke de achterste met zijn voorpoten op het achterlijf van de voorste stond. Het was een tafereeltje, dat ik vaak in de weilanden op weg naar school had waargenomen, en dat mij zeer intrigeerde. Waarom deden die stomme koeien dat nou? De tekening was goed geslaagd, want de volgende ochtend tijdens het speelkwartier zag ik hoe juffrouw Olthof met het schrift over de schoolplaats rondliep en de tekening toonde aan de andere onderwijzers en onderwijzeressen. Er werd danig om gelachen, zonder dat ik ook maar enigszins begreep waarom. Toen ik het ’s middags aan mijn moeder vertelde, begon zij ook te lachen, maar wijzer werd ik niet. Ik begreep alleen dat ik wel een heel grappige tekening had gemaakt, en hield het er maar op dat het om de onnozele uitdrukking op de koeienkoppen ging, die ‘recht in de lens’ keken.

Ik kreeg in die tijd een fietsje, knalrood, en een doortrapper, zodat ik niet kon freewheelen, maar voortdurend moest blijven trappen. Ik was er al snel zeer behendig op, en maakte grote tochten. Een van mijn doelen was onveranderlijk een bezoek brengen aan Wim Jansen, die nog steeds mijn beste vriend was, en nu op de ambachtsschool zat om een opleiding tot timmerman te volgen. Ik reed dan via de Floralaan en de Aalsterweg de Poelhekkelaan in. Daarachter liep het riviertje de Tongelreep, waar een zeer smal ijzeren voetgangersbruggetje overheen lag. Met mijn fiets kon ik er net over. Daarna reed ik door de velden, en langs een windmolen, waar wij in de oorlog tarwe tot bloem lieten malen om brood te kunnen bakken, naar Gestel. Ik denk dat ik er een dik half uur over fietste. Ook fietste ik, na de ziekte van mijn vader, wel naar oom Jurrie en tante Diet in Strijp. Om daar te komen, moest je op het laatst langs een weg met ontelbare bochten, die af en toe bestraat was met klinkers, waardoor het fietsen geen lolletje was. Ik fietste daar extra hard, om er zo snel mogelijk overheen te zijn.

Zo verliep het tweede schooljaar vrij rustig. Ik deed het goed op school, was duidelijk het lievelingetje van juffrouw Olthof, en drong er bij mijn ouders op aan, dat ik ook de boekjes van Bolke de Beer zou krijgen, zodat ik voor mijzelf de avonturen van het beertje kon volgen, die op school werden voorgelezen. In de straat maakte ik vriendjes met Pieke van Beek, de oudste zoon van een rijschoolhouder, en met Joost, wiens .vader leraar Nederlands was aan het St. Joriscollege. Wij woonden alle drie aan de even kant van de straat, en merkten dat aan de oneven kant een aantal jongens een club hadden, die De Witte Hoedjes werd genoemd, omdat zij witte linnen petjes droegen, die eruit zagen als de kwartiermutsen van soldaten. Wij stonden op voet van oorlog met hen, maar zonder dat er ooit sprake was van ernstige schermutselingen. Wel herinner ik mij, dat ik een keer werd gevangen genomen, en in het padvindersbos, achter de Pasteurlaan, aan een boom werd vastgebonden. Het heeft zeker een paar uur geduurd in mijn herinnering voor zij weer terugkwamen om mij te bevrijden. Een andere keer had ik de stok van hun hoofdman, Henk Jansen, veroverd, en mee naar huis genomen. Ik had daar wel wroeging over, en besloot de stok terug te brengen. Aanbellen durfde ik niet, en daarom schreef ik naast het huis met de stok in het zand: Hier is de stok trug. Op dat moment kwam Henks oudere broer Gerard naar buiten, en keek naar wat ik geschreven had. ‘Daar moet nog wel een e tussen,’ zei hij, met iets van minachting in zijn stem.  Ik verbeterde het, en liep diep beschaamd terug naar huis. Hoe had ik zo stom kunnen zijn. Alsof ik dat niet zelf wist, van die e.

Maar toen kwam 10 mei 1940, en werden Frieda en ik in alle vroegte gewekt door mijn moeder, die zei dat de oorlog begonnen was. Wij renden naar het raam, omdat wij duidelijk het geronk van vliegtuigen hoorden, en zagen hoog in de lucht grote aantallen zilveren vliegtuigen die in formatie in Westwaartse richting vlogen en witte strepen achter zich lieten. Het was prachtig weer, en de zon schitterde op de vliegtuigen. Wij naar beneden waar mijn vader naar de radio luisterde, waaruit ik alleen maar hoorde over parachutisten die uit de vliegtuigen sprongen. We gingen snel ontbijten, want wij moesten daarna in de auto naar Den Bosch, waar mijn vader zijn zaken moest regelen met Staal, de regionale baas van Ons Zuiden, waar mijn vader voor werkte. Buiten Eindhoven kwamen wij onmiddellijk terecht in een militaire kolonne van vrachtwagens, waaruit de soldaten achterin vrolijk naar ons zwaaiden, terwijl mijn moeder alsmaar mompelde: ‘Arme jongens, die gaan allemaal hun dood tegemoet.’ In Den Bosch bij Staal vond ik het nogal saai, omdat er alleen maar gesproken werd over dingen waar ik niets van begreep, en voor ons kinderen was er totaal geen aandacht, zodat Frieda en ik besloten om maar naar buiten te gaan en daar wat rond te kijken.

De volgende dagen hoefden we niet naar school, en hadden dus voldoende tijd om te zien waar de mensen in de straat mee bezig waren. In veel tuintjes werden grote kuilen gegraven, die met planken en zand werden overdekt en die moesten dienen als schuilkelders, voor het geval de strijd ook Eindhoven zou bereiken. Aan het einde van de Boerhaavelaan waren de mannen bezig met het graven van een enorme kuil om de vuilnisemmers in te legen, want men verwachte niet dat de vuilnis de komende tijd gewoon zou worden opgehaald. Thuis plakten mijn ouders zwarte stroken plakband op de vensters, om te verhinderen dat de scherven in het rond zouden vliegen, en mijn moeder had al meteen de badkuip vol laten lopen met water, want dat zou de komende tijd ook wel schaars worden. Op een gegeven moment was er het gerucht dat er Franse troepen in aantocht waren over de Aalsterweg. Omdat die vlak achter onze straat liep, zijn wij die avond gaan slapen bij kennissen op de Leenderweg, de straat achter onze school, dus ook niet echt op een veilige afstand. Maar avontuurlijk was het wel. De volgende ochtend zijn we niettemin toch maar weer gewoon naar huis gelopen, en daar, aan het begin van de straat zag ik mijn eerste Duitse soldaat. Hij stond daar met het geweer aan zijn voet en bekeek ons even nieuwsgierig als wij hem. Gegroet werd er niet, want het was per slot een vijand. Over de Franse troepen hebben wij niets meer vernomen, maar wel ontdekte ik de volgende dag op de Aalsterweg twee geweren die naast elkaar in het zand gestoken waren. Over het ene geweer hing een Franse helm en over het andere een Duitse. Vooral de Duitse helm intrigeerde mij, omdat ik de vorm zo bizar vond, met de opening aan de voorkant wat naar boven opengelaten, om de ogen als het ware een afdakje te geven. Dagenlang heb ik daarna geprobeerd zo’n helm te tekenen, maar het lukte niet erg. Terug op school ging ik daarmee door, en ook met het tekenen van de Duitse oorlogsvliegtuigen, die we toen regelmatig konden zien overkomen. De oorlog beheerste mijn tekeningen en voor elkaar beklimmende koeien was  nu geen plaats meer.

Toch was er dat eerste jaar weinig van de oorlog te merken. Maar in december kreeg ik mijn eerste bewuste erectie. Ik weet dat zo nauwkeurig, omdat wij in december met Sinterklaas altijd de nieuwe bundeling van Sjors van de Rebellenclub-verhaaltjes, die door de Spaarnestad werd uitgegeven, kregen.  In de uitgave van 1940 staat een verhaaltje over een schaatswedstrijd tussen een meisje, Betsy, die de nieuwe voorzitter wil worden, en Sjors. Degene die wint mag zich voorzitter noemen. Betsy verschijnt met een paraplu en wordt door de jongens uitgelachen, maar in de laatste bocht krijgen zij de wind mee, en laat Betsy zich door de paraplu naar de overwinning trekken. Op dat moment maakte zich een opgewonden gevoel van mij meester, dat uiteindelijk resulteerde in de al genoemde erectie. Ik weet nog hoe verbaasd ik was en dat ik er niets van snapte, maar onplezierig was het niet. Achteraf  is het wel grappig, dat toen ik acht jaar was, Sjors van de Rebellen-club mijn eerste pornografische lectuur is geweest.

Dicht bij huis kregen wij echt te maken met Duitse soldaten. Onze garages aan het garageplein achter de huizen werden gevorderd, en dienden de komende tijd als paardenstallen. In elke garage stonden er twee. In onze garage, C, waren dat twee enorme trekpaarden, die naar de namen Marschall en Carla luisterden. Marschall werd onmiddellijk door mij geadopteerd. Een grote, donkerbruine hengst met zware poten en een groot, sterk lijf. Carla was lichter van kleur, en die mocht Frieda dan wel hebben. Carla is trouwens een keer losgebroken, en daverde vervolgens door de Boerhaavelaan op en neer, waarbij zij af en toe tuinhekjes ramde. Op den duur werd zij natuurlijk toch weer door de soldaten gevangen en teruggeleid naar C. De mest van de paarden werd aan weerskanten van de garages tegen de muur en gedeeltelijk tegen het hek van de ziekenhuistuin opgestapeld, waardoor grote, geurige mesthopen ontstonden.

Wij brachten veel van onze vrije tijd door bij de soldaten, en werden door hen ook vriendelijk behandeld. Het duurde niet lang, of ook mijn moeder, met haar onverbeterlijke gastvrijheid, nodigde een paar van hen binnen om een kopje koffie te komen drinken. Het waren per slot ook maar jongens die voor hun nummer opkwamen. Na een paar dagen vond zij, dat zij toch ook wel eens iets voor ‘de kinderen’ mee mochten brengen, en sprak daar met mijn vader over, in hun aanwezigheid. Om niet verstaan te worden, deed zij dat in het Gronings, haar moedertaal, maar dit Saksische dialect bleek nu juist prima door hen verstaan te worden. Met gewoon Nederlands had zij een betere kans gemaakt. In ieder geval, toen zij de volgende ochtend terugkwamen, hadden zij grote stukken chocolade bij zich voor Frieda en mij.

Het Gronings heeft mijn moeder vaker parten gespeeld in die tijd. Op een keer gingen Frieda en ik met haar in de bus naar de stad. Wij stonden achterin, en plotseling zag mijn moeder twee SS-ers zitten, die Gronings met elkaar praten. ‘Hoe kan het, dat jullie Gronings praten?’ vroeg mijn moeder. ‘Omdat wij Groningers zijn’, was het antwoord, waarop mijn moeder constateerde: ‘Dat kan niet met zo’n pakje aan.’ Zij vertelden haar, dat dat juist wèl kon, want dat rechtgeaarde Nederlanders juist wel zo’n pakje behoorden te dragen. Zij streden voor een Nederland, dat een vrije en eigen plaats zou krijgen in een nieuw Europa. Frieda en ik stonden doodsangsten uit, en schopten mama zachtjes tegen haar schenen, om haar te laten ophouden, maar zij ging onverdroten door. De SS-ers waren in een gemoedelijke bui, en waren maar al te zeer bereid om mama tekst en uitleg te geven over hun politieke keuze.

Ik weet niet meer, hoe lang de Duitsers met hun paarden in de garages zijn gebleven, maar het moeten zeker enige maanden zijn geweest. Daarna hoorden wij nog wel eens iets over hen door Hans Peel, de zoon van een Rijksduitser, die bij ons in de straat woonde, en die met hen in schriftelijk contact was gebleven. Zij waren vertrokken naar het Oostfront, en zijn daar binnen niet al te lange tijd ook allemaal gesneuveld. Te vrezen is, dat de paarden eenzelfde lot zullen hebben ondergaan.

Bij ons op school zaten ook twee NSB-jongens, Vincent en Arie van der M. Eén zat bij mij in de klas. Wij gingen gewoon met ze om, maar lachten om hun politieke opvattingen, want die waren fout: daar hadden we thuis al genoeg over gehoord. Ik kan me nog herinneren, dat toen Italië gevallen was, wij dat met enige hoon aan Vincent vertelden, en dat hij zei, dat dat maar goed was, want ‘Italië was al lang een blok aan het been van Duitsland.’ Ik vond het knap gevonden, en had er weinig tegen in te brengen, behalve dan dat Duitsland ook nog wel aan de beurt zou komen. Toch moet ik bekennen, dat ik altijd met enige afgunst naar ze zat te kijken, als zij in het uniform van de Jeugdstorm naar school kwamen, want ik vond het wel flatteuze kleding: de zwarte korte broek, het lichtblauwe overhemd, en vooral de muts van astrakan bont, met van boven een oranje voering, die door het zwart naar buiten stak. ’s Zomers gingen zij met een hele bus NSB-kinderen op vakantie naar de Ostmark, zoals Oostenrijk werd genoemd. Ook daar benijdde ik hen om, zeker als zij bruinverbrand terugkwamen met enthousiaste verhalen over dat verre land, en hoe fantastisch zij het daar hadden gehad. Op school werd niet vriendschappelijk met hen omgegaan, en zij moeten zich behoorlijk eenzaam hebben gevoeld. In de eerste jaren ging ik vooral om met een jongen die naast mij in de bank zat, Maarten Verwey. Mijn moeder was zeer in haar nopjes met deze vriendschap, want Maartens moeder, Hilda Verwey-Jonker, was wethouder in Eindhoven voor de SDAP, onze partij. Ik heb haar een paar maal ontmoet, als ik met Maarten mee naar zijn huis ging om te spelen. Hij woonde vlak bij school, om de hoek, op de Leenderweg. Ik herinner me haar als een kleine, tengere vrouw, wel vriendelijk, maar zonder de warme, hartelijke moederlijkheid die ik van mijn moeder kende. Heel veel later heb ik Maarten nog eens teruggezien op een HTS-feest in Haarlem, maar gesproken heb ik hem niet meer.

In 1941 en 1942 begon ik steeds meer last te krijgen van astma, een aandoening waar ik sinds mijn vroegste jeugd mee kampte. Er waren nauwelijks geneesmiddelen tegen, behalve ephedrinetabletten, die tijdelijk wel verlichting brachten, maar een echte aanval toch niet onderdukten. De dokter sprak er met mijn ouders over, dat het misschien goed zou zijn als ik een tijdje uit huis ging. Verandering van lucht, en zeker de zeelucht, zou misschien niet kwaad zijn. Hij dacht zelf aan een vakantiekolonie in Egmond aan Zee, Kerdijk, en daar werd door mijn ouders inderdaad toe besloten. In januari of februari bracht mijn vader mij weg. Met de trein naar Alkmaar, en vandaar met de bus naar Egmond. Toen hij mij daar tussen allemaal vreemde kinderen en juffrouwen ten slotte achterliet, om weer terug naar Eindhoven te gaan, ben ik voor het eerst en het laatst in mijn leven een paar dagen ziek van heimwee geweest. Ik huilde aan een stuk door, en kon geen hap eten door mijn keel krijgen. Gelukkig trok een van de leidsters, juffrouw Emmie, zich mijn lot aan. Zij liet mij mijn neus snuiten, en was bijzonder aardig en hartelijk tegen mij. Dat, en het feit dat ik een paar boekjes van Dick Bos bij mij had, maakten, dat ik snel over mijn verdriet heen was. Dick Bos had ik een paar maanden eerder leren kennen, toen ik op een zondagmorgen, met mijn ouders op koffiebezoek bij Hartog van nummer 28, het eerste deeltje, Het geval Kleyn, op tafel zag liggen, en het onmiddellijk begon te lezen. Het was niets meer of minder dan een openbaring voor mij. Tot dan toe kende ik beeldverhalen alleen maar uit de krant en uit Doe Mee, maar een compleet  verhaal, uitgegeven in zo’n mooi, elegant boekje, met maar één afbeelding per bladzijde, dat was nieuw voor mij. Ik las, dat er elke maand een nieuw verhaal uitkwam, en zeurde net zo lang bij mijn vader, tot hij beloofde, dat hij mij iedere maand zo’n boekje zou geven. Het eerste was Li Hang, en daarna volgden De Raaf en Texas. Net voor ik naar Kerdijk ging was Chicago, deeltje 6, verschenen. En mijn vader heeft woord gehouden. Hij en mijn moeder kwamen mij elke drie weken op een zondagmiddag opzoeken, en als er een nieuwe Dick Bos uit was, dan had hij die onveranderlijk bij zich.

Op Kerdijk waren duidelijk twee groepen kinderen te onderscheiden. De ene groep had last van ‘klieren’, zoals dat genoemd werd, en de andere groep, waartoe ik behoorde, had astma. Dan had je nog groepen kinderen die maar zes weken bleven, en die er alleen waren om wat aan te sterken en wat dikker te worden. De kinderen met klieren kregen elke avond voor het naar bed gaan levertraan toegediend, en alleen daarom al was ik blij ‘alleen maar’ astma te hebben. Wij, de astmakinderen, kregen elke dag karnemelk, in plaats van de gewone melk, die andere kinderen kregen. In de zes maanden dat ik er geweest ben, heb ik geen moment last gehad van astma. Dat was met sommige anderen wel anders. Er was één jongetje, dat altijd last had, en dat ’s avonds in bed in zittende houding in de kussens werd gezet, want in liggende houding zou hij waarschijnlijk gestikt zijn. Ik heb het er, voor zover mijn herinnering reikt, wel naar mijn zin gehad. Overdag maakten wij lange wandelingen, over het strand of naar Egmond aan den Hoef, of wij deden spelletjes in de duinen. En ik had een juffrouw, Emmy, waar ik erg op gesteld was, en met wie ik tijdens de wandelingen lange gesprekken voerde. ’s Middags moesten wij een uur of zo buiten in een overdekte lighal op een bed gaan liggen om te slapen, maar ik had altijd wel een boek, een Dick Bos bij voorbeeld, dat ik onder de dekens kon lezen. Op een keer tijdens een wandeling zagen wij Duitse soldaten lopen, waarop wij spontaan als groep het chauvinistische lied ‘De plicht van iedere jongen’ aanhieven: ‘Het is  plicht dat iedere jongen, aan de onafhankelijkheid van zijn geliefde vaderland, zijn beste krachten wijdt, Hoezee, hoezee, voor Nederland hoezee, voor Koningin en Vaderland waakt iedere jongen mee,’ en zo voort. Het was een verzetsdaad van jewelste, en na afloop waren wij ook behoorlijk opgewonden, dat wij dat gedurfd hadden. 1942 had een zeer strenge winter, die leidde tot een fenomeen, dat ik later nooit meer heb gezien. Op het strand bevroor het zeewater, waardoor manshoge ijsbergen ontstonden, met gangen ertussen, waar je doorheen kon lopen. Op een van mijn laatste strandwandelingen in Egmond, heb ik ook nog seksuele voorlichting gekregen van een wat oudere vriend, die ik daar had. Hij heette Henk V., en was vijftien jaar. Hij lag nogal eens met de leidsters overhoop, al heb ik nooit begrepen waarom. Waarschijnlijk door zijn leeftijd, die hem af en toe in opstand bracht. Op de bewuste wandeling hadden we het over wat er moet gebeuren om kinderen te krijgen, en toen maakte hij van zijn linkerwijsvinger en duim een kringetje, waar hij vervolgens zijn rechterwijsvinger doorheen bewoog. Ik begreep het wel zo ongeveer, maar vond het toch een vreemd verhaal en kon me ook niet goed voorstellen, dat mijn ouders dat deden. Er zouden nog wel andere mogelijkheden zijn om aan kinderen te komen, dacht ik.

In het voorjaar werd er gesproken over hoe lang ik nog op Kerdijk zou moeten blijven. Omdat het goed met mij ging –ik had totaal geen last van astma en nam ook toe in gewicht-, leek het verstandig om mijn verblijf nog enige tijd te verlengen, hoewel ik graag terug naar huis zou gaan. Maar in juni kwam er toch door externe omstandigheden plotseling een einde aan het verblijf van de kinderen in Kerdijk. De Duitsers verordonneerden, dat de tehuizen leeg moesten, in verband met de mogelijkheid van een invasie, en de maatregelen die daartegen genomen moesten worden. Het ging natuurlijk om de bouw van de Atlantikwal. En zo geschiedde het, dat ik begin juli weer terugging naar Eindhoven, en binnen de kortste keren weer last kreeg van astma. Maar ik had wel iets om naar uit te zien. Tijdens mijn verblijf op Kerdijk had ik een paar brieven van mijn oom A gekregen, waarin hij mij uitnodigde om na mijn terugkeer uit Egmond een tijdje met pappa bij hem en tante Wies in Blaricum te komen logeren. Daar is het inderdaad van gekomen, en ik herinner mij nog hoe heerlijk ik het vond om daar te zijn. Oom A was allerhartelijkst, met tante Wies kon ik goed opschieten en Gudi, de dochter, bewonderde ik bovenmate. Ik vond haar beeldschoon en zat graag bij haar op haar atelier als zij werkte aan een groot bas-reliëf, dat zij in opdracht vervaardigde. Ik boetseerde wat poppetjes en ook een keer een waterpistool, waarmee ik haar vervolgens nat spoot. Zij werd boos en zette mij zonder pardon buiten de deur, met de woorden: ‘Als je anders niets kunt, moet je maar weggaan.’ Dat vond ik niet erg, want er was genoeg te doen. Ik zat hele middagen in de werkkamer van oom A te lezen in Merijntje en Bulletje en Bonestaak, als het mooi weer was, speelden wij croquet op het gazon en ’s avonds Mahjong, met prachtige blokjes van bamboe en ivoor, of het beursspel, een soort monopoly, maar dan met aandelen in plaats van straten. Ook heeft hij mij in die tijd, samen met een Haarlemse arts Jan Roorda, die daar ook logeerde, leren schaken. Hoe sterk hij was, heb ik nooit kunnen vaststellen, maar hij zal het zeker met evenveel overgave hebben gespeeld als alle andere spelletjes.

 Terug in Eindhoven was de overgang naar het gewone dagelijkse leven moeilijk. Ik leefde in gedachten nog in Blaricum, waar het leven zorgeloos was en interessant, en waar alles leek te kunnen. Ik had heimwee naar oom A en tante Wies en vooral ook naar Gudi. In Eindhoven vond ik alles saai en eentonig en toen ik weer naar school moest, bleek ook de onderwijzeres van de derde klas, een juffrouw Smit, niet in staat om mij op te fleuren.  Zij was kleurloos in mijn herinnering en deed plichtmatig haar werk, zonder enig enthousiasme. Thuis vertelde ik steeds vaker, dat ik mij zo verveelde op school, en dat alles te gemakkelijk was. Mijn ouders hebben mij toen door de buurman van nr. 38, meneer Vastbinder, die hoofd was van de psychotechnische dienst van Philips, laten testen. Volgens hem klopte het wel, dat het op school te gemakkelijk was voor mij, want ik zou best meekunnen in de vijfde klas. Het leek hem psychisch evenwel niet verstandig om mij plotseling over te plaatsen naar kinderen die zoveel ouder waren dan ik, en daarom werd in overleg met mijn ouders besloten om te proberen mij een plaatsje in de vierde te geven. Dat lukte, en zo kwam ik bij mijn zus Frieda in de klas en bij meneer Boerstra, waarschijnlijk de beste onderwijzer van de school. Ik had plotseling weer zin in school, en genoot van de lessen van Boerstra, en dan vooral van de vaderlandse geschiedenis, want hij kon prachtig vertellen. Boerstra had, wat ik later zou weten te benoemen, een cholerisch karakter. Hij kon ontzettende driftaanvallen krijgen tegen sommige kinderen uit de klas. Toen hij eens ’s avonds bij ons op huisbezoek was, vertelde hij tegen mijn ouders, dat er in de klas een imbeciel en een psychopaat zaten. Toen mijn moeder dat de volgende ochtend tegen mij zei, vroeg ik mij natuurlijk af, wie daarmee bedoeld konden worden, nadat ik eerst aan mijn moeder om uitleg had gevraagd. Ik meende toen wel begrepen te hebben wie ermee bedoeld werden. Jo Metten zal wel de debiel geweest zijn. Een grote, logge jongen met krullend haar, die altijd wat slaperig en sullig uit zijn ogen keek. En de psychopaat moet Karel Hulstman geweest zijn. Een wat ongemakkelijke constatering voor mij, want dat was nu juist mijn vriend en beschermer in de klas. Een grote, sterke jongen, waar  niemand ruzie mee zocht, want bij een vechtpartij was hij altijd moeiteloos de sterkste, en kon dan rake klappen uitdelen. Het is wat wonderlijk, dat hij mijn vriend wilde zijn, maar hij vond mij, het knapste jongetje van de klas, misschien wel interessant. Ik vermoed, dat het om deze twee jongens ging, waarover door Boerstra met mijn ouders is gesproken, want het was ook tegenover hen dat zijn driftbuien zich doorgaans ontlaadden. Mijn moeder heeft hem ook verteld, dat ik verliefd was op een meisje uit de klas, op Diny M. Boerstra zei het een goede keuze te vinden, want Diny was inderdaad een mooi meisje en heel intelligent. Zij woonde in het nieuwe gedeelte van de Floralaan, en ik heb vaak voor het huis rondgehangen, om een glimp van haar op te vangen. Zij moest trouwens niets van mij hebben, en keurde mij geen blik waardig op school. Jaloers hoefde ik niet te zijn, want voor andere jongens had zij ook geen belangstelling. Zij ging enkel om met een paar vriendinnetjes in de klas. Op de klassefoto van de vijfde klas staat zij voor meneer Boerstra, en ik zit gehurkt aan haar voeten. En ja, zij was verreweg het mooiste meisje van de klas. Daarover kan ik nog steeds wel tevreden zijn. Ik heb haar later nog teruggezien op de HBS, waar haar gezicht in die tijd ontsierd werd door puberpuistjes. Mijn belangstelling was toen ook al helemaal weg, want die gold enkel en alleen nog maar Hélène.

Buiten de school was inmiddels door mijn vriendje Joost Weytens mijn belangstelling gewekt voor het voetballen. Hij was een enthousiaste supporter van FC Eindhoven, een club die vlak bij onze straat speelde, op een terrein aan de Aalsterweg. De komende jaren gingen we bij alle thuiswedstrijden kijken, en ik kan me nog bijna alle spelers levendig herinneren. De schilderachtige keeper Piet van Veghel, de backs Giesbers en Toon Schampers, een grote forse man, die weinig anders deed dan de bal met enorme kracht naar voren te schieten, de halfspelers Frans van der Heijden, waarschijnlijk de beste voetballer, en Thijs Hessels, die vooral opviel door zijn ongelooflijk dikke dijbenen, de spil Cor Smets, en in de voorhoede de buitenspelers Maas en Van Muilekom, de midvoor Harry van Baarschot, mijn grote held, en een kleine binnenspeler Du Moulin, die vermaard was om zijn geraffineerde omhalen. Hem zagen wij af en toe in de straat, want hij zat op het St. Joriscollege, en kreeg bijles van meneer Weytens, de vader van Joost, die daar leraar Nederlands was. Ook Toon Schampers zagen wij in de straat, want hij zat bij de reinigingsdienst van Eindhoven, en ledigde wekelijks onze vuilnisbakken. Eindhoven was in die jaren een sterke club, was in 1942 kampioen van het Zuiden geweest, en gold als een geduchte concurrent van PSV. Andere toonaangevende Zuidelijke clubs waren: BVV, Willem II, NAC, MVV en Longa. Vooral naar Longa gingen wij graag kijken, omdat daar de spil van het vooroorlogse Nederlandse Elftal in speelde, Henk Pellikaan. BVV had de beste keeper, Saris, die steevast gekozen werd voor het Zuidelijk Elftal.

En zelf voetbalden wij ook. Zonodig met een tennisballetje op straat, waar we alle ruimte hadden omdat er toch geen auto’s waren, maar een mooiere gelegenheid deed zich voor toen wij in contact kwamen met hopman Fens. Zo noemden wij hem, maar hij was veel hoger, ik meen commissaris van de verkennerij in Brabant. Hij woonde in een groot herenhuis in Kortonjo, een schuine, boomrijke verbinding tussen de Floralaan en de Aalsterweg, met een huisdoudster. Wat hem aantrekkelijk maakte was niet enkel dat hij erg aardig tegen ons was, maar dat hij bovendien over een leren voetbal beschikte. Na schooltijd wilde hij dan wel met ons naar het padvindersbos bij Eikenburg gaan, om ons daar, op een open plaats in het bos te laten voetballen. Het werd de gewoonste zaak van de wereld, dat wij daarheen gingen om te voetballen, onder het toeziend oog van hopman Fens, die, als dat nodig was, ook als scheidsrechter optrad. Het waren vooral jongens uit de Boerhaavelaan, zoals Joost en ik, Pieke van Beek en Piet Möhlman en Jan Vosters uit de Floralaan. Daarnaast waren er nog een paar uit de buurt van de Pioenroosstraat, onder aanvoering van Rinus Quick, een jongen die bij mij in de klas zat, klein van gestalte, maar met voorsprong de beste voetballer van ons allemaal, met onnavolgbare schijnbewegingen en aalgladde dribbels. Het heeft mij altijd verbaasd, dat hij later nooit ‘echt’ is gaan voetballen. Joost was na hem de beste, en blonk vooral uit als keeper. Het was een fantastische tijd, en ik heb nooit met meer plezier gevoetbald, dan daar,  op die open plek in het padvindersbos. Mijn vader en die van Joost zijn ook nog een keer komen kijken, en bij die gelegenheid heeft mijn vader een aantal foto’s gemaakt.

Verder valt over 1942 nog te melden, dat de Engelsen op 6 december, de morgen van Sinterklaas, de Philipsfabrieken voor het eerst hebben gebombardeerd. Met Ventura’s, wist mijn vader te vertellen. Er zijn nogal wat bommen naast de fabriek terechtgekomen, waardoor een bekende winkelstraat net over het spoor, de Demer, volledig bleek weggevaagd. Op het moment dat het bombardement begon, was ik net op straat de rolschaatsen aan het onderbinden, die ik van Sinterklaas had gekregen. Ik had mijn rechter schaats nog maar nauwelijks onder, toen de vliegtuigen overkwamen, en ik hinkend en struikelend probeerde weer in huis te komen. Dat lukte, maar ik moest wel even bijkomen van de emoties.

Het was het eerste bombardement dat ik meemaakte in Eindhoven. Wel was er ’s nachts vaak luchtalarm, waarop wij uit ons bed kwamen en in de kamer gingen zitten luisteren. Je hoorde de vliegtuigen hoog in de lucht ronkend overkomen, op weg naar Duitsland, en de doffe knallen van het luchtafweergeschut. Af en toe hoorde je de scherpe tikken van de granaatscherven die neerkwamen, en het was de volgende dag altijd een sport om er naar op zoek te gaan. Een maal is er een Halifax geraakt, die ergens bij Waalre is neergestort, en een andere keer een Lockheed Lightning, die ergens in de velden tussen Stratum en Gestel terechtkwam. Toen ik dat hoorde, ben ik de volgende dag snel op mijn fiets gesprongen om te gaan kijken. Het was op mijn gebruikelijke route naar Jansen, en inderdaad trof ik hem aan in een weiland, dat zeer tot de verbeelding sprekende jachtvliegtuig met dubbele staart. In de zomer van 1944 is de vlieger-schrijver Antoine de Saint-Exupéry nog in zo’n toestel gecrashed in de Bay des Anges bij Nice. In Gestel kon je gemakkelijk bij het toestel komen, er was geen enkele afzetting, en ik heb nog een paar electrische kabeltjes losgetrokken als souvenir. Wat mij het meest intrigeerde was te bedenken, dat dit vliegtuig gisteren nog was opgestegen in Engeland, dat vrije land, waar al onze hoop op was gevestigd. Hoe zou het daar nu zijn, zo dichtbij, en toch zo volstrekt onbereikbaar?

Het volgende bombardement van Philips was een paar maanden later, ik meen in maart 1943. Ook bij klaarlichte dag, en nu uitgevoerd door Mosquitoes. Het waren een soort wondervliegtuigen. Ze vlogen zo laag over het land, dat ze onbereikbaar waren voor de RADAR, de zogenaamde huisje-beestje-boompje-tactiek, en kwamen bij het doel even omhoog om hun bommen los te laten. Soms ging dat verkeerd en er is minstens één vliegtuig geweest dat niet snel genoeg steeg en door een muur bij Philips is binnengevlogen. Maar verder kon men wel spreken van een precisiebombardement, want er was aanzienlijk minder schade aan de omgeving dan bij het vorige bombardement.

In die tijd heeft mijn vader geprobeerd aan wat extra geld te komen, want veel inkomsten waren er niet meer. Onze buurman van no. 32, Brunschot, had een broer die chemicus was, en die heeft mijn vader uitgelegd hoe jenever gestookt kon worden. Uit een kilo suiker kon een liter jenever gewonnen worden. Suiker moest natuurlijk zwart gekocht worden, maar er was wel aan te komen. En zo werd onze badkamer omgebouwd tot een geheime jeneverstokerij, en hebben wij vele maanden in de alcoholdampen gezeten, die op niet mis te verstane wijze door het huis trokken. Het is een wonder, dat er nooit inspectie is geweest, want ook in de achtertuin was de geur duidelijk waarneembaar. De jenever ging voor fl. 100,- per liter van de hand, waarbij het bijkantoor van de Spaarnestad in Den Bosch optrad als distributiepunt. Zo bleek mij later, dat Beijk van de Spaarnestad een van de belangrijkste afnemers was. Beijk, de vader van Jan, die later een van mijn beste vrienden zou worden (zie: Een vriendschap). Grappig is, dat Jan later zelf een tijdlang een stokerij heeft gehad, en dat ik nu op mijn beurt een van zijn afnemers werd. De rollen van de zoons waren omgekeerd aan die van de vaders.

.

In de zomer van 1943 ben ik weer met mijn vader wezen logeren in Blaricum, bij oom A, maar nu had ik een afspraak gemaakt met Joost, bij wie ik in die tijd dagelijks over de vloer kwam, dat hij mij daar zou komen opzoeken. Zij logeerden altijd met het hele gezin bij zijn grootouders van moeders kant in Schalkwijk, net over de rivier bij Culemborg. Van daaruit was het makkelijk naar Blaricum te fietsen, en hij zou met zijn vader komen, die het natuurlijk als neerlandicus heel interessant vond om A.M. de Jong te  ontmoeten. Zo is het inderdaad gegaan. Weytens heeft een hele middag met mijn vader en oom A op het terras zitten praten, terwijl Joost en ik op het gazon een partijtje croquet speelden. Tijdens het gesprek zal ongetwijfeld de naam van Anton van Duinkerken zijn gevallen; een literaire held van Weytens, maar van oom A een beruchte tegenstander, die hij werkelijk verfoeide. Gudi heb ik die vakantie weinig gezien. Zij werkte toen in de tekenstudio van Marten Toonder, in Amsterdam, en woonde daar op kamers. Alleen in de week-ends kwam zij naar huis.

En toen werd op 18 oktober oom A slachtoffer van een ‘Silbertanne-moord.’ Toen ik op de negentiende tussen de middag thuis kwam van school, vertelde tante Corrie, die bij ons logeerde, mij, dat pappa en mamma naar Blaricum waren, want dat ‘de Duitsers op oom A hadden geschoten.’ Ik begreep er niets van, en zag hem in gedachten door de Prof. van Reeslaan fietsen, terwijl Duitse soldaten van achter een boom op hem schoten. Even later vertelde zij, dat hij dood was. In een roes ben ik die middag naar school gegaan, heb het aan Boerstra verteld, die het vervolgens aan de klas vertelde. Hij had net dat jaar het jongensboek van A.M., Een Bataafs driemanschap aan ons voorgelezen, dus iedereen wist over wie het ging. Na de school ben ik onmiddellijk naar Weytens gegaan, die het ook nog niet wisten, en vreselijk met mij begaan waren. Hun medeleven heeft mij toen over het ergste verdriet heengeholpen, hoewel het gevoel van een gemis mij nooit meer heeft verlaten.

Gudi had bij Marten Toonder een jongen leren kennen, Thom Thomassen, een tekenaar, met wie zij al snel een relatie kreeg die niet zonder gevolgen bleef. Begin 1944 besloten zij daarom te trouwen, en omdat er van een buitenlandse huwelijksreis natuurlijk geen sprake kon zijn, nodigden mijn ouders hen uit om de wittebroodsweken bij ons in Eindhoven te komen doorbrengen. Dat hebben zij graag aanvaard, en het werden twee erg leuke weken. Mijn moeder deed haar best om zo mogelijk iedere avond een feestmaal op tafel te brengen, wat gezien de omstandigheden het uiterste van haar kookkunst en inventiviteit , vergde, maar waar Gudy en Thom zich zeer enthousiast over betoonden. Voor ons, kinderen, was het een doorlopend feest. Wij waren dol op hen, omdat zij bijzonder aardig waren en onuitputtelijk in het bedenken van spelletjes. Thom was erg goed in het omtoveren tot prachtige tekeningen van zomaar een potloodstreep, die Frieda en ik op papier zetten. Ook Joost kwam nog vaker dan gebruikelijk bij ons langs en genoot ook van de extra gezelligheid. Soms kwamen Thom en Gudy ons van school halen, en dan maakten wij nog een lange wandeling over de hei en langs de vennen, alvorens weer naar huis te gaan.

Het was toen al duidelijk, dat de oorlog ten einde liep, met als beslissend moment op mijn twaalfde verjaardag de invasie in Normandië. Mijn cadeautje van Eisenhower noemde ik het. We hebben nog één vakantie in Blaricum doorgebracht. Ditmaal ging mijn vader niet mee, maar werd ik vergezeld door Frieda. Oom A was er niet meer, maar nu woonden Thom en Gudy samen met tante Wies in de Blaricumse villa en daardoor leek de tijd die zij in Eindhoven hadden doorgebracht, zich te herhalen. Ik ben nog één keer teruggeweest in het Blaricumse huis. Dat was samen met Kees Slager, die mij voor het VPRO-radioprogramma OVT, begin jaren negentig twee uur lang heeft geïnterviewd over A.M. de Jong. Tijdens de voorbereidingen voor het programma zijn wij ondermeer naar Blaricum geweest, waar wij het huis van binnen mochten bekijken. Wat mij vooral opviel was, dat de ruimtes beduidend kleiner bleken dan ik ze mij herinnerde. Het was nog wel een groot huis, maar de afmetingen vielen toch erg tegen.

Op 18 september 1944 werd Eindhoven bevrijd, waarna voor ons de oorlog min of meer was afgelopen. Maar dat heb ik al beschreven in: Een Engelandvaarder.