Archive for February, 2012

Het lab

Posted by Mels de Jong on February 24th, 2012 under Uncategorized  •  No Comments

 

Het lab.

Toen ik in 1962 mijn kandidaatsexamen had afgelegd, solliciteerde ik naar de vacature van kandidaatassistent bij het Fysiologisch Laboratorium. Het lijkt een vreemde keuze voor een psychologiestudent, maar fysiologie was een verplicht bijvak voor het kandidaats in de psychologie. Het bestond uit het volgen van colleges en het bijwonen van een practicum.  Hiervoor had men jaarlijks een drie à vier assistenten nodig om dit practicum in goede banen te leiden, samen met de leider Joop Hueting, zelf een afgestudeerde psycholoog. Ik werd aangenomen, en dus zou mijn arbeidsterrein de komende jaren het Fysiologisch Laboratorium aan het Joseph Daniel Meyerplein zijn, vlak bij het Waterlooplein.

Er waren drie hoogleraren, met wie ik natuurlijk snel kennis maakte. In de eerste plaats de kleine, oude en kale Ten Cate, die dicht tegen zijn emeritaat aanzat, en faam genoot omdat hij nog had gestudeerd bij de grote Pavlov in Leningrad. Daardoor liep er waarschijnlijk op het practicum een hond rond, met een fistel onder in zijn bek, waaruit speeksel drupte als je hem een biskwietje voorhield. Als je dit koekje combineerde met een belletje, dan zou de hond later ook bij enkel het belletje gaan kwijlen, en dan had je een echte geconditioneerde reflex bij de hond doen ontstaan. Van Ten Cate herinner ik mij nog, dat hij op college urenlang kon uitweiden over de ‘sensiebele banen’ in het ruggemerg. De tweede hoogleraar was Jaap Boeles, die was aangesteld als fysioloog bij de medische faculteit. Zijn colleges waren een stuk levendiger dan die van Ten Cate, en ik bezocht ze dan ook graag. Voor het fysiologie-onderwijs aan de psychologen was Piet Visser aangesteld, en met hem heb ik gedurende al mijn jaren op de universiteit direct te maken gehad. Hij had een beetje hetzelfde postuur als Boeles, met eveneens zwart haar, dat glad achterover gekamd was. Later ben ik er achter gekomen, dat ik Visser al eerder had meegemaakt. Het was in de junidagen van 1953, toen ik, tijdens mijn officiersopleiding in militaire dienst, een hygiënecursus volgde in Neerijnen, een plaatsje in de Betuwe, boven Zaltbommel. Visser gaf daar, als gezondheidsofficier, enige lezingen. In het Liber amicorum, dat  hem bij zijn afscheid werd aangeboden, noemde ik het ‘le temps des cerises’, en ik schrijf: ‘Ik leerde van hem hoe in de oorlogsuitrusting van elke soldaat een spuit atropine zat, ter bestrijding van aanvallen met gifgas. Na afloop vroeg ik hem het verschil tussen atropine en adrenaline. Als asthmaticus kende ik de werking van adrenaline, en uit zijn verhaal meende ik op te maken dat er bepaalde overeenkomsten waren met atropine. Hij heeft het mij uitvoerig uitgelegd, maar ik kon toen niet bevroeden dat er enige jaren later nog vele, vele lessen zouden volgen, die uiteindelijk resulteerden in een proefschrift onder zijn promotorschap. En ook in dat proefschrift kwamen adrenaline en atropine weer ter sprake…Als ik zeg, dat Visser mijn leermeester was, dan spreek ik dus geen lichtvaardige woorden.’

Naast de hoogleraren waren er nog een aantal mensen werkzaam op het lab. Menno van L., een medicijnenstudent, die naast Joop H. het prakticum leidde, Miep H. een psychologie-studente, die een onderzoek met ratten deed, en Rie van R., al afgestudeerd als psychologe,  en nu bezig aan een promotie-onderzoek, waarbij zij konijnen een experimentele neurose probeerde bij te brengen via een klassieke conditioneringsopstelling, met pufjes ammoniak die als onvoorwaardelijke prikkel werden gebruikt, en die er toe leidden, dat de konijnen een vertraging van de hartslag kregen. Het leek Visser een goed idee, dat ik zou worden ingeschakeld bij het onderzoek van Miep, want het practicum nam maar een klein deel van de tijd in beslag, en voor de andere tijd was je per slot ook aangesteld. Ik zou mij dan moeten bezighouden met de ratten uit hun kooien halen, om ze vervolgens naar de opstelling van Miep te dragen, geklemd tegen de borst van mijn witte laboratoriumjas. De ratten, groot en bruin, waren gehuisvest in kleine kooitjes van zinken tralies rondom, waarin zij zich niet eens konden keren. Om ze eruit te halen moest ik het deurtje openmaken en met mijn hand de kooi binnengaan om de rat te pakken. Ik gruwde ervan, en de koude rillingen liepen mij werkelijk over de rug, want ratten zijn niet mijn favoriete knuffels. Ik heb het een ochtend gedaan, geloof ik, en zei toen dat ik liever iets anders deed, dat ik liever met mensen werkte. Daar had men begrip voor, en ik heb me verder altijd verre gehouden van het onderzoek met ratten als proefdieren. Later werkte men trouwens met witte ratten met rooie oogjes, die er in ieder geval vriendelijker uitzagen. En ook hun huisvesting werd aanzienlijk verbeterd.

Met Joop H en zijn vrouw Ditha raakten wij goed bevriend, en wij kwamen over en weer bij elkaar over de vloer, en speelden dan poker. Vooral Ditha was een enthousiaste speelster. Na afloop brachten zij ons vanuit West met de auto naar huis, en dan deden wij nog even de Zeedijk aan om een broodje gehaktbal te eten. Het waren gezellige avonden. Ditha was een dochter van de broer van Anton Philips, en dat verklaart waarschijnlijk dat hun huis vol hing met ‘echte’ kunst, zoals een Gerard Dou, een Jan van Goyen, Albert Cuyp  and that lot. Toen wij hen eens een bezoek brachten, samen met Bouke IJlstra en Josée, zij woonden toen al in Buitenveldert, keek Bouke zijn ogen uit, en, eenmaal weer op straat, zei hij tegen mij: ‘Joh, Mels, die mensen zijn rijk.’ Ongeveer twee jaar geleden hebben wij hen weer eens bezocht. Na jaren Brussel, waar Joop hoogleraar was geworden, waren zij teruggekeerd naar Nederland en woonden nu in een fraai appartement in Castricum. Het viel ons op, dat de  kostbare schilderijen niet meer aan de muren hingen, en toen Gerda ernaar informeerde, vertelde Ditha dat in de nacht voor de verhuizing naar Nederland alle schilderijen uit hun woning waren gestolen. Zij deden er erg laconiek over en hadden zich duidelijk neergelegd bij de feiten die nu eenmaal zo waren.

In 1969 kreeg Joop landelijke bekendheid. Het lab was in 1965 verhuisd naar een nieuw gebouw van de Universiteit, Het Jan Swammerdaminstituut, aan de 1ste Constantijn Huygensstraat, naast het W.G. Wij werden daar gehuisvest op de bovenste, de zevende etage. ‘Dat spreekt vanzelf’, zei Visser bij die gelegenheid, ‘de hersens zitten bovenin.’ Joop werkte daar druk aan de experimenten, die tot zijn proefschrift moesten leiden. Het ging over de invloed van amphetamine op het prestatievermogen van wielrenners. Onder zijn proefpersonen bevonden zich een aantal amateurwielrenners, die zich uit de naad moesten trappen op een fietsergometer. Er werden een aantal fysiologische functies geregistreerd, en de proefpersonen moesten ook hun subjectieve vermoeidheidsgevoelens aangeven. Wat ik me van de resultaten kan herinneren, is dat de prestaties  niet zichtbaar verbeterden onder invloed van de amphetamines. Het was zeker niet wat men had verwacht, en het deed dan ook veel stof opwaaien in de wielrennerij. Maar veel meer indruk maakte een stelling, die hij aan zijn proefschrift toevoegde, en die ging over het feit dat Nederlandse militairen zich tijdens de politionele acties in Indonesië hadden schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden. Joop was zelf in die tijd uitgezonden naar Indonesië om deel te nemen aan de politionele acties. Deze stelling sloeg in als een bom en stuitte op veel weerstand bij verenigingen van oud-miltairen. Ook de pers stortte zich erop, en de linkse en rechtse politieke partijen stonden weer eens lijnrecht tegenover elkaar. Achter het Nieuws met Herman Wigbold en Hans Jacobs wijdde er uitzendingen aan, er was een forum, ik meen in de Rode Hoed, met Hans Jacobs, Henk Vonhoff, de Amsterdamse wethouder Koets, en zelfs Schermerhorn, als ik me goed herinner. In de dagen daarna kwamen er bedreigingen aan het adres van Joop, die zo ernstig waren, dat hij zich genoodzaakt zag om met Ditha enige tijd onder te duiken. Daarna luwde de opwinding wat, maar  bij voorkomende gelegenheden werd Joop nog steeds gevraagd om op de TV zijn standpunten uiteen te zetten. Intussen had hij ook een leerstoel psychologie in Brussel gekregen. Maar daarin was Prof. Visser hem voorgegaan, want die zat ook al enige tijd aan de Vrije Universiteit van Brussel. Zo zaten dus de twee belangrijkste medewerkers van ons lab voor een deel van de tijd in België.

Maar, wij waren dus al enige tijd verhuisd naar het Jan Swammerdam Instituut (JSI), en ondergingen ook een verandering van status. Door allerlei bestuurlijke reorganisaties binnen de Universiteit waren wij niet langer meer een onderafdeling van de Medische Faculteit die hand- en spandiensten verleenden bij het fysiologie-onderricht aan de psychologiestudenten, maar traden toe tot de Subfaculteit Psychologie als een zelfstandige vakgroep, die de naam Psychofysiologie kreeg. Daarmee werden wij ook een hoofdrichting, waarin psychologiestudenten desgewenst konden afstuderen. Toen ik in juni 1968 afstudeerde, kon ik tot mijn grote vreugde een aanstelling aan het lab krijgen als wetenschappelijk medewerker. Ik had  er altijd met plezier gewerkt en moest er niet aan denken, dat ik had moeten solliciteren naar een baan als psycholoog ‘in de maatschappij’.  De dag na mijn afstuderen zei Visser dat ik voortaan geen professor meer hoefde te zeggen, maar dat ik hem gewoon Piet kon noemen. Hij had mij natuurlijk altijd al getutoyeerd en mij bij mijn naam genoemd.

Mijn doctoraalwerkstuk had ik trouwens gedaan onder supervisie van mijn vriend Jan Beijk. Hij was ook geïnteresseerd in de psychofysiologie en met name in de registratie van de galvanic skin response (GSR), een plotselinge verandering in huidweerstand door een onverwachte stimulus. Als zodanig zou het een nuttig onderdeel kunnen zijn van een ‘leugen-detector’. Je laat de proefpersoon een aantal neutrale plaatjes zien, en dan een plaatje waarvan je verwacht dat hij even zal schrikken. Als standaardexperiment gebruikte Jan het bekende spelletje, dat je een getal onder de tien in gedachten moet nemen, waarna hij getallen op een scherm projecteerde, terwijl de proefpersoon verbonden was met de GSR-meter. Na afloop van de projecties viel meestal duidelijk af te lezen, welk getal de pp in gedachten had gehad. Het experiment dat ik met hem gedaan heb was naar aanleiding  van een artikel dat Jan in de Scientific American had gelezen, en waar hij zeer enthousiast over was. Het ging over een onderzoek van Hess, die gevonden had, dat de pupil, afgezien van de hoeveelheid licht die op het oog valt, ook verschillend reageert op emotionele prikkels. Zo zouden de pupillen groter worden als je kijkt naar iets dat je leuk vindt en kleiner bij prikkels die minder aangenaam van aard zijn. Vooral één experiment van hem was heel spectaculair. Hij liet mannelijke proefpersonen (ppn.), kijken naar en face-foto’s van meisjes, waarbij zij enkel maar hoefden aan te geven wat zij de leukste meisjes vonden. Van tevoren waren deze foto’s door hem bewerkt, in de zin dat hij de pupillen van de meisjes groter of kleiner had gemaakt. De ppn waren hier niet van op de hoogte. Het interessante resultaat was, dat de foto’s van de meisjes met de grote pupillen steevast aardiger gevonden werden.  De ppn konden zelf niet aangeven, waarom zij de gekozen meisjes aardiger hadden gevonden. De verklaring die Hess hiervan gaf was, dat het leuk is om naar meisjes te kijken die grote pupillen krijgen als zij naar jou kijken, omdat dat aangeeft, dat zij jou kennelijk leuk vinden. Zouden zij kleinere pupillen krijgen, dan is het tegenovergestelde het geval. De resultaten die wij met ons onderzoek kregen, waren niet zo spectaculair als die van Hess, maar zij gingen wel in dezelfde richting. In de komende jaren zou dit soort onderzoek door mij worden voortgezet, in het kader van promotie-onderzoek. Door de grote methodologische en technische problemen van de pupilmetingen, heb ik die maat laten vallen, en ben in plaats daarvan overgestapt op de hartslag, die veel gemakkelijker te registreren is en die bovendien, volgens de literatuur op vergelijkbare wijze als de pupil, reageert op plezierige en onplezierige prikkels: een vertraging bij plezierige en een versnelling bij onplezierige. Maar het zou nog tot voorjaar 1981 duren, voordat ik mijn proefschrift kon verdedigen.

Ik was dus full time-medewerker geworden, wat ook een uitbreiding van mijn functies betekende. Er was niet alleen meer het fysiologisch practicum, maar ik zou ook, naast Visser en Hueting, college moeten gaan geven. Ik zag hier nogal tegenop want het waren vaak zalen met meer dan honderd studenten. Maar het wende vrij snel, zeker toen ik merkte, dat de studenten aandachtig luisterden en instemmend lachten op de goede momenten.

Door de nieuwe situatie werden er voor het practicum niet enkel meer medicijnenstudenten aangetrokken, dit gebeurde nog wel, want zij waren goed op de hoogte van dit soort practica, maar er kwamen  ook steeds meer psychologiestudenten bij.  Ik heb er de komende jaren heel wat zien komen en gaan. En allemaal werden zij aangesteld door Piet Visser. Visser was een opmerkelijke man. Hij praatte altijd, ook als er niemand was om tegen te praten. Ik herinner mij, dat ik een keer op het lab op de wc zat, en dat Visser pratend binnenkwam terwijl hij naar de urinoirs liep. Ik dacht dat hij met een bezoeker was, maar toen ik buitenkwam, zag ik hem alleen op de gang lopen, weer op weg naar zijn kamer. De bezoeker was virtueel. Zijn manier van lopen door de gang van het lab was ook heel kenmerkend, en is door een kandidaatassistent, Johan M. eens heel trefzeker getypeerd als: de schaatsende pinguïn. Zijn witte doktersjas wapperde dan om zijn lichaam, en zijn armen hield hij daarbij enigszins wijduit, van zijn lichaam af. Een andere keer zat ik ’s ochtends nog maar net achter mijn bureau, toen Visser opbelde, met een lang verhaal. Toen het afgelopen was, liep ik de gang op, op weg naar het secretariaat, waar ik Visser tegen het lijf liep, die me hetzelfde verhaal nogmaals vertelde. Hij was totaal vergeten, dat hij het al tegen mij had verteld, en was gewoon de gang op gelopen, om het ook tegen andere medewerkers te vertellen, waarbij ik de eerste was, die hij tegenkwam. Dit kon ook hinderlijk zijn. Op een morgen, het was in de tijd van de flower power, toen de hippies bijna in het Vondelpark woonden, liep ik van mijn huis op de Spiegelgracht naar het lab, toen ik bij de Nassaukade een opstootje van mensen zag. Ik liep er heen, en zag dat een paar agenten een dode jongen uit het water hadden gehaald. Hij lag op zijn rug op de kant, en had zijn handen over zijn borst gevouwen, alsof hij in gebed was. Dit was een detail, dat de meeste indruk op mij maakte. Hoe was het mogelijk, dat iemand, terwijl hij aan het verdrinken is, zijn handen op zijn borst vouwt en waarom? Zeer geschokt vervolgde ik mijn weg naar het lab en kwam daar als eerste Visser tegen, aan wie ik vertelde van de dode jongen. Visser hoorde mij aan, en begon meteen met een verhaal over wat hij vroeger had meegemaakt. Het was duidelijk, dat hij helemaal niet naar mij had geluisterd, maar er alleen een aanknopingspunt in had gezien om zelf weer aan het woord te komen. Op dat moment maakte zich een diepe moedeloosheid van mij meester, en heb ik mij, zodra dat kon, omgedraaid om naar mijn kamer te gaan.

Visser stond bekend als een moeilijke man, die voortdurend ruzie maakte met zijn medewerkers. Niemand kon het bij hem uithouden. Dit was de algemene opinie op het psychologisch lab, maar zoals zo vaak was ook dit niet helemaal waar. Joop Hueting en Piet hadden inderdaad vaak ruzie, die stoelde op Joops mening, dat Piet onbekwaam was als onderzoeker, en nooit prof had mogen worden. Zo’n ruzie werd dan op een vergadering  ‘uitgevochten’, waarbij Joop al snel een vuurrood hoofd van kwaadheid kreeg, terwijl Piet de kalmte zelf bleef, en in korte, afgemeten zinnen te kennen gaf wat hij ervan vond. Ik herinner me, dat Joop eens bij zo’n gelegenheid zei dat Ata, de vrouw van Piet, tegen hem had gezegd, dat Piet ‘de meest gepasseerde prof van de Benelux’ was. Het ging er dus inderdaad af en toe  hard aan toe. Voor Joop kwam de gelegenheid om als prof naar Brussel te gaan dan ook uitermate gelegen. Oudere medewerkers als Rie van R en Miep H, gingen hun eigen gang, waarbij kwam, dat zij enkel op het lab werkten als gasten. Maar bij de latere medewerkers, mijzelf inbegrepen, is mij nooit iets gebleken van een langdurige vete.

Haatdragend na ruzies was hij ook niet: als de ruzie eenmaal voorbij was, was daarmee de kous af, en werd er niet verder over gesproken. Ik herinner me, hoe Josette t.H., ook een gastmedewerkster, een charmante verschijning, maar met het hart op de tong, eens bij Visser zat, om over haar onderzoek te praten en plotseling, onder het uitroepen van: ‘Dit pik ik niet langer!’ opstond en zijn kamer verliet, waarbij zij de deur met een klap achter zich in het slot gooide. Ik was net op het secretariaat, hoorde het dus en keek even bij Visser binnen om te zien wat er aan de hand was. Hij zat achter zijn bureau, keek mij met een scheef lachje aan, en zei: ‘Josetje had het weer eens op haar heupjes.’ Klaar, over. Toen hij later eens twee collega’s op bezoek had, riep hij de toenmalige secretaresse bij zich, en verzocht haar om een paar kopjes koffie te halen. Willy, de secretaresse, keek hem hooghartig aan en antwoordde: ‘Dat staat niet in mijn taakomschrijving, dat zul je zelf moeten doen.’ Zij was nog maar net aangenomen, maar de toon was hiermee gezet, en Piet heeft haar nooit meer iets dergelijks gevraagd, en haar er ook nooit over aangesproken. Het was een vorm van beschaving, die ik altijd zeer in hem bewonderd heb.

Als opvolger van Joop Hueting werd Wim van der Grind binnengehaald. En met enig enthousiasme van de kant van Piet, want Wim was een gerenommeerd onderzoeker, en nog wel op hetzelfde gebied als waarop Piet was gepromoveerd: het visuele systeem, met als proefdier de kat. Later bleek, dat hij ook uitstekend college kon geven en als hij dat deed zat ik vaak onder zijn gehoor, uit pure belangstelling. Ik heb ook eens in een werkgroep van hem gezeten, waarin een boek van Kandel over de aplysia, een zeeslak werd behandeld. Dat beest had een uitermate eenvoudig zenuwstelsel, dat als het ware per neuron gevolgd kon worden, wat heel verhelderend was voor ingewikkelder zenuwstelsels. Een mooi boek, en Wims begeleiding was fascinerend.

Tussen Piet en Wim boterde het op den duur ook niet erg, maar van ruzie was geen sprake. Dat was ook eigenlijk niet nodig, want iedereen ging er van uit, en Piet zelf waarschijnlijk ook, dat  Wim in alle opzichten superieur was. Wim ging volledig zijn eigen gang, en had als het ware een lab binnen het lab, waar hij de scepter zwaaide. Het grotere lab had hij natuurlijk wel nodig, om aan de benodigde onderzoeksgelden te komen. Hoewel hij vrij lang bij ons is gebleven, is hij toch uiteindelijk weggepromoveerd, om hoogleraar vergelijkende fysiologie in Utrecht te worden.

In deze tijd kreeg het lab, door het benoemingsbeleid van Visser, een sterk bêta-karakter. Wim van der Grind noemde ik al, en toen de computer bij ons als eerste binnen de subfaculteit zijn intrede deed, kwamen al snel Nanco B en Joop H het team medewerkers versterken. Nanco was een ingenieur, en Joop een kernfysicus, met een grote belangstelling voor parapsychologie, waar hij een exacte basis aan wilde geven. Bij ons op het lab zou hij worden aangesteld als statistisch onderzoeksbegeleider voor het hele Jan Swammerdam-instituut. Uit Amerika (Berkley-universiteit van Californië) ten slotte kwam Anand Kumar, een hard-ware IT-man, van Indiase afkomst. Met zo’n team was de aanschaf van een computer natuurlijk alleszins verantwoord, en er werden dan ook vele cusrsussen georganiseerd voor de andere medewekers, om met de monsterlijk grote machine te leren omgaan. Tijdens die cursussen kreeg ik weer hetzelfde gevoel als tijdens de lessen vuurleiding en RADAR op de officiersopleiding in Ede. Ik bezat hier geen knobbel voor en alleen al bij het ‘bootstrappen’, waarbij via een aantal magische handelingen de computer in gebruik gesteld moest worden, brak het angstzweet mij uit.

Maar ernstig was dit niet. Voor mijn experimenten had ik de computer niet nodig. Mensen van de werkplaats hadden in mijn lab.ruimte een kooi van Faraday gebouwd, waarin de proefpersonen konden zitten om naar dia’s of filmpjes te kijken, terwijl ik in de tussentijd ‘ongestoord’ hun hartslag, ademhaling e.d. kon registreren. Hier zijn alle experimenten die in mijn latere proefschrift voorkomen, uitgevoerd. Soms ging er nog wel eens een ander experiment tussendoor, als b.v. Visser snel iets wilde onderzoeken. Het spectaculairste voorbeeld van dit laatste was een onderzoek naar Mellaril. Visser had in de literatuur gelezen, dat de tranquillizer mellaril een merkwaardige bijwerking had: naast het rustgevende effect, bleek, dat de mannelijke gebruiker ook geen ejaculatie meer kreeg. De coïtus kon gewoon plaatsvinden, tot en met het orgasme, maar een ejaculatie trad niet op. Visser sprak hierover met zijn vriend, de sexuoloog Herman Musaph, door Visser altijd Moesaap genoemd, die kind aan huis was op ons lab. Zij vroegen zich af of dit waar was, en als het zo was, waar dan het sperma bleef. Om het te onderzoeken leek mijn proefopstelling ideaal: de proefpersonen konden rustig in de cabine zitten en naar pornofilms kijken om in de juiste stemming te komen. Daarna moesten zij zich aftrekken, om te zien wat er gebeurde. Toen Piet en Herman er met mij over spraken, ging ik onmiddellijk akkoord, en besloot het experiment uit te voeren met mijn vriend en collega Huib van Dis. Wij hadden al eerder samengewerkt, en waren bij voorbeeld ook eens naar de zedenpolitie gegaan om aan pornografisch materiaal te komen, voor een experiment. Wij werden uiterst gastvrij ontvangen en zij hebben ons met grote bereidwilligheid een grote hoeveelheid materiaal afgestaan, dat nu goed van pas kwam.

Voor het experiment hadden we een extra instrumentje nodig, dat in staat was om de veranderingen van de penisomtrek aan  te geven. Dat was voor de electronici een koud kunstje: zij fabriceerden een bandje met een rekstrookje erin dat om de penis moest worden gebonden en dat reageerde met een weerstandsverandering als het strookje meer of minder werd uitgerekt. En deze veranderingen in weerstand konden weer eenvoudig worden uitgeschreven op het registratiepapier van de polygraaf, zoals het grote apparaat waarmee wij werkten, werd genoemd. Bij een van de proefzittingen om het instrumentje te testen, maakten wij per ongeluk een unieke registratie: terwijl een jonge proefpersoon naar een pornofilm zat te kijken, zagen wij op het registratiepapier tot onze grote verbazing plotseling een reeks snelle golfjes verschijnen. Het bleek, dat de proefpersoon door het filmpje zo opgewonden was geraakt, dat hij spontaan een orgasme had gekregen. In ieder geval bleek hieruit, dat het instrument werkte, en dat wij met het experiment konden beginnen. De registratie heb ik altijd bewaard, als curieus document.

De opzet was gebruikelijk voor een farmacologisch experiment: de proefpersonen moesten drie keer komen; één keer kregen zij niets, één keer een placebo die er net zo uitzag als het mellariltabletje, maar geen fysiologische werking had, en één keer inderdaad de mellaril. Aan het einde van elke zitting moesten zij zich aftrekken, en het sperma opvangen in een glazen potje, zodat het door de analiste kon worden gecontroleerd op hoeveelheid en levendigheid van de spermacellen. Het werven van proefpersonen kostte weinig moeite, en onder hen bevond zich ook de schrijver Adriaan van Dis, een neef van Huib, (Adriaan noemde Huib altijd zijn geleerde neefje) die van hem had gehoord van het experiment, en dat wel eens wilde meemaken. Hij trof de eerste keer mellaril, en ejaculeerde dus niet bij het aftrekken. Toen hij de volgende keer terugkwam, zei hij dan ook: ‘Zo, gaan we weer luchtpompen?’ Maar dat viel mee, want hij kreeg toen of niets of de placebo, en dus een ejaculatie. De proefleiders, Huib en ik, waren hier ook niet van op de hoogte, zoals het hoort in een dubbelblind experiment. Omdat ik geen familie was, heb ik bij Adriaan steeds het bandje om de penis aangebracht, wat ik wèl heb geweten, want toen ik korte tijd later op De Kring kwam, waar Adriaan ook was, riep hij, toen hij mij ontwaarde: ‘Hé, daar heb je Mels de Jong ook, die heeft wel honderd keer mijn pik gezien!’ Afgezien van de overdrijving, heb ik mij niet verwaardigd daarop te reageren.

Uit het experiment bleek, dat na het slikken van mellaril inderdaad de ejaculatie uitblijft, maar hoe dat komt, en waar het eventuele sperma dan blijft, is een raadsel dat niet werd opgelost, hoezeer Visser en Musaph zich hier ook het hoofd over braken. Musaph opperde, dat het misschien de verkeerde weg neemt, en in de blaas terecht komt, maar hoe en waarom? Als er na een mellarilzitting als eens wat sperma naar buiten kwam, dan was het niet veel, en bovendien niet erg levendig, wist Catrien, de analiste, te vertellen Maar een geschikt anticonceptiemiddel voor de man, was het dus toch niet.

Een van de eerste secretaresses die bij ons op het lab kwam werken, was Lucie de V. Zij was heel jong, en kwam net van een Schoeverscursus. Zij had een vriend, Ronnie G. die voor tandarts studeerde en daarnaast ook nog speelde in een pop-bandje. We kregen direct een goed contact, zij kwamen wel op feesten bij ons thuis, en in januari 1972 heeft Ronnie mijn hele gebit gerestaureerd, in het kader van een afstudeeropdracht. Ik hoefde daar alleen maar de materiaalkosten voor te betalen, en zo kreeg ik de nodige kronen en bruggen in mijn mond. Na afloop zei Ronnie tegen mij: ‘Nou, dat zit gegarandeerd voor vijfentwintig jaar.’ Het is nu veertig jaar later en ik heb nooit meer problemen gehad. Toen Ronnie later afstudeerde en een praktijk begon in Zaandam, kreeg hij een verhouding met een tandartsassistente, Ankie, en ging ook met haar samenwonen. Met Lucie was het dus uit. Het is teveel gezegd, dat zij daarna haar troost bij mij is gaan zoeken, maar wij hebben wel een vrij langdurige amoureuze relatie gekregen. Wij zagen elkaar natuurlijk dagelijks, en zij kwam ’s ochtends altijd wel even bij mij binnenlopen om een praatje te maken. Bij mijn afscheid van de universiteit schreef zij hierover in mijn vriendenboek: ‘Afscheid van al die ochtenden dat ik jouw kamer binnenstapte om je mijn wederwaardigheden te vertellen. Jij luisterde en reageerde. Afscheid van een tijdperk, maar niet van jou.’ Veel problemen gaf het  niet, omdat Gerda ook bijzonder op Lucie gesteld was. Lucie heeft later ontslag genomen bij het lab om te gaan studeren. Aanvankelijk geschiedenis,   maar later Italiaans en Spaans, waarin zij ook is afgestudeerd. Zij kon daarna uitgezonden worden naar Ecuador om de Indianentalen daar te gaan bestuderen, maar eerst trouwde zij nog met Wim van A., iemand die wij ook al kenden, zij het toen nog niet zo goed, via Else (hij was leraar klassieke talen op hetzelfde gymnasium, waar Else Nederlands gaf). Wim, die op dat moment al geen les meer gaf, is met Lucie meegegaan naar Ecuador, en zij zijn er vier jaar gebleven. Zij behoren nog steeds tot onze beste en meest trouwe vrienden. Ronnie heeft later, toen wij uit Hoogwoud terugverhuisden naar Amsterdam, onze boerderij gekocht, en woont er nog steeds met Ankie, de assistente, zij het, dat zij vaak op Bonaire vertoeven, waar zij ook een huis hebben. Wij hebben daar één keer bij hen gelogeerd, in hun prachtige huis aan het strand. ’s Avonds zaten wij daar met een rum-cola in de hand te praten en te kijken naar grote vissen, tarpons, meen ik, die af en aan zwommen langs hun strand.  Een idyllische vakantie, die op een dag wreed werd verstoord, toen het bericht ons bereikte, dat Pim Fortuin was vermoord.

In 1972 begon op het lab ook de traditie van de fietsrally’s. Het werd een jaarlijks evenement, meestal in juni, waarnaar al lang van te voren werd uitgekeken. De rally werd steeds georganiseerd door drie medewerkers, en eindigde de eerste keren in Loenersloot, in de tuin van Piet Visser, waar men van heerlijke spijzen en drankjes kon genieten. Ata, de vrouw van Piet, verscheen dan steevast in de klederdracht van de Beemster, waar zij oorspronkelijk vandaan kwam. De eerste rally, in 1972, werd georganiseerd door Lucie, Josette en Catrien. Wij moesten ons verzamelen met onze fietsen bij de Bosbaan, in Amstelveen. We moesten allemaal bandenplakspullen bij ons hebben, regen- en zwemkleding en een hoofddeksel tegen regen of zon. Als laatste kwam Piet aan. Naar verluidt was hij onderweg aangehouden door de vreemdelingenpolitie, die in hem waarschijnlijk een illegale buitenlander zag. Hij zag er dan ook wat potsierlijk uit, met een kuitbroek, kniekousen en een uitzonderlijk grote Mexicaanse sombrero. Maar hij heeft er zich professoraal uit weten te redden. Ik had voor deze eerste rally  mijn eerste racefiets gekocht bij de Makro, en moest erg wennen aan de springerige beweeglijkheid van de fiets. De tocht voerde door Amstelveen richting Uithoorn, waarbij op het laatst ook nog enige behendigheidstests op de fiets moesten worden afgelegd, zoals wie het langzaamst op de fiets de weg over kon steken; e.d. Volgende rally’s vonden plaats in Zandvoort, Purmerend, Castricum en Het Gooi. Van deze laatste herinner ik mij nog een merkwaardig incident. Wij hadden net een nieuwe Peugeot Diesel gekocht, waarmee ik naar de plaats van samenkomst was gereden en hem daar had geparkeerd. Gerda, die die dag gewoon moest werken, zou tegen het einde van de rally met de trein komen. Toen ik tussen de middag iets uit de auto wilde halen, bleek deze verdwenen. Natuurlijk overal gezocht, maar tevergeefs. Ik was zeker van de plaats waar ik hem had neergezet, en je kon ook zien dat er achteruitrijsporen in het zand waren. Iemand was er dus mee weggereden. Ik wist niet beter te doen, dan de politie te bellen, die met een dienstauto kwam informeren wat er aan de hand was. Zij beloofden, dat zij in de buurt zouden gaan rondrijden, om te zien of zij de auto konden achterhalen. Dat konden zij, en de dievegge bleek Gerda te zijn. Zij was eerder klaar, en dus eerder gekomen. Op de parkeerplaats had zij de auto zien staan, en besloot er een eindje in te gaan rijden. Voor haar was de auto ook nieuw en zij wilde wel eens een proefritje maken. En de psychofysiologen waren toch nog met hun rally bezig…

Toen Psychofysiologie eenmaal een zelfstandige vakgroep was geworden, ontstonden er een aantal verschillende projectgroepen, te weten neuro-informatica, met vooral Van der Grind en Bordewijk, motorisch gedrag, o.l.v. Han Kemper, en slaap- en droomonderzoek, wat voor Visser het eigenlijke hoofdproject van de vakgroep moest worden, waar zoveel mogelijk medewerkers aan zouden deelnemen. Terwijl bij neuro-informatica Wim vooral geïnteresseerd was in het visuele systeem, deed Nanco B onderzoek aan het auditieve systeem. Om zich te oriënteren, wilde hij graag een jaar naar Amerika, om daar eens rond te kijken. Hij dacht aan onbetaald verlof en ging hierover praten met de afdeling personeelszaken van de subfaculteit. Daar vond men het geen goed idee. Dat lag financieel te ingewikkeld, en bovendien zou hij dan zelf de sociale voorzieningen moeten betalen, waar een groot bedrag mee gemoeid was. Men vond het beter dat hij een ‘sabbathical year’ zou opnemen. Hij zou dan gewoon doorbetaald krijgen, en moest alleen beloven, dat hij na terugkomst weer in dienst van de universiteit zou treden. Hij heeft dit gedaan, maar ging na dat jaar niet terug naar de universiteit. Daar heeft hij nooit meer iets van gehoord. Zo ging dat toen. Over bezuinigingen had men het toen niet.

Het project slapen en dromen werd ook wel aangeduid als KIPH, uit te spreken als kip ha. Achter deze letters gingen de termen schuil van kunstmatige intelligentie en patroonherkenning, twee belangrijke aspecten van slaapregistraties. Dit zeker als men nagaat, dat een registratie van één nacht een papierstrook oplevert van een kleine 300 meter. Handmatig is dit nauwelijks te verwerken, het moet op de een of andere manier automatisch kunnen, en daarvoor had Visser dan ook Anand Kumar aangetrokken, die met zijn Amerikaanse achtergrond van chipbakker in staat moest worden geacht een machine te ontwerpen voor automatische slaapstadiaherkenning. Dit gelukte Anand, maar het was maar een begin: zijn uiteindelijke doel bleef om deze machine ten slotte in een chip te kunnen bakken. Hij werkte in het onderzoek nauw samen met Winni H, die later ook met hem zou trouwen. Het was het tweede huwelijk binnen de muren van het lab, want Piets eerste promovendus, Peter M, was hem hierin voorgegaan, door ook weer een medewerkster, Irene W, te trouwen. Met Piet als getuige…’Hij lijkt ook zo op mijn eigen vader’, zei Peter wel eens.

Na verloop van tijd waren de experimenten voor mijn promotie-onderzoek achter de rug, en kon ik ook toetreden tot de ‘slaapgroep’. Ik stelde voor, dat ik mij zou gaan bezighouden met droomonderzoek, en zou gaan bestuderen in hoeverre hier experimenteel werk mee gedaan kan worden. Het werd goedgevonden, en ik stortte mij, naast het schrijven aan mijn proefschrift, op het bestuderen van de droomliteratuur.

Mijn proefschrift kreeg als titel: ‘Emotie en respons, een psychofysiologisch onderzoek’ en de promotie
vond plaats op 3 april 1981, om drie uur ’s middags. Plaats: de aula van de universiteit, in de Lutherse kerk aan het Spui. Promotor was natuurlijk Piet Visser, maar als copromotor had ik  Co Orlebeke gevraagd, de psychofysioloog van de VU, die net professor was
geworden, en dus bevoegd om als promotor op te treden. Nico Frijda was coreferent, en ik had Jan Beijk gevraagd om uit de zaal te opponeren, waar hij zich met verve van heeft gekweten. Als getuigen traden op Marian Beijk en Bouke Ylstra. Bouke onder veel protest, omdat hij zich dan in een donker pak zou moeten vertonen. Ik had ook een tekening uit zijn schetsboek mogen kiezen, dat als illustratie op het omslag prijkte. Marian en ik hadden al lang van tevoren afgesproken, dat wij op dezelfde dag zouden promoveren, en dat wij dan elkaars getuige zouden zijn, maar dat is er van haar kant niet van gekomen. Jammer, want het onderwerp van haar onderzoek was aardig genoeg: de oorzaken van black-outs bij acteurs en actrices. Ik was behoorlijk zenuwachtig voor mijn ‘optreden’ en heb met Gerda, Bouke en Josée eerst nog een pilsje gedronken bij Hoppe en een tranquillizer  genomen. Vlot ging mijn verdediging niet, maar dat had ik ook niet verwacht en uiteindelijk kwam natuurlijk toch het bevrijdende ‘hora est’ van de pedel. Bij de terugkeer van de promotiecommissie, was er nog een aardige verrassing, waar Gerda voor had gezorgd: van het balcon weerklonk jazzmuziek, uitgevoerd door Radko Berka, mijn trompetleraar en twee leden van mijn crea-bigband, een trompettist en een trombonist. Gerda had dit met Radko en Gerbrand Westveen, de leider van de band geregeld. Het was ongebruikelijk en ook eigenlijk niet toegestaan, maar wel erg aardig. Josée is tijdens de promotie en de receptie opgetreden als fotograaf.
Voor het promotiediner hadden Gerda en ik een zaaltje besproken in het Pulitzerhotel aan de Prinsengracht. Om
een paar redenen: het lag strategisch halverwege de aula en ons huis aan de Gietersstraat, waar ’s avonds het feest zou plaatsvinden, en ook niet op grote afstand, zodat iedereen gemakkelijk van plek naar plek kon lopen.  De andere reden is wel curieus. Toen Gerda en ik een keer uit de Flevopolder, waar wij vogels hadden gekeken, weer op de grote weg kwamen, bemerkten wij tot onze verrassing, dat wij achter de bus reden, waarin Paul MacCartney en zijn nieuwe band, The Wings zaten. Wij hebben
de bus gevolgd tot het Pulitzerhotel, waar zij kennelijk logeerden. Toen zij uitstapten, Paul, zijn vrouw Linda met baby en de andere bandleden, hebben wij een aantal foto’s van hen gemaakt. Daarna heeft het hotel altijd een bijzondere betekenis voor ons gehad.

Van het diner kan ik mij weinig meer herinneren. Ik meen, dat er een paar mensen gesproken hebben, zoals Co Orlebeke, maar zeker weet ik ook dat niet. Aanwezig waren in ieder geval: Piet en Ata Visser, Frijda, Orlebeke en zijn vrouw, Jan en Marian Beijk, Bouke en Josée Ylstra, Henk en Corrie Jansen en Gerda en ik. Het feest begon om 9 uur, en eindigde laat in de gebruikelijke alcoholische nevels.

Hoewel de vakgroep goed draaide, en veel studenten afleverde, die ook bijna allemaal (op één na) een baan vonden, zoals Visser later bij zijn afscheid trots zou vermelden in een interview, werd er op de subfaculteit psychologie toch met enig ongenoegen, en misschien wel met enige afgunst, naar ons gekeken. Want terwijl de meeste vakgroepen achteruit gingen in studentenaantal, steeg dat bij ons haast exponentieel. Daarbij kwam natuurlijk, dat alle andere vakgroepen bij elkaar in één gebouw zaten –het psychologisch laboratorium aan het Weesperplein, in de volksmond de ‘doodskist’ genoemd, vanwege het zwarte uiterlijk- en dat wij als enige gehuisvest waren in het Jan Swammerdaminstituut, grenzende aan het W.G. Wij waren ook een dure vakgroep, in de zin dat wij voor ons onderzoek een zwaar beroep deden op de voor onderzoek aanwezige gelden. En de medewerkers hielden ervan om congressen te bezoeken om verslag te doen van de experimentele resultaten en te luisteren naar andere onderzoekers. Deze reisjes werden betaald door de subfaculteit, en omdat de medewerkers van andere vakgroepen er weinig gebruik van maakten, werden onze aanvragen bijna altijd gehonoreerd. Zelf ging ik een aantal jaren elke herfst naar de jaarvergadering van de internationale werkgroep voor psychosomatiek in Londen, bijna altijd met Visser en Musaph, maar ook met mijn collega’s Huib van Dis en Jan Snel. Ook heb ik wel praatjes gehouden in Bazel, in Praag, in Mariënbad en in Szeged, Hongarije, wat tevens mijn laatste congresbezoek is geweest. Ik zou de reisjes niet graag hebben willen missen. Londen vond ik het mooiste. Niet alleen waren de bijeenkomsten interessant, maar ik had ’s avonds ook gelegenheid om naar het theater te gaan, of naar de jazzclub van Ronnie Scott in Soho, (ik heb daar vele beroemdheden zien optreden, van Linda Rondstadt tot Chet Baker) en tussen de bedrijven door ging ik naar de befaamde boekwinkel  Foyle’s,  op Tottenham Court Road, om de nieuwste uitgaven op literair gebied aan te schaffen.

Maar het valt niet te ontkennen, dat het psychologisch lab, met alle vakgroepen en commissies die daar huisden, met steeds groter wantrouwen naar het buitengebied in het J.S.-instituut keek, en vond, dat het onderzoek dat bij ons gedaan werd geen ‘echte’ psychologie was, ondanks nota’s van onze kant, vooral van Wim vd Grind, om het tegendeel aan te tonen. Wij vingen af en toe wel eens iets op, maar wat er zich precies afspeelde, werd nooit helemaal duidelijk. Toen er een nieuwe decaan aantrad, die een secretaris zocht, leek het moment gekomen om te infiltreren in de top van de subfaculteit. De nieuwe decaan was Rita Vuyk, een lange, magere en ongemakkelijke tante, die gevreesd was bij zowel studenten als medewerkers. Maar mij heeft ze altijd graag gemogen. Ik ben een tijdlang kandidaatsassistent bij haar geweest, ondanks dat ik dat ook al bij fysiologie was, en toen ik na verloop van tijd bij haar wegging, omdat de dubbelfunctie toch te zwaar werd,  was mijn ‘good will’ voldoende om Gerda zonder slag of stoot bij haar aangesteld te krijgen. Zij heeft er tot haar afstuderen in 1969 gewerkt.

In overleg met Visser besloot ik om te solliciteren naar de secretarisbaan en werd onmiddellijk aangenomen. De baan bestond uit het schrijven van brieven, maar vooral ook uit het voorbereiden van de SFR-vergaderingen, (SFR is subfaculteitsraad) die als ik mij goed herinner éénmaal in de maand plaatsvonden. Veel kon ik natuurlijk niet aan de gang van zaken veranderen, maar wel kon ik mijn lab uit de eerste hand op de hoogte houden van wat zich op het psych. lab afspeelde, en konden zij zich voorbereiden op eventueel te nemen beslissingen. Ik bemerkte, dat zodra ik alleen op de kamer zat er voortdurend medewerkers bij mij aanklopten met hun welgevallige suggesties. Vooral Jan Elshout had hier een handje van. Ik had geen macht, maar toch probeerde men mij te beïnvloeden: of ik daar niet eens met Vuyk over kon praten, e.d. Praten met Vuyk (ik mocht natuurlijk Rita zeggen), deed ik genoeg, en het waren vaak hele grappige gesprekken, zoals toen ze mij eens vertelde, dat zij altijd in de grootste BMW’s reed, omdat dat de enige auto’s waren, waar zij haar benen in kwijt kon. Van haar gevreesde kant leerde ik haar ook wel kennen, als er bij voorbeeld een studente bij haar op spreekuur kwam, die zij hardhandig te woord stond, en die daardoor steeds beteuterder werd. Na afloop zei Rita dan tegen mij: ‘Dat was weer zo’n bewusteloze griet.’ Ik herinner mij, dat ik ook eens op een spreekuur ben geweest van Vuyk. Ik was gezakt voor een schriftelijk tentamen, en meende mij op goede gronden te kunnen verdedigen. Sommige antwoorden waren niet fout, volgens mij. Ik hield bij Vuyk een gloedvol betoog, om haar van mijn gelijk te overtuigen, en ik bemerkte dat zij aandachtig naar mij luisterde. Ik dacht het pleit al beslecht te hebben, maar toen ik uitgepraat was, zei zij: ‘Je kunt mooi praten, maar de onvoldoende blijft staan.’

Als er een bijeenkomst was om de volgende SFR-vergadering voor te bereiden, met naast Rita en mij, Ruland, de administrateur, en een paar medewerkers van de onderwijs- en wetenschapscommissies, dan wist zij zelfs een hele huiselijke sfeer te creëren, met thee en koekjes, waar zij zelf voor zorgde. Kortom, ik heb het een leuke tijd gevonden, bij Rita, en toen zij niet veel later overleed, had ik daar oprecht verdriet over.

Maar het tij voor psychofysiologie bleek toch niet te keren. Er werden reorganisaties op de universiteit aangekondigd in verband met bezuinigingen, en dat ons lab daar onder te lijden zou krijgen was duidelijk. Neuro-informatica moest verdwijnen, en na het afscheid van Visser toen hij vijfenzestig werd, zou psychofysiologie moeten fuseren met functieleer, de vakgroep van Nico Frijda en Jan Elshout, waarna de nieuwe vakgroep psychonomie zou gaan heten. Wij zouden weg moeten uit het Jan Swammerdaminstituut, en werden gehuisvest in het Psychologisch Lab op het Weesperplein. Zo is het in werkelijkheid ook gegaan.

Visser heeft in juni 1984 afscheid genomen. Zelf zou hij liever tot zijn zeventigste gebleven zijn, maar dat werd niet toegestaan. Zijn hoogtepunt is ongetwijfeld geweest de organisatie van het ‘Fifth congress of sleep research’ in september 1980 in het JSI. , waar alle internationale coryfeeën op het gebied van het slaap- en droomonderzoek aanwezig waren. Maar aan zijn afscheid hebben wij veel aandacht besteed. Jan Snel en ik waren het er over eens, dat voor Piet een koninklijke onderscheiding het mooiste cadeau zou zijn, en daarom is Jan hier, in samenspraak met Ata druk voor in de weer geweest. Tot onze teleurstelling kregen wij te horen, dat het niet door zou gaan, omdat bij het antecedenteonderzoek aan het licht was gekomen, dat een broer van Piet in de oorlog lid was geweest van de W.A. Wij wisten dat wel, maar Piet had hier helemaal niets mee te maken, en koningsgezinder dan Piet kon een mens niet zijn. Wij hebben er nooit met Piet over gesproken, maar misschien heeft Ata het hem wel verteld. Maar een vriendenboek kwam er wèl, onder redactie van Alena Bruza, de Tsjechische bibliothecaresse van de vakgroep, van Winni Hofman en van mij. Het is een alleraardigst boek geworden, waar ik nog vaak in blader, met inzendingen van alle medewerkers van het lab, en van vele buitenlandse vrienden en collega’s. Ook op het Psychologisch Lab is hij gehuldigd en in de aula toegesproken door medewerkers en vooral ook door studenten, en natuurlijk vergastte hij zijn vrienden en medewerkers op een van zijn befaamde lunches in de Vechtstreek.

De laatste soortgelijke lunch die hij gegeven heeft, was als ik mij niet vergis, ter ere van zijn vijfenzeventigste verjaardag in 1994. Ik zat naast Paul Voorhoeve, en viel tijdens ons gesprek van de ene verbazing in de andere. Voorhoeve was de hoogleraar neurologie, en zat met zijn lab op de zelfde verdieping van het JSI als wij. Zijn lab huisde in de Zuidelijke helft, en dat van ons in de Noordelijke. Voorhoeve stond bekend als een internationaal befaamde onderzoeker, en hij had gewerkt in Australië bij de beroemde electrofysioloog Eccles, die twee maal de Nobelprijs ontving. Hij zag er altijd een beetje streng uit, vond ik, en toen hij op een gegeven moment zijn baard liet staan, leek hij sprekend op Freud. Ik heb nooit iets met hem te maken gehad, maar ik kwam zo nu en dan op zijn lab om vergaderingen bij te wonen van de technische commissie van het JSI, waar ik namens psychofysiologie deel van uitmaakte. Ten tijde van de lunch was hij al weg bij de universiteit, en toen ik vroeg wat hij nu deed, zei hij, dat hij sinds zijn vertrek bij de universiteit geen neurologieboek meer had ingezien en de ontwikkelingen ook helemaal niet meer volgde. De neurologie was mooi geweest, maar hij was nu met andere dingen bezig. Hij had Frans gestudeerd en was afgestudeerd aan de VU. Fantastisch vond ik dat, en helemaal toen hij vertelde dat hij, de gerenommeerde onderzoeker studentlid van de wetenschapscommissie was geweest. Hij dacht er zelfs over om te gaan promoveren op Malraux, die hij via Du Perron had leren kennen. Alweer een fantastisch verhaal, want natuurlijk was Du Perron naast Ter Braak altijd mijn literaire leermeester geweest, die mij vooral in kennis had gebracht met Léautaud, die daarna een groot deel van mijn leven zou vullen. Ik praatte met Paul verder over Du Perron, en toen vertelde hij mij, dat hij de Du Perronvereniging had opgericht, en dat hij daar nu voorzitter van was. Had ik geen zin om lid te worden? Natuurlijk had ik dat, en nog tijdens de lunch gebeurde dat. Paul zei, dat er dan en daar een bijeenkomst was, en dat ik ook moest komen. Hij zou mij nog wel bericht sturen. Hij vertelde mij ook nog, dat hij en zijn vrouw altijd met grote belangstelling mijn besprekingen in de NRC lazen.

Sinds die tijd zagen wij elkaar regelmatig. Niet alleen bij de Du Perronvereniging, waar altijd lezingen werden gehouden en die een fraai blad uitgaf onder de titel: Cahiers voor een lezer, maar ook op de bijeenkomsten van de Biografenclub, waar ik lid van was, in verband met de A.M. de Jongbiografie, waar ik toen aan werkte. Paul bezocht die bijeenkomsten omdat hij nog steeds dacht over een studie over Malraux. Hij was altijd vergezeld van zijn vrouw Hans. Ik heb hem voor het laatst gezien op de presentatie van de A.M. de Jongbiografie, want korte tijd later verhuisden wij naar Frankrijk, en moest ik het bezoeken van de bijeenkomsten opgeven. Toen wij jaren later, in 2010, op weg waren naar Grenoble, kocht ik in een krantenhalletje een NRC, die Gerda, terwijl ik verder reed doorbladerde. Plotseling zei zij: ‘Paul Voorhoeve is dood.’ Ik schrok er erg van, en heb onmiddellijk na thuiskomst een lange brief geschreven aan Hans, om haar te condoleren, en om herinneringen op te halen aan Paul, die ik zo graag nog beter had willen leren kennen. Zij schreef mij, dat Paul was overleden aan een acuut levercarcinoom, en dat het binnen de kortste keren afgelopen was.

Maar om terug te komen op Piet Visser. Zijn vrouw Ata is overleden aan borstkanker toen wij nog op het JSI huisden. Er was al eens een borst weggehaald, maar dat heeft slechts korte tijd soelaas gegeven. Piet en Ata gingen ’s winters altijd op wintersportvakantie naar Pontresina, in Oost-Zwitserland. Daar ontmoeten zij eens in de eetzaal een weduwe met haar zoontje, met wie zij onmiddellijk een goed contact hadden. Zij zagen elkaar na die tijd regelmatig, en Piet werd zelfs voogd van de jongen. Na de dood van Ata was er zelfs sprake van een vaste relatie tussen Piet en Rosmarie, de weduwe. Ik noemde haar altijd ‘das Mädchen Rosmarie’, naar aanleiding van de bekende film over das Wirtschaftswunder. Zij woonde in Bazel, en Piet bracht vrijwel al zijn vrije tijd met haar door. Hij ging naar Bazel, of zij kwam naar Loenersloot. Na zijn emeritaat zagen wij Visser een stuk minder. Wij schreven elkaar kaarten als wij op vakantie waren en met Kerstmis, en op onze verjaardagen belden wij elkaar altijd, wij waren vlak na elkaar jarig, op 2 en op 6 juni. Verder zat ik nu in de vakgroep van Frijda en deed samen met Jan Elshout, die voorzitter was, het dagelijks bestuur van de vakgroep. Mijn ervaring met Rita Vuyk bewees mij weer goede diensten. Ik had een kandidaatsassistent, Dé W., met wie ik goed overweg kon, en samen voerden wij een inhoudsanalyse uit op een groot aantal Nederlandse dromen, die door ons waren verzameld. Dit in navolging van een Amerikaans onderzoek, waarin werd vastgesteld hoe de ‘gemiddelde’ Amerikaanse droom eruit zag. Onze bedoeling was om na te gaan in hoeverre de Nederlandse droom zich liet vergelijken met de Amerikaanse. Er bleek een grote mate van overeenstemming te bestaan, tussen de dromen van beide landen. De duidelijkste verschillen waren, dat de Nederlander meer agressie vertoont in zijn droom, en de Amerikaan meer seks.

Hoewel in een andere vakgroep ging geven van onderwijs natuurlijk gewoon door, en ook de studenten die we al hadden op het JSI gingen afstuderen. Het grappigste maakte ik mee, toen mijn beste student, Guy R., afstudeerde. Ik zat, als zijn docent, in de examencommissie, naast Nico Frijda en Jan Elshout namens de vakgroep. Ik weet niet meer of Guy cum laude kreeg, maar ik zal daar in ieder geval mijn best voor hebben gedaan. Gebruikelijk is, dat de hoogleraar na afloop van het ‘examen’, een kort toespraakje houdt, en dat moest ik in dit geval vanzelfsprekend doen, want ik was de enige die hem goed kende, en hem tijdens de studie had begeleid. Toen ik klaar was, zei Guy: ‘Ik weet dat het ongebruikelijk is, maar ik zou nu ook graag iets willen zeggen, waarna hij een waar loflied afstak over mij als docent, hoe erudiet en geestig mijn colleges altijd waren, dit in tegenspraak met de colleges van zoveel andere docenten, etc. etc. Ik luisterde er met welgevallen naar, en zag hoe bij Frijda en Jan Elshout de monden van verbazing openvielen. Ik vatte het op als een compliment aan de vakgroep psychofysiologie, die altijd zo verguisd was door de andere vakgroepen, en nu van studentzijde als het ware in ere werd hersteld. Na afloop, tijdens een kopje koffie heb ik Guy dan ook uitvoerig bedankt, en hebben we nog eens hartelijk nagelachen om de verbouwereerde gezichten van Nico en Jan.

De universitaire reorganisaties waaraan ons lab ten gronde was gegaan, waren nog maar een deel van de voorgenomen bezuinigingen. Een volgende stap zou zijn, dat het mes werd gezet in het aantal medewerkers. Medewerkers van vijftig jaar en ouder konden, indien zij dat wensten, vervroegd uittreden. Zij kregen dan een aantrekkelijke wachtgeldregeling, en in hun plaats konden dan jongere en goedkopere medewerkers worden aangetrokken. Ik had hier wel oren naar, maar ik was al over de vijftig, en dacht daarom dat 55 een mooie leeftijd zou zijn om ermee te stoppen. De universiteit had ik nu wel gezien, en met de steeds krappere middelen zou het alleen maar minder prettig worden om er te werken. Bovendien kon ik dan meer gaan schrijven en/of vertalen, en daar zag ik erg naar uit. Financieel zag het er ook niet slecht uit: tot mijn zestigste zou ik 90% van mijn laatstverdiende salaris ontvangen, en van 60 tot 65 80%. Ik ben gaan praten met personeelszaken en kon inderdaad gedaan krijgen, dat ik er na mijn 55ste mee zou stoppen. Dat zou dus zijn na 6 juni 1987. Maar eerst gebeurde er nog iets anders.

In het najaar van 1986 zaten Dé en ik op mijn kamer te praten, toen wij gebeld werden door de portier dat er twee agenten beneden stonden om ons te spreken. Wij keken elkaar geschrokken aan, maar lieten hen toch maar boven komen. Zij bleken van de Haagse politie te zijn, en waren naar ons toegekomen omdat wij deskundigen waren op het gebied van dromen. Het ging erom of wij zouden kunnen beoordelen of een verhaaltje dat zij ons zouden laten zien, een echt droomverhaal was, of zomaar een fantasietje. Waar ging het om? In IJmuiden was sins korte tijd een meisje zoek van een jaar of vier, Cheryl Morriën. En nu had een jongen in Den Haag de politie gebeld, met de mededeling, dat hij een droom had gehad, dat hierover ging, en dat daarin precies de plaats werd beschreven waar ‘het’ gebeurd was. Als wij nu zouden zeggen, dat het waarschijnlijk geen droom was, dan was het de moeite waard om de jongen aan een verder onderzoek te onderwerpen en hem in voorlopige hechtenis te nemen. Dé en ik lazen het verhaaltje, en waren het er beiden over eens, dat het praktisch zeker geen droomverhaal was. Daarvoor hadden wij er al teveel van onder ogen gehad.

De gebeurtenissen daarna volgden elkaar snel op. Dé en ik werden uitgenodigd om met twee agenten van de Haarlemse rijkspolitie en de Haagse jongen, die we H.B. zullen noemen, naar IJmuiden te gaan en daar de duinen te gaan bekijken, die een rol speelden in de ‘droom’ van H. H bleek een uiterst in zichzelf gekeerde puber, die zo goed als niets zei. Wij hadden de opdracht om hem goed te observeren om uit zijn gedrag eventueel te kunnen afleiden of bepaalde plekken hem emotioneerden. Bij een plek aarzelde H zelf, en zei, dat die hem bekend voorkwam uit de droom. Door de agenten werd de plek genoteerd, en even later gingen wij weer terug. Toen Gerda en ik een paar dagen later nog eens op die plek gingen kijken, bleek hij totaal omgeploegd te zijn. De politie had het zekere voor het onzekere genomen, en het gehele terrein afgegraven. Maar niets gevonden, want Dé en ik werden weer gebeld en gevraagd of wij eens met H wilden praten. Misschien kregen wij iets uit hem? Tegen de politie zei hij niets. Wij moesten naar de Koudenhornkazerne in Haarlem, waar H gevangen zat. Voor mij was het bekend terrein, want ik had daar de eerste weken van mijn dienstplicht doorgebracht, en was er dertien maanden later ook afgezwaaid. Wij werden in een klein kamertje naast de poort gelaten, waar even later H werd binnengebracht. Introverter dan ooit. Hij ging meteen met zijn hoofd op zijn armen aan tafel zitten, en wat Dé en ik ook zeker een uur lang probeerden, er was geen woord uit te krijgen.

Ondertussen had ik Gerda natuurlijk ook volledig op de hoogte gebracht, en omdat zij vanuit haar werk ervaring had met projectietests, hebben wij haar ook kennis laten maken met de twee Haarlemse agenten, die er vervolgens mee instemden, dat Gerda zou proberen om via de tests wat meer inzicht in de persoonlijkheid van H te krijgen. Zij heeft de tests afgenomen in hetzelfde kamertje, waar Dé en ik ook al met hem bezig waren geweest. Hier heeft H wel aan meegwerkt, waarschijnlijk omdat het verhaaltjes vertellen aan de hand van platen voor hem aanzienlijk minder bedreigend was. Toch konden er geen duidelijke conclusies worden getrokken. Gerda is er met haar mentor over gaan praten, en ook hebben wij er met Jan en Marian, per slot van rekening psycho-analytici, een hele avond aan gewijd. Maar ook dat leverde niet meer op, dan dat er waarschijnlijk wel het een en ander met de jongen aan de hand zou zijn. In het gesprek dat Gerda en ik later bij ons thuis met de twee agenten hadden, en waarbij zij vroegen of Gerda met meer dan tien procent zekerheid kon verklaren, dat H iets met de verdwijning van Cheryl Morriën te maken had, want dat dat nodig was om zijn voorlopige hechtenis te verlengen, zei Gerda dat zij dat niet kon. Hierop werd H vrijgelaten, en verscheen er een berichtje in de kranten over deze zaak waarbij over H gesproken werd als over een grote fantast. Niet ten onrechte, want zoals hij ons vertelde was zijn bijnaam, ‘de struikrover’. Als ik mij goed herinner is, hoewel er nog veel onderzoek is verricht, de zaak van Cheryl nooit tot klaarheid gebracht.

Het was een onverwacht einde van mijn academische carrière, maar het waren wel spannende dagen. Daarna restten er voor mij eigenlijk alleen nog de administratieve afwikkelingen die gepaard gingen met mijn uittreden, en die waren nog ingewikkeld genoeg. Ik was natuurlijk niet de enige die van deze regeling gebruik maakte, want veel medewerkers van mijn leeftijd deden hetzelfde. Zo verdween bijna een hele generatie jaargenoten, die samen met mij hadden gestudeerd, van de universiteit. Gerda en ik hadden al besloten, dat we mijn afscheid groots zouden vieren met mijn beste vrienden en vriendinnen. Toen wij met Oud en Nieuw van dat jaar, 1956, in Normandië waren, hebben wij een tocht gemaakt naar de invasiestranden, en besloten dat het afscheid daar moest gebeuren. Per slot had de invasie plaats gevonden op 6 juni 1944, mijn twaalfde verjaardag, en mijn afscheid van de lagere school. Dus dit nieuwe afscheid moest ook weer daar plaats hebben. Wij maakten foto’s van de gedenktekens bij Omaha-beach, die wij later gebruikten als uitnodigingskaarten voor de deelnemers aan het feest. Het werd een groot succes. Wij hadden kamers voor alle deelnemers gehuurd in het Novotel van Bayeux, en een zaaltje, waar het diner zou plaatsvinden. Uitgenodigd waren Jan en Marian Beijk, Joan en Maureen Peeck, Henk en Corrie Jansen, Lot en Harry Sitters, IJsbrand van Duyn, Max Pam, Else Pistoor, Lucie de Vries en Dé Waterman en Bouke en José IJlstra.  Tijdens het diner kreeg ik tot mijn grote verrassing een vriendenboek, waaraan alle gasten hadden meegewerkt, en dat was samengesteld door Else en Lucie. Van IJsbrand kreeg ik een rond tinnetje met 50 Senior Service-sigaretten, in de originele invasieverpakking, die ik nog zo goed kende. Natuurlijk heb ik het blikje geopend, en er een eerste sigaret uit opgestoken.  Het feest is nog lang doorgegaan, temidden van de vele Engelse oudstrijders, die elk jaar nog een soort bedevaart maken naar het invasiegebied.

En daarmee was een einde gekomen aan mijn ‘werkzame’ leven. Er volgde nog een afscheidsreceptie op het lab, en daarna ben ik welgemoed het ‘zwarte gat’ ingedoken. Korte tijd later kreeg ik een uitnodiging van Maya Vervoort, de redactrice van het tijdschrift Psychologie, om een boek te schrijven over dromen. Dat kwam goed uit, want zo kon ik me nog enige tijd bezighouden met mijn werkzaamheden van de afgelopen jaren. Het werd een vrij compleet boek over alle gangbare theorieën op droomgebied, en bovendien een overzicht van de resultaten van mijn eigen onderzoekingen. Toen er een titel bedacht moest worden, noemde ik dan ook gekscherend tegen Maya ‘het complete dromenboek’, wat natuurlijk niet doorging. Na veel nadenken besloot ik toen tot ‘Sprekend nog met de nacht’ naar de openingsregel van Een winter aan zee, van een van mijn favoriete dichters A. Roland Holst. Het verscheen in 1991 en werd zeer gunstig besproken in de pers. Toen ik mijn vriend Hans Ree tegenkwam zei hij alleen maar: ‘Een mooi boek, en prachtig geschreven.’ Ook Piet Visser heeft er mij uitvoerig mee gecomplimenteerd.

Gerda en ik zijn Piet nog eens wezen opzoeken, toen hij een nieuw en zeer mooi appartement had betrokken in Bilthoven. Hij had het op de kop kunnen tikken via de vrijmetselarij, waar hij lid van was. De laatste keer dat ik hem gesproken heb was telefonisch, op zijn 89ste verjaardag in 2008. Hij vertelde toen, dat het niet zo goed met hem ging. Nog tijdens de jaren op het JSI had hij prostaatkanker gekregen en werden er gouden pennetjes in zijn prostaat geïmplanteerd, die vandaar uit de bestraling verzorgden. Dat heeft goed geholpen, want daarna had hij geen last meer. Maar nu vertelde hij, dat het toch weer begonnen was, en dat er uitzaaiingen waren naar zijn botten. In januari 2009 werd ik op een vrijdag opgebeld door Anand Kumar, die mij vertelde dat Piet was overleden, en dat de crematie de maandag daarop zou plaatsvinden. Gerda en ik wilden daar natuurlijk bij zijn en zijn meteen ’s zaterdags in de auto gestapt om naar Nederland te rijden. Daar aangekomen, belde ik Anand dat wij er waren, maar ik kreeg Winni, die mij vertelde, dat in de NRC stond dat de crematie die dag al had plaatsgehad. Zij zou niettemin aan de weet zien te komen, wat er nu precies aan de hand was, maar dat we op de afgesproken maandag toch maar met de collega’s bij elkaar moesten komen voor een lunch. Uit een volgend telefoontje van Winni bleek, dat de NRC een fout gemaakt had, en dat de rouwadvertentie twee dagen te vroeg in de krant had gestaan. Alles ging dus gewoon door op maandag.

De crematieplechtigheid in Bilthoven bleek in handen te zijn van de vrijmetselarij, die er een geheel eigen ceremonie van maakten. Stemmig was het allemaal wel, en nadat wij das Mädchen Rosmarie gecondoleerd hadden, zijn we met alle collega’s naar het restaurant Soester Duinen getogen om te lunchen en om mooie herinneringen op te halen aan Piet en zijn lab.

Het lab.

Toen ik in 1962 mijn kandidaatsexamen had afgelegd, solliciteerde ik naar de vacature van kandidaatassistent bij het Fysiologisch Laboratorium. Het lijkt een vreemde keuze voor een psychologiestudent, maar fysiologie was een verplicht bijvak voor het kandidaats in de psychologie. Het bestond uit het volgen van colleges en het bijwonen van een practicum.  Hiervoor had men jaarlijks een drie à vier assistenten nodig om dit practicum in goede banen te leiden, samen met de leider Joop Hueting, zelf een afgestudeerde psycholoog. Ik werd aangenomen, en dus zou mijn arbeidsterrein de komende jaren het Fysiologisch Laboratorium aan het Joseph Daniel Meyerplein zijn, vlak bij het Waterlooplein.

Er waren drie hoogleraren, met wie ik natuurlijk snel kennis maakte. In de eerste plaats de kleine, oude en kale Ten Cate, die dicht tegen zijn emeritaat aanzat, en faam genoot omdat hij nog had gestudeerd bij de grote Pavlov in Leningrad. Daardoor liep er waarschijnlijk op het practicum een hond rond, met een fistel onder in zijn bek, waaruit speeksel drupte als je hem een biskwietje voorhield. Als je dit koekje combineerde met een belletje, dan zou de hond later ook bij enkel het belletje gaan kwijlen, en dan had je een echte geconditioneerde reflex bij de hond doen ontstaan. Van Ten Cate herinner ik mij nog, dat hij op college urenlang kon uitweiden over de ‘sensiebele banen’ in het ruggemerg. De tweede hoogleraar was Jaap Boeles, die was aangesteld als fysioloog bij de medische faculteit. Zijn colleges waren een stuk levendiger dan die van Ten Cate, en ik bezocht ze dan ook graag. Voor het fysiologie-onderwijs aan de psychologen was Piet Visser aangesteld, en met hem heb ik gedurende al mijn jaren op de universiteit direct te maken gehad. Hij had een beetje hetzelfde postuur als Boeles, met eveneens zwart haar, dat glad achterover gekamd was. Later ben ik er achter gekomen, dat ik Visser al eerder had meegemaakt. Het was in de junidagen van 1953, toen ik, tijdens mijn officiersopleiding in militaire dienst, een hygiënecursus volgde in Neerijnen, een plaatsje in de Betuwe, boven Zaltbommel. Visser gaf daar, als gezondheidsofficier, enige lezingen. In het Liber amicorum, dat  hem bij zijn afscheid werd aangeboden, noemde ik het ‘le temps des cerises’, en ik schrijf: ‘Ik leerde van hem hoe in de oorlogsuitrusting van elke soldaat een spuit atropine zat, ter bestrijding van aanvallen met gifgas. Na afloop vroeg ik hem het verschil tussen atropine en adrenaline. Als asthmaticus kende ik de werking van adrenaline, en uit zijn verhaal meende ik op te maken dat er bepaalde overeenkomsten waren met atropine. Hij heeft het mij uitvoerig uitgelegd, maar ik kon toen niet bevroeden dat er enige jaren later nog vele, vele lessen zouden volgen, die uiteindelijk resulteerden in een proefschrift onder zijn promotorschap. En ook in dat proefschrift kwamen adrenaline en atropine weer ter sprake…Als ik zeg, dat Visser mijn leermeester was, dan spreek ik dus geen lichtvaardige woorden.’

Naast de hoogleraren waren er nog een aantal mensen werkzaam op het lab. Menno van L., een medicijnenstudent, die naast Joop H. het prakticum leidde, Miep H. een psychologie-studente, die een onderzoek met ratten deed, en Rie van R., al afgestudeerd als psychologe,  en nu bezig aan een promotie-onderzoek, waarbij zij konijnen een experimentele neurose probeerde bij te brengen via een klassieke conditioneringsopstelling, met pufjes ammoniak die als onvoorwaardelijke prikkel werden gebruikt, en die er toe leidden, dat de konijnen een vertraging van de hartslag kregen. Het leek Visser een goed idee, dat ik zou worden ingeschakeld bij het onderzoek van Miep, want het practicum nam maar een klein deel van de tijd in beslag, en voor de andere tijd was je per slot ook aangesteld. Ik zou mij dan moeten bezighouden met de ratten uit hun kooien halen, om ze vervolgens naar de opstelling van Miep te dragen, geklemd tegen de borst van mijn witte laboratoriumjas. De ratten, groot en bruin, waren gehuisvest in kleine kooitjes van zinken tralies rondom, waarin zij zich niet eens konden keren. Om ze eruit te halen moest ik het deurtje openmaken en met mijn hand de kooi binnengaan om de rat te pakken. Ik gruwde ervan, en de koude rillingen liepen mij werkelijk over de rug, want ratten zijn niet mijn favoriete knuffels. Ik heb het een ochtend gedaan, geloof ik, en zei toen dat ik liever iets anders deed, dat ik liever met mensen werkte. Daar had men begrip voor, en ik heb me verder altijd verre gehouden van het onderzoek met ratten als proefdieren. Later werkte men trouwens met witte ratten met rooie oogjes, die er in ieder geval vriendelijker uitzagen. En ook hun huisvesting werd aanzienlijk verbeterd.

Met Joop H en zijn vrouw Ditha raakten wij goed bevriend, en wij kwamen over en weer bij elkaar over de vloer, en speelden dan poker. Vooral Ditha was een enthousiaste speelster. Na afloop brachten zij ons vanuit West met de auto naar huis, en dan deden wij nog even de Zeedijk aan om een broodje gehaktbal te eten. Het waren gezellige avonden. Ditha was een dochter van de broer van Anton Philips, en dat verklaart waarschijnlijk dat hun huis vol hing met ‘echte’ kunst, zoals een Gerard Dou, een Jan van Goyen, Albert Cuyp  and that lot. Toen wij hen eens een bezoek brachten, samen met Bouke IJlstra en Josée, zij woonden toen al in Buitenveldert, keek Bouke zijn ogen uit, en, eenmaal weer op straat, zei hij tegen mij: ‘Joh, Mels, die mensen zijn rijk.’ Ongeveer twee jaar geleden hebben wij hen weer eens bezocht. Na jaren Brussel, waar Joop hoogleraar was geworden, waren zij teruggekeerd naar Nederland en woonden nu in een fraai appartement in Castricum. Het viel ons op, dat de  kostbare schilderijen niet meer aan de muren hingen, en toen Gerda ernaar informeerde, vertelde Ditha dat in de nacht voor de verhuizing naar Nederland alle schilderijen uit hun woning waren gestolen. Zij deden er erg laconiek over en hadden zich duidelijk neergelegd bij de feiten die nu eenmaal zo waren.

In 1969 kreeg Joop landelijke bekendheid. Het lab was in 1965 verhuisd naar een nieuw gebouw van de Universiteit, Het Jan Swammerdaminstituut, aan de 1ste Constantijn Huygensstraat, naast het W.G. Wij werden daar gehuisvest op de bovenste, de zevende etage. ‘Dat spreekt vanzelf’, zei Visser bij die gelegenheid, ‘de hersens zitten bovenin.’ Joop werkte daar druk aan de experimenten, die tot zijn proefschrift moesten leiden. Het ging over de invloed van amphetamine op het prestatievermogen van wielrenners. Onder zijn proefpersonen bevonden zich een aantal amateurwielrenners, die zich uit de naad moesten trappen op een fietsergometer. Er werden een aantal fysiologische functies geregistreerd, en de proefpersonen moesten ook hun subjectieve vermoeidheidsgevoelens aangeven. Wat ik me van de resultaten kan herinneren, is dat de prestaties  niet zichtbaar verbeterden onder invloed van de amphetamines. Het was zeker niet wat men had verwacht, en het deed dan ook veel stof opwaaien in de wielrennerij. Maar veel meer indruk maakte een stelling, die hij aan zijn proefschrift toevoegde, en die ging over het feit dat Nederlandse militairen zich tijdens de politionele acties in Indonesië hadden schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden. Joop was zelf in die tijd uitgezonden naar Indonesië om deel te nemen aan de politionele acties. Deze stelling sloeg in als een bom en stuitte op veel weerstand bij verenigingen van oud-miltairen. Ook de pers stortte zich erop, en de linkse en rechtse politieke partijen stonden weer eens lijnrecht tegenover elkaar. Achter het Nieuws met Herman Wigbold en Hans Jacobs wijdde er uitzendingen aan, er was een forum, ik meen in de Rode Hoed, met Hans Jacobs, Henk Vonhoff, de Amsterdamse wethouder Koets, en zelfs Schermerhorn, als ik me goed herinner. In de dagen daarna kwamen er bedreigingen aan het adres van Joop, die zo ernstig waren, dat hij zich genoodzaakt zag om met Ditha enige tijd onder te duiken. Daarna luwde de opwinding wat, maar  bij voorkomende gelegenheden werd Joop nog steeds gevraagd om op de TV zijn standpunten uiteen te zetten. Intussen had hij ook een leerstoel psychologie in Brussel gekregen. Maar daarin was Prof. Visser hem voorgegaan, want die zat ook al enige tijd aan de Vrije Universiteit van Brussel. Zo zaten dus de twee belangrijkste medewerkers van ons lab voor een deel van de tijd in België.

Maar, wij waren dus al enige tijd verhuisd naar het Jan Swammerdam Instituut (JSI), en ondergingen ook een verandering van status. Door allerlei bestuurlijke reorganisaties binnen de Universiteit waren wij niet langer meer een onderafdeling van de Medische Faculteit die hand- en spandiensten verleenden bij het fysiologie-onderricht aan de psychologiestudenten, maar traden toe tot de Subfaculteit Psychologie als een zelfstandige vakgroep, die de naam Psychofysiologie kreeg. Daarmee werden wij ook een hoofdrichting, waarin psychologiestudenten desgewenst konden afstuderen. Toen ik in juni 1968 afstudeerde, kon ik tot mijn grote vreugde een aanstelling aan het lab krijgen als wetenschappelijk medewerker. Ik had  er altijd met plezier gewerkt en moest er niet aan denken, dat ik had moeten solliciteren naar een baan als psycholoog ‘in de maatschappij’.  De dag na mijn afstuderen zei Visser dat ik voortaan geen professor meer hoefde te zeggen, maar dat ik hem gewoon Piet kon noemen. Hij had mij natuurlijk altijd al getutoyeerd en mij bij mijn naam genoemd.

Mijn doctoraalwerkstuk had ik trouwens gedaan onder supervisie van mijn vriend Jan Beijk. Hij was ook geïnteresseerd in de psychofysiologie en met name in de registratie van de galvanic skin response (GSR), een plotselinge verandering in huidweerstand door een onverwachte stimulus. Als zodanig zou het een nuttig onderdeel kunnen zijn van een ‘leugen-detector’. Je laat de proefpersoon een aantal neutrale plaatjes zien, en dan een plaatje waarvan je verwacht dat hij even zal schrikken. Als standaardexperiment gebruikte Jan het bekende spelletje, dat je een getal onder de tien in gedachten moet nemen, waarna hij getallen op een scherm projecteerde, terwijl de proefpersoon verbonden was met de GSR-meter. Na afloop van de projecties viel meestal duidelijk af te lezen, welk getal de pp in gedachten had gehad. Het experiment dat ik met hem gedaan heb was naar aanleiding  van een artikel dat Jan in de Scientific American had gelezen, en waar hij zeer enthousiast over was. Het ging over een onderzoek van Hess, die gevonden had, dat de pupil, afgezien van de hoeveelheid licht die op het oog valt, ook verschillend reageert op emotionele prikkels. Zo zouden de pupillen groter worden als je kijkt naar iets dat je leuk vindt en kleiner bij prikkels die minder aangenaam van aard zijn. Vooral één experiment van hem was heel spectaculair. Hij liet mannelijke proefpersonen (ppn.), kijken naar en face-foto’s van meisjes, waarbij zij enkel maar hoefden aan te geven wat zij de leukste meisjes vonden. Van tevoren waren deze foto’s door hem bewerkt, in de zin dat hij de pupillen van de meisjes groter of kleiner had gemaakt. De ppn waren hier niet van op de hoogte. Het interessante resultaat was, dat de foto’s van de meisjes met de grote pupillen steevast aardiger gevonden werden.  De ppn konden zelf niet aangeven, waarom zij de gekozen meisjes aardiger hadden gevonden. De verklaring die Hess hiervan gaf was, dat het leuk is om naar meisjes te kijken die grote pupillen krijgen als zij naar jou kijken, omdat dat aangeeft, dat zij jou kennelijk leuk vinden. Zouden zij kleinere pupillen krijgen, dan is het tegenovergestelde het geval. De resultaten die wij met ons onderzoek kregen, waren niet zo spectaculair als die van Hess, maar zij gingen wel in dezelfde richting. In de komende jaren zou dit soort onderzoek door mij worden voortgezet, in het kader van promotie-onderzoek. Door de grote methodologische en technische problemen van de pupilmetingen, heb ik die maat laten vallen, en ben in plaats daarvan overgestapt op de hartslag, die veel gemakkelijker te registreren is en die bovendien, volgens de literatuur op vergelijkbare wijze als de pupil, reageert op plezierige en onplezierige prikkels: een vertraging bij plezierige en een versnelling bij onplezierige. Maar het zou nog tot voorjaar 1981 duren, voordat ik mijn proefschrift kon verdedigen.

Ik was dus full time-medewerker geworden, wat ook een uitbreiding van mijn functies betekende. Er was niet alleen meer het fysiologisch practicum, maar ik zou ook, naast Visser en Hueting, college moeten gaan geven. Ik zag hier nogal tegenop want het waren vaak zalen met meer dan honderd studenten. Maar het wende vrij snel, zeker toen ik merkte, dat de studenten aandachtig luisterden en instemmend lachten op de goede momenten.

Door de nieuwe situatie werden er voor het practicum niet enkel meer medicijnenstudenten aangetrokken, dit gebeurde nog wel, want zij waren goed op de hoogte van dit soort practica, maar er kwamen  ook steeds meer psychologiestudenten bij.  Ik heb er de komende jaren heel wat zien komen en gaan. En allemaal werden zij aangesteld door Piet Visser. Visser was een opmerkelijke man. Hij praatte altijd, ook als er niemand was om tegen te praten. Ik herinner mij, dat ik een keer op het lab op de wc zat, en dat Visser pratend binnenkwam terwijl hij naar de urinoirs liep. Ik dacht dat hij met een bezoeker was, maar toen ik buitenkwam, zag ik hem alleen op de gang lopen, weer op weg naar zijn kamer. De bezoeker was virtueel. Zijn manier van lopen door de gang van het lab was ook heel kenmerkend, en is door een kandidaatassistent, Johan M. eens heel trefzeker getypeerd als: de schaatsende pinguïn. Zijn witte doktersjas wapperde dan om zijn lichaam, en zijn armen hield hij daarbij enigszins wijduit, van zijn lichaam af. Een andere keer zat ik ’s ochtends nog maar net achter mijn bureau, toen Visser opbelde, met een lang verhaal. Toen het afgelopen was, liep ik de gang op, op weg naar het secretariaat, waar ik Visser tegen het lijf liep, die me hetzelfde verhaal nogmaals vertelde. Hij was totaal vergeten, dat hij het al tegen mij had verteld, en was gewoon de gang op gelopen, om het ook tegen andere medewerkers te vertellen, waarbij ik de eerste was, die hij tegenkwam. Dit kon ook hinderlijk zijn. Op een morgen, het was in de tijd van de flower power, toen de hippies bijna in het Vondelpark woonden, liep ik van mijn huis op de Spiegelgracht naar het lab, toen ik bij de Nassaukade een opstootje van mensen zag. Ik liep er heen, en zag dat een paar agenten een dode jongen uit het water hadden gehaald. Hij lag op zijn rug op de kant, en had zijn handen over zijn borst gevouwen, alsof hij in gebed was. Dit was een detail, dat de meeste indruk op mij maakte. Hoe was het mogelijk, dat iemand, terwijl hij aan het verdrinken is, zijn handen op zijn borst vouwt en waarom? Zeer geschokt vervolgde ik mijn weg naar het lab en kwam daar als eerste Visser tegen, aan wie ik vertelde van de dode jongen. Visser hoorde mij aan, en begon meteen met een verhaal over wat hij vroeger had meegemaakt. Het was duidelijk, dat hij helemaal niet naar mij had geluisterd, maar er alleen een aanknopingspunt in had gezien om zelf weer aan het woord te komen. Op dat moment maakte zich een diepe moedeloosheid van mij meester, en heb ik mij, zodra dat kon, omgedraaid om naar mijn kamer te gaan.

Visser stond bekend als een moeilijke man, die voortdurend ruzie maakte met zijn medewerkers. Niemand kon het bij hem uithouden. Dit was de algemene opinie op het psychologisch lab, maar zoals zo vaak was ook dit niet helemaal waar. Joop Hueting en Piet hadden inderdaad vaak ruzie, die stoelde op Joops mening, dat Piet onbekwaam was als onderzoeker, en nooit prof had mogen worden. Zo’n ruzie werd dan op een vergadering  ‘uitgevochten’, waarbij Joop al snel een vuurrood hoofd van kwaadheid kreeg, terwijl Piet de kalmte zelf bleef, en in korte, afgemeten zinnen te kennen gaf wat hij ervan vond. Ik herinner me, dat Joop eens bij zo’n gelegenheid zei dat Ata, de vrouw van Piet, tegen hem had gezegd, dat Piet ‘de meest gepasseerde prof van de Benelux’ was. Het ging er dus inderdaad af en toe  hard aan toe. Voor Joop kwam de gelegenheid om als prof naar Brussel te gaan dan ook uitermate gelegen. Oudere medewerkers als Rie van R en Miep H, gingen hun eigen gang, waarbij kwam, dat zij enkel op het lab werkten als gasten. Maar bij de latere medewerkers, mijzelf inbegrepen, is mij nooit iets gebleken van een langdurige vete.

Haatdragend na ruzies was hij ook niet: als de ruzie eenmaal voorbij was, was daarmee de kous af, en werd er niet verder over gesproken. Ik herinner me, hoe Josette t.H., ook een gastmedewerkster, een charmante verschijning, maar met het hart op de tong, eens bij Visser zat, om over haar onderzoek te praten en plotseling, onder het uitroepen van: ‘Dit pik ik niet langer!’ opstond en zijn kamer verliet, waarbij zij de deur met een klap achter zich in het slot gooide. Ik was net op het secretariaat, hoorde het dus en keek even bij Visser binnen om te zien wat er aan de hand was. Hij zat achter zijn bureau, keek mij met een scheef lachje aan, en zei: ‘Josetje had het weer eens op haar heupjes.’ Klaar, over. Toen hij later eens twee collega’s op bezoek had, riep hij de toenmalige secretaresse bij zich, en verzocht haar om een paar kopjes koffie te halen. Willy, de secretaresse, keek hem hooghartig aan en antwoordde: ‘Dat staat niet in mijn taakomschrijving, dat zul je zelf moeten doen.’ Zij was nog maar net aangenomen, maar de toon was hiermee gezet, en Piet heeft haar nooit meer iets dergelijks gevraagd, en haar er ook nooit over aangesproken. Het was een vorm van beschaving, die ik altijd zeer in hem bewonderd heb.

Als opvolger van Joop Hueting werd Wim van der Grind binnengehaald. En met enig enthousiasme van de kant van Piet, want Wim was een gerenommeerd onderzoeker, en nog wel op hetzelfde gebied als waarop Piet was gepromoveerd: het visuele systeem, met als proefdier de kat. Later bleek, dat hij ook uitstekend college kon geven en als hij dat deed zat ik vaak onder zijn gehoor, uit pure belangstelling. Ik heb ook eens in een werkgroep van hem gezeten, waarin een boek van Kandel over de aplysia, een zeeslak werd behandeld. Dat beest had een uitermate eenvoudig zenuwstelsel, dat als het ware per neuron gevolgd kon worden, wat heel verhelderend was voor ingewikkelder zenuwstelsels. Een mooi boek, en Wims begeleiding was fascinerend.

Tussen Piet en Wim boterde het op den duur ook niet erg, maar van ruzie was geen sprake. Dat was ook eigenlijk niet nodig, want iedereen ging er van uit, en Piet zelf waarschijnlijk ook, dat  Wim in alle opzichten superieur was. Wim ging volledig zijn eigen gang, en had als het ware een lab binnen het lab, waar hij de scepter zwaaide. Het grotere lab had hij natuurlijk wel nodig, om aan de benodigde onderzoeksgelden te komen. Hoewel hij vrij lang bij ons is gebleven, is hij toch uiteindelijk weggepromoveerd, om hoogleraar vergelijkende fysiologie in Utrecht te worden.

In deze tijd kreeg het lab, door het benoemingsbeleid van Visser, een sterk bêta-karakter. Wim van der Grind noemde ik al, en toen de computer bij ons als eerste binnen de subfaculteit zijn intrede deed, kwamen al snel Nanco B en Joop H het team medewerkers versterken. Nanco was een ingenieur, en Joop een kernfysicus, met een grote belangstelling voor parapsychologie, waar hij een exacte basis aan wilde geven. Bij ons op het lab zou hij worden aangesteld als statistisch onderzoeksbegeleider voor het hele Jan Swammerdam-instituut. Uit Amerika (Berkley-universiteit van Californië) ten slotte kwam Anand Kumar, een hard-ware IT-man, van Indiase afkomst. Met zo’n team was de aanschaf van een computer natuurlijk alleszins verantwoord, en er werden dan ook vele cusrsussen georganiseerd voor de andere medewekers, om met de monsterlijk grote machine te leren omgaan. Tijdens die cursussen kreeg ik weer hetzelfde gevoel als tijdens de lessen vuurleiding en RADAR op de officiersopleiding in Ede. Ik bezat hier geen knobbel voor en alleen al bij het ‘bootstrappen’, waarbij via een aantal magische handelingen de computer in gebruik gesteld moest worden, brak het angstzweet mij uit.

Maar ernstig was dit niet. Voor mijn experimenten had ik de computer niet nodig. Mensen van de werkplaats hadden in mijn lab.ruimte een kooi van Faraday gebouwd, waarin de proefpersonen konden zitten om naar dia’s of filmpjes te kijken, terwijl ik in de tussentijd ‘ongestoord’ hun hartslag, ademhaling e.d. kon registreren. Hier zijn alle experimenten die in mijn latere proefschrift voorkomen, uitgevoerd. Soms ging er nog wel eens een ander experiment tussendoor, als b.v. Visser snel iets wilde onderzoeken. Het spectaculairste voorbeeld van dit laatste was een onderzoek naar Mellaril. Visser had in de literatuur gelezen, dat de tranquillizer mellaril een merkwaardige bijwerking had: naast het rustgevende effect, bleek, dat de mannelijke gebruiker ook geen ejaculatie meer kreeg. De coïtus kon gewoon plaatsvinden, tot en met het orgasme, maar een ejaculatie trad niet op. Visser sprak hierover met zijn vriend, de sexuoloog Herman Musaph, door Visser altijd Moesaap genoemd, die kind aan huis was op ons lab. Zij vroegen zich af of dit waar was, en als het zo was, waar dan het sperma bleef. Om het te onderzoeken leek mijn proefopstelling ideaal: de proefpersonen konden rustig in de cabine zitten en naar pornofilms kijken om in de juiste stemming te komen. Daarna moesten zij zich aftrekken, om te zien wat er gebeurde. Toen Piet en Herman er met mij over spraken, ging ik onmiddellijk akkoord, en besloot het experiment uit te voeren met mijn vriend en collega Huib van Dis. Wij hadden al eerder samengewerkt, en waren bij voorbeeld ook eens naar de zedenpolitie gegaan om aan pornografisch materiaal te komen, voor een experiment. Wij werden uiterst gastvrij ontvangen en zij hebben ons met grote bereidwilligheid een grote hoeveelheid materiaal afgestaan, dat nu goed van pas kwam.

Voor het experiment hadden we een extra instrumentje nodig, dat in staat was om de veranderingen van de penisomtrek aan  te geven. Dat was voor de electronici een koud kunstje: zij fabriceerden een bandje met een rekstrookje erin dat om de penis moest worden gebonden en dat reageerde met een weerstandsverandering als het strookje meer of minder werd uitgerekt. En deze veranderingen in weerstand konden weer eenvoudig worden uitgeschreven op het registratiepapier van de polygraaf, zoals het grote apparaat waarmee wij werkten, werd genoemd. Bij een van de proefzittingen om het instrumentje te testen, maakten wij per ongeluk een unieke registratie: terwijl een jonge proefpersoon naar een pornofilm zat te kijken, zagen wij op het registratiepapier tot onze grote verbazing plotseling een reeks snelle golfjes verschijnen. Het bleek, dat de proefpersoon door het filmpje zo opgewonden was geraakt, dat hij spontaan een orgasme had gekregen. In ieder geval bleek hieruit, dat het instrument werkte, en dat wij met het experiment konden beginnen. De registratie heb ik altijd bewaard, als curieus document.

De opzet was gebruikelijk voor een farmacologisch experiment: de proefpersonen moesten drie keer komen; één keer kregen zij niets, één keer een placebo die er net zo uitzag als het mellariltabletje, maar geen fysiologische werking had, en één keer inderdaad de mellaril. Aan het einde van elke zitting moesten zij zich aftrekken, en het sperma opvangen in een glazen potje, zodat het door de analiste kon worden gecontroleerd op hoeveelheid en levendigheid van de spermacellen. Het werven van proefpersonen kostte weinig moeite, en onder hen bevond zich ook de schrijver Adriaan van Dis, een neef van Huib, (Adriaan noemde Huib altijd zijn geleerde neefje) die van hem had gehoord van het experiment, en dat wel eens wilde meemaken. Hij trof de eerste keer mellaril, en ejaculeerde dus niet bij het aftrekken. Toen hij de volgende keer terugkwam, zei hij dan ook: ‘Zo, gaan we weer luchtpompen?’ Maar dat viel mee, want hij kreeg toen of niets of de placebo, en dus een ejaculatie. De proefleiders, Huib en ik, waren hier ook niet van op de hoogte, zoals het hoort in een dubbelblind experiment. Omdat ik geen familie was, heb ik bij Adriaan steeds het bandje om de penis aangebracht, wat ik wèl heb geweten, want toen ik korte tijd later op De Kring kwam, waar Adriaan ook was, riep hij, toen hij mij ontwaarde: ‘Hé, daar heb je Mels de Jong ook, die heeft wel honderd keer mijn pik gezien!’ Afgezien van de overdrijving, heb ik mij niet verwaardigd daarop te reageren.

Uit het experiment bleek, dat na het slikken van mellaril inderdaad de ejaculatie uitblijft, maar hoe dat komt, en waar het eventuele sperma dan blijft, is een raadsel dat niet werd opgelost, hoezeer Visser en Musaph zich hier ook het hoofd over braken. Musaph opperde, dat het misschien de verkeerde weg neemt, en in de blaas terecht komt, maar hoe en waarom? Als er na een mellarilzitting als eens wat sperma naar buiten kwam, dan was het niet veel, en bovendien niet erg levendig, wist Catrien, de analiste, te vertellen Maar een geschikt anticonceptiemiddel voor de man, was het dus toch niet.

Een van de eerste secretaresses die bij ons op het lab kwam werken, was Lucie de V. Zij was heel jong, en kwam net van een Schoeverscursus. Zij had een vriend, Ronnie G. die voor tandarts studeerde en daarnaast ook nog speelde in een pop-bandje. We kregen direct een goed contact, zij kwamen wel op feesten bij ons thuis, en in januari 1972 heeft Ronnie mijn hele gebit gerestaureerd, in het kader van een afstudeeropdracht. Ik hoefde daar alleen maar de materiaalkosten voor te betalen, en zo kreeg ik de nodige kronen en bruggen in mijn mond. Na afloop zei Ronnie tegen mij: ‘Nou, dat zit gegarandeerd voor vijfentwintig jaar.’ Het is nu veertig jaar later en ik heb nooit meer problemen gehad. Toen Ronnie later afstudeerde en een praktijk begon in Zaandam, kreeg hij een verhouding met een tandartsassistente, Ankie, en ging ook met haar samenwonen. Met Lucie was het dus uit. Het is teveel gezegd, dat zij daarna haar troost bij mij is gaan zoeken, maar wij hebben wel een vrij langdurige amoureuze relatie gekregen. Wij zagen elkaar natuurlijk dagelijks, en zij kwam ’s ochtends altijd wel even bij mij binnenlopen om een praatje te maken. Bij mijn afscheid van de universiteit schreef zij hierover in mijn vriendenboek: ‘Afscheid van al die ochtenden dat ik jouw kamer binnenstapte om je mijn wederwaardigheden te vertellen. Jij luisterde en reageerde. Afscheid van een tijdperk, maar niet van jou.’ Veel problemen gaf het  niet, omdat Gerda ook bijzonder op Lucie gesteld was. Lucie heeft later ontslag genomen bij het lab om te gaan studeren. Aanvankelijk geschiedenis,   maar later Italiaans en Spaans, waarin zij ook is afgestudeerd. Zij kon daarna uitgezonden worden naar Ecuador om de Indianentalen daar te gaan bestuderen, maar eerst trouwde zij nog met Wim van A., iemand die wij ook al kenden, zij het toen nog niet zo goed, via Else (hij was leraar klassieke talen op hetzelfde gymnasium, waar Else Nederlands gaf). Wim, die op dat moment al geen les meer gaf, is met Lucie meegegaan naar Ecuador, en zij zijn er vier jaar gebleven. Zij behoren nog steeds tot onze beste en meest trouwe vrienden. Ronnie heeft later, toen wij uit Hoogwoud terugverhuisden naar Amsterdam, onze boerderij gekocht, en woont er nog steeds met Ankie, de assistente, zij het, dat zij vaak op Bonaire vertoeven, waar zij ook een huis hebben. Wij hebben daar één keer bij hen gelogeerd, in hun prachtige huis aan het strand. ’s Avonds zaten wij daar met een rum-cola in de hand te praten en te kijken naar grote vissen, tarpons, meen ik, die af en aan zwommen langs hun strand.  Een idyllische vakantie, die op een dag wreed werd verstoord, toen het bericht ons bereikte, dat Pim Fortuin was vermoord.

In 1972 begon op het lab ook de traditie van de fietsrally’s. Het werd een jaarlijks evenement, meestal in juni, waarnaar al lang van te voren werd uitgekeken. De rally werd steeds georganiseerd door drie medewerkers, en eindigde de eerste keren in Loenersloot, in de tuin van Piet Visser, waar men van heerlijke spijzen en drankjes kon genieten. Ata, de vrouw van Piet, verscheen dan steevast in de klederdracht van de Beemster, waar zij oorspronkelijk vandaan kwam. De eerste rally, in 1972, werd georganiseerd door Lucie, Josette en Catrien. Wij moesten ons verzamelen met onze fietsen bij de Bosbaan, in Amstelveen. We moesten allemaal bandenplakspullen bij ons hebben, regen- en zwemkleding en een hoofddeksel tegen regen of zon. Als laatste kwam Piet aan. Naar verluidt was hij onderweg aangehouden door de vreemdelingenpolitie, die in hem waarschijnlijk een illegale buitenlander zag. Hij zag er dan ook wat potsierlijk uit, met een kuitbroek, kniekousen en een uitzonderlijk grote Mexicaanse sombrero. Maar hij heeft er zich professoraal uit weten te redden. Ik had voor deze eerste rally  mijn eerste racefiets gekocht bij de Makro, en moest erg wennen aan de springerige beweeglijkheid van de fiets. De tocht voerde door Amstelveen richting Uithoorn, waarbij op het laatst ook nog enige behendigheidstests op de fiets moesten worden afgelegd, zoals wie het langzaamst op de fiets de weg over kon steken; e.d. Volgende rally’s vonden plaats in Zandvoort, Purmerend, Castricum en Het Gooi. Van deze laatste herinner ik mij nog een merkwaardig incident. Wij hadden net een nieuwe Peugeot Diesel gekocht, waarmee ik naar de plaats van samenkomst was gereden en hem daar had geparkeerd. Gerda, die die dag gewoon moest werken, zou tegen het einde van de rally met de trein komen. Toen ik tussen de middag iets uit de auto wilde halen, bleek deze verdwenen. Natuurlijk overal gezocht, maar tevergeefs. Ik was zeker van de plaats waar ik hem had neergezet, en je kon ook zien dat er achteruitrijsporen in het zand waren. Iemand was er dus mee weggereden. Ik wist niet beter te doen, dan de politie te bellen, die met een dienstauto kwam informeren wat er aan de hand was. Zij beloofden, dat zij in de buurt zouden gaan rondrijden, om te zien of zij de auto konden achterhalen. Dat konden zij, en de dievegge bleek Gerda te zijn. Zij was eerder klaar, en dus eerder gekomen. Op de parkeerplaats had zij de auto zien staan, en besloot er een eindje in te gaan rijden. Voor haar was de auto ook nieuw en zij wilde wel eens een proefritje maken. En de psychofysiologen waren toch nog met hun rally bezig…

Toen Psychofysiologie eenmaal een zelfstandige vakgroep was geworden, ontstonden er een aantal verschillende projectgroepen, te weten neuro-informatica, met vooral Van der Grind en Bordewijk, motorisch gedrag, o.l.v. Han Kemper, en slaap- en droomonderzoek, wat voor Visser het eigenlijke hoofdproject van de vakgroep moest worden, waar zoveel mogelijk medewerkers aan zouden deelnemen. Terwijl bij neuro-informatica Wim vooral geïnteresseerd was in het visuele systeem, deed Nanco B onderzoek aan het auditieve systeem. Om zich te oriënteren, wilde hij graag een jaar naar Amerika, om daar eens rond te kijken. Hij dacht aan onbetaald verlof en ging hierover praten met de afdeling personeelszaken van de subfaculteit. Daar vond men het geen goed idee. Dat lag financieel te ingewikkeld, en bovendien zou hij dan zelf de sociale voorzieningen moeten betalen, waar een groot bedrag mee gemoeid was. Men vond het beter dat hij een ‘sabbathical year’ zou opnemen. Hij zou dan gewoon doorbetaald krijgen, en moest alleen beloven, dat hij na terugkomst weer in dienst van de universiteit zou treden. Hij heeft dit gedaan, maar ging na dat jaar niet terug naar de universiteit. Daar heeft hij nooit meer iets van gehoord. Zo ging dat toen. Over bezuinigingen had men het toen niet.

Het project slapen en dromen werd ook wel aangeduid als KIPH, uit te spreken als kip ha. Achter deze letters gingen de termen schuil van kunstmatige intelligentie en patroonherkenning, twee belangrijke aspecten van slaapregistraties. Dit zeker als men nagaat, dat een registratie van één nacht een papierstrook oplevert van een kleine 300 meter. Handmatig is dit nauwelijks te verwerken, het moet op de een of andere manier automatisch kunnen, en daarvoor had Visser dan ook Anand Kumar aangetrokken, die met zijn Amerikaanse achtergrond van chipbakker in staat moest worden geacht een machine te ontwerpen voor automatische slaapstadiaherkenning. Dit gelukte Anand, maar het was maar een begin: zijn uiteindelijke doel bleef om deze machine ten slotte in een chip te kunnen bakken. Hij werkte in het onderzoek nauw samen met Winni H, die later ook met hem zou trouwen. Het was het tweede huwelijk binnen de muren van het lab, want Piets eerste promovendus, Peter M, was hem hierin voorgegaan, door ook weer een medewerkster, Irene W, te trouwen. Met Piet als getuige…’Hij lijkt ook zo op mijn eigen vader’, zei Peter wel eens.

Na verloop van tijd waren de experimenten voor mijn promotie-onderzoek achter de rug, en kon ik ook toetreden tot de ‘slaapgroep’. Ik stelde voor, dat ik mij zou gaan bezighouden met droomonderzoek, en zou gaan bestuderen in hoeverre hier experimenteel werk mee gedaan kan worden. Het werd goedgevonden, en ik stortte mij, naast het schrijven aan mijn proefschrift, op het bestuderen van de droomliteratuur.

Hoewel de vakgroep goed draaide, en veel studenten afleverde, die ook bijna allemaal (op één na) een baan vonden, zoals Visser later bij zijn afscheid trots zou vermelden in een interview, werd er op de subfaculteit psychologie toch met enig ongenoegen, en misschien wel met enige afgunst, naar ons gekeken. Want terwijl de meeste vakgroepen achteruit gingen in studentenaantal, steeg dat bij ons haast exponentieel. Daarbij kwam natuurlijk, dat alle andere vakgroepen bij elkaar in één gebouw zaten –het psychologisch laboratorium aan het Weesperplein, in de volksmond de ‘doodskist’ genoemd, vanwege het zwarte uiterlijk- en dat wij als enige gehuisvest waren in het Jan Swammerdaminstituut, grenzende aan het W.G. Wij waren ook een dure vakgroep, in de zin dat wij voor ons onderzoek een zwaar beroep deden op de voor onderzoek aanwezige gelden. En de medewerkers hielden ervan om congressen te bezoeken om verslag te doen van de experimentele resultaten en te luisteren naar andere onderzoekers. Deze reisjes werden betaald door de subfaculteit, en omdat de medewerkers van andere vakgroepen er weinig gebruik van maakten, werden onze aanvragen bijna altijd gehonoreerd. Zelf ging ik een aantal jaren elke herfst naar de jaarvergadering van de internationale werkgroep voor psychosomatiek in Londen, bijna altijd met Visser en Musaph, maar ook met mijn collega’s Huib van Dis en Jan Snel. Ook heb ik wel praatjes gehouden in Bazel, in Praag, in Mariënbad en in Szeged, Hongarije, wat tevens mijn laatste congresbezoek is geweest. Ik zou de reisjes niet graag hebben willen missen. Londen vond ik het mooiste. Niet alleen waren de bijeenkomsten interessant, maar ik had ’s avonds ook gelegenheid om naar het theater te gaan, of naar de jazzclub van Ronnie Scott in Soho, (ik heb daar vele beroemdheden zien optreden, van Linda Rondstadt tot Chet Baker) en tussen de bedrijven door ging ik naar de befaamde boekwinkel  Foyle’s,  op Tottenham Court Road, om de nieuwste uitgaven op literair gebied aan te schaffen.

Maar het valt niet te ontkennen, dat het psychologisch lab, met alle vakgroepen en commissies die daar huisden, met steeds groter wantrouwen naar het buitengebied in het J.S.-instituut keek, en vond, dat het onderzoek dat bij ons gedaan werd geen ‘echte’ psychologie was, ondanks nota’s van onze kant, vooral van Wim vd Grind, om het tegendeel aan te tonen. Wij vingen af en toe wel eens iets op, maar wat er zich precies afspeelde, werd nooit helemaal duidelijk. Toen er een nieuwe decaan aantrad, die een secretaris zocht, leek het moment gekomen om te infiltreren in de top van de subfaculteit. De nieuwe decaan was Rita Vuyk, een lange, magere en ongemakkelijke tante, die gevreesd was bij zowel studenten als medewerkers. Maar mij heeft ze altijd graag gemogen. Ik ben een tijdlang kandidaatsassistent bij haar geweest, ondanks dat ik dat ook al bij fysiologie was, en toen ik na verloop van tijd bij haar wegging, omdat de dubbelfunctie toch te zwaar werd,  was mijn ‘good will’ voldoende om Gerda zonder slag of stoot bij haar aangesteld te krijgen. Zij heeft er tot haar afstuderen in 1969 gewerkt.

In overleg met Visser besloot ik om te solliciteren naar de secretarisbaan en werd onmiddellijk aangenomen. De baan bestond uit het schrijven van brieven, maar vooral ook uit het voorbereiden van de SFR-vergaderingen, (SFR is subfaculteitsraad) die als ik mij goed herinner éénmaal in de maand plaatsvonden. Veel kon ik natuurlijk niet aan de gang van zaken veranderen, maar wel kon ik mijn lab uit de eerste hand op de hoogte houden van wat zich op het psych. lab afspeelde, en konden zij zich voorbereiden op eventueel te nemen beslissingen. Ik bemerkte, dat zodra ik alleen op de kamer zat er voortdurend medewerkers bij mij aanklopten met hun welgevallige suggesties. Vooral Jan Elshout had hier een handje van. Ik had geen macht, maar toch probeerde men mij te beïnvloeden: of ik daar niet eens met Vuyk over kon praten, e.d. Praten met Vuyk (ik mocht natuurlijk Rita zeggen), deed ik genoeg, en het waren vaak hele grappige gesprekken, zoals toen ze mij eens vertelde, dat zij altijd in de grootste BMW’s reed, omdat dat de enige auto’s waren, waar zij haar benen in kwijt kon. Van haar gevreesde kant leerde ik haar ook wel kennen, als er bij voorbeeld een studente bij haar op spreekuur kwam, die zij hardhandig te woord stond, en die daardoor steeds beteuterder werd. Na afloop zei Rita dan tegen mij: ‘Dat was weer zo’n bewusteloze griet.’ Ik herinner mij, dat ik ook eens op een spreekuur ben geweest van Vuyk. Ik was gezakt voor een schriftelijk tentamen, en meende mij op goede gronden te kunnen verdedigen. Sommige antwoorden waren niet fout, volgens mij. Ik hield bij Vuyk een gloedvol betoog, om haar van mijn gelijk te overtuigen, en ik bemerkte dat zij aandachtig naar mij luisterde. Ik dacht het pleit al beslecht te hebben, maar toen ik uitgepraat was, zei zij: ‘Je kunt mooi praten, maar de onvoldoende blijft staan.’

Als er een bijeenkomst was om de volgende SFR-vergadering voor te bereiden, met naast Rita en mij, Ruland, de administrateur, en een paar medewerkers van de onderwijs- en wetenschapscommissies, dan wist zij zelfs een hele huiselijke sfeer te creëren, met thee en koekjes, waar zij zelf voor zorgde. Kortom, ik heb het een leuke tijd gevonden, bij Rita, en toen zij niet veel later overleed, had ik daar oprecht verdriet over.

Maar het tij voor psychofysiologie bleek toch niet te keren. Er werden reorganisaties op de universiteit aangekondigd in verband met bezuinigingen, en dat ons lab daar onder te lijden zou krijgen was duidelijk. Neuro-informatica moest verdwijnen, en na het afscheid van Visser toen hij vijfenzestig werd, zou psychofysiologie moeten fuseren met functieleer, de vakgroep van Nico Frijda en Jan Elshout, waarna de nieuwe vakgroep psychonomie zou gaan heten. Wij zouden weg moeten uit het Jan Swammerdaminstituut, en werden gehuisvest in het Psychologisch Lab op het Weesperplein. Zo is het in werkelijkheid ook gegaan.

Visser heeft in juni 1984 afscheid genomen. Zelf zou hij liever tot zijn zeventigste gebleven zijn, maar dat werd niet toegestaan. Zijn hoogtepunt is ongetwijfeld geweest de organisatie van het ‘Fifth congress of sleep research’ in september 1980 in het JSI. , waar alle internationale coryfeeën op het gebied van het slaap- en droomonderzoek aanwezig waren. Maar aan zijn afscheid hebben wij veel aandacht besteed. Jan Snel en ik waren het er over eens, dat voor Piet een koninklijke onderscheiding het mooiste cadeau zou zijn, en daarom is Jan hier, in samenspraak met Ata druk voor in de weer geweest. Tot onze teleurstelling kregen wij te horen, dat het niet door zou gaan, omdat bij het antecedenteonderzoek aan het licht was gekomen, dat een broer van Piet in de oorlog lid was geweest van de W.A. Wij wisten dat wel, maar Piet had hier helemaal niets mee te maken, en koningsgezinder dan Piet kon een mens niet zijn. Wij hebben er nooit met Piet over gesproken, maar misschien heeft Ata het hem wel verteld. Maar een vriendenboek kwam er wèl, onder redactie van Alena Bruza, de Tsjechische bibliothecaresse van de vakgroep, van Winni Hofman en van mij. Het is een alleraardigst boek geworden, waar ik nog vaak in blader, met inzendingen van alle medewerkers van het lab, en van vele buitenlandse vrienden en collega’s. Ook op het Psychologisch Lab is hij gehuldigd en in de aula toegesproken door medewerkers en vooral ook door studenten, en natuurlijk vergastte hij zijn vrienden en medewerkers op een van zijn befaamde lunches in de Vechtstreek.

De laatste soortgelijke lunch die hij gegeven heeft, was als ik mij niet vergis, ter ere van zijn vijfenzeventigste verjaardag in 1994. Ik zat naast Paul Voorhoeve, en viel tijdens ons gesprek van de ene verbazing in de andere. Voorhoeve was de hoogleraar neurologie, en zat met zijn lab op de zelfde verdieping van het JSI als wij. Zijn lab huisde in de Zuidelijke helft, en dat van ons in de Noordelijke. Voorhoeve stond bekend als een internationaal befaamde onderzoeker, en hij had gewerkt in Australië bij de beroemde electrofysioloog Eccles, die twee maal de Nobelprijs ontving. Hij zag er altijd een beetje streng uit, vond ik, en toen hij op een gegeven moment zijn baard liet staan, leek hij sprekend op Freud. Ik heb nooit iets met hem te maken gehad, maar ik kwam zo nu en dan op zijn lab om vergaderingen bij te wonen van de technische commissie van het JSI, waar ik namens psychofysiologie deel van uitmaakte. Ten tijde van de lunch was hij al weg bij de universiteit, en toen ik vroeg wat hij nu deed, zei hij, dat hij sinds zijn vertrek bij de universiteit geen neurologieboek meer had ingezien en de ontwikkelingen ook helemaal niet meer volgde. De neurologie was mooi geweest, maar hij was nu met andere dingen bezig. Hij had Frans gestudeerd en was afgestudeerd aan de VU. Fantastisch vond ik dat, en helemaal toen hij vertelde dat hij, de gerenommeerde onderzoeker studentlid van de wetenschapscommissie was geweest. Hij dacht er zelfs over om te gaan promoveren op Malraux, die hij via Du Perron had leren kennen. Alweer een fantastisch verhaal, want natuurlijk was Du Perron naast Ter Braak altijd mijn literaire leermeester geweest, die mij vooral in kennis had gebracht met Léautaud, die daarna een groot deel van mijn leven zou vullen. Ik praatte met Paul verder over Du Perron, en toen vertelde hij mij, dat hij de Du Perronvereniging had opgericht, en dat hij daar nu voorzitter van was. Had ik geen zin om lid te worden? Natuurlijk had ik dat, en nog tijdens de lunch gebeurde dat. Paul zei, dat er dan en daar een bijeenkomst was, en dat ik ook moest komen. Hij zou mij nog wel bericht sturen. Hij vertelde mij ook nog, dat hij en zijn vrouw altijd met grote belangstelling mijn besprekingen in de NRC lazen.

Sinds die tijd zagen wij elkaar regelmatig. Niet alleen bij de Du Perronvereniging, waar altijd lezingen werden gehouden en die een fraai blad uitgaf onder de titel: Cahiers voor een lezer, maar ook op de bijeenkomsten van de Biografenclub, waar ik lid van was, in verband met de A.M. de Jongbiografie, waar ik toen aan werkte. Paul bezocht die bijeenkomsten omdat hij nog steeds dacht over een studie over Malraux. Hij was altijd vergezeld van zijn vrouw Hans. Ik heb hem voor het laatst gezien op de presentatie van de A.M. de Jongbiografie, want korte tijd later verhuisden wij naar Frankrijk, en moest ik het bezoeken van de bijeenkomsten opgeven. Toen wij jaren later, in 2010, op weg waren naar Grenoble, kocht ik in een krantenhalletje een NRC, die Gerda, terwijl ik verder reed doorbladerde. Plotseling zei zij: ‘Paul Voorhoeve is dood.’ Ik schrok er erg van, en heb onmiddellijk na thuiskomst een lange brief geschreven aan Hans, om haar te condoleren, en om herinneringen op te halen aan Paul, die ik zo graag nog beter had willen leren kennen. Zij schreef mij, dat Paul was overleden aan een acuut levercarcinoom, en dat het binnen de kortste keren afgelopen was.

Maar om terug te komen op Piet Visser. Zijn vrouw Ata is overleden aan borstkanker toen wij nog op het JSI huisden. Er was al eens een borst weggehaald, maar dat heeft slechts korte tijd soelaas gegeven. Piet en Ata gingen ’s winters altijd op wintersportvakantie naar Pontresina, in Oost-Zwitserland. Daar ontmoeten zij eens in de eetzaal een weduwe met haar zoontje, met wie zij onmiddellijk een goed contact hadden. Zij zagen elkaar na die tijd regelmatig, en Piet werd zelfs voogd van de jongen. Na de dood van Ata was er zelfs sprake van een vaste relatie tussen Piet en Rosmarie, de weduwe. Ik noemde haar altijd ‘das Mädchen Rosmarie’, naar aanleiding van de bekende film over das Wirtschaftswunder. Zij woonde in Bazel, en Piet bracht vrijwel al zijn vrije tijd met haar door. Hij ging naar Bazel, of zij kwam naar Loenersloot. Na zijn emeritaat zagen wij Visser een stuk minder. Wij schreven elkaar kaarten als wij op vakantie waren en met Kerstmis, en op onze verjaardagen belden wij elkaar altijd, wij waren vlak na elkaar jarig, op 2 en op 6 juni. Verder zat ik nu in de vakgroep van Frijda en deed samen met Jan Elshout, die voorzitter was, het dagelijks bestuur van de vakgroep. Mijn ervaring met Rita Vuyk bewees mij weer goede diensten. Ik had een kandidaatsassistent, Dé W., met wie ik goed overweg kon, en samen voerden wij een inhoudsanalyse uit op een groot aantal Nederlandse dromen, die door ons waren verzameld. Dit in navolging van een Amerikaans onderzoek, waarin werd vastgesteld hoe de ‘gemiddelde’ Amerikaanse droom eruit zag. Onze bedoeling was om na te gaan in hoeverre de Nederlandse droom zich liet vergelijken met de Amerikaanse. Er bleek een grote mate van overeenstemming te bestaan, tussen de dromen van beide landen. De duidelijkste verschillen waren, dat de Nederlander meer agressie vertoont in zijn droom, en de Amerikaan meer seks.

Hoewel in een andere vakgroep ging geven van onderwijs natuurlijk gewoon door, en ook de studenten die we al hadden op het JSI gingen afstuderen. Het grappigste maakte ik mee, toen mijn beste student, Guy R., afstudeerde. Ik zat, als zijn docent, in de examencommissie, naast Nico Frijda en Jan Elshout namens de vakgroep. Ik weet niet meer of Guy cum laude kreeg, maar ik zal daar in ieder geval mijn best voor hebben gedaan. Gebruikelijk is, dat de hoogleraar na afloop van het ‘examen’, een kort toespraakje houdt, en dat moest ik in dit geval vanzelfsprekend doen, want ik was de enige die hem goed kende, en hem tijdens de studie had begeleid. Toen ik klaar was, zei Guy: ‘Ik weet dat het ongebruikelijk is, maar ik zou nu ook graag iets willen zeggen, waarna hij een waar loflied afstak over mij als docent, hoe erudiet en geestig mijn colleges altijd waren, dit in tegenspraak met de colleges van zoveel andere docenten, etc. etc. Ik luisterde er met welgevallen naar, en zag hoe bij Frijda en Jan Elshout de monden van verbazing openvielen. Ik vatte het op als een compliment aan de vakgroep psychofysiologie, die altijd zo verguisd was door de andere vakgroepen, en nu van studentzijde als het ware in ere werd hersteld. Na afloop, tijdens een kopje koffie heb ik Guy dan ook uitvoerig bedankt, en hebben we nog eens hartelijk nagelachen om de verbouwereerde gezichten van Nico en Jan.

De universitaire reorganisaties waaraan ons lab ten gronde was gegaan, waren nog maar een deel van de voorgenomen bezuinigingen. Een volgende stap zou zijn, dat het mes werd gezet in het aantal medewerkers. Medewerkers van vijftig jaar en ouder konden, indien zij dat wensten, vervroegd uittreden. Zij kregen dan een aantrekkelijke wachtgeldregeling, en in hun plaats konden dan jongere en goedkopere medewerkers worden aangetrokken. Ik had hier wel oren naar, maar ik was al over de vijftig, en dacht daarom dat 55 een mooie leeftijd zou zijn om ermee te stoppen. De universiteit had ik nu wel gezien, en met de steeds krappere middelen zou het alleen maar minder prettig worden om er te werken. Bovendien kon ik dan meer gaan schrijven en/of vertalen, en daar zag ik erg naar uit. Financieel zag het er ook niet slecht uit: tot mijn zestigste zou ik 90% van mijn laatstverdiende salaris ontvangen, en van 60 tot 65 80%. Ik ben gaan praten met personeelszaken en kon inderdaad gedaan krijgen, dat ik er na mijn 55ste mee zou stoppen. Dat zou dus zijn na 6 juni 1987. Maar eerst gebeurde er nog iets anders.

In het najaar van 1986 zaten Dé en ik op mijn kamer te praten, toen wij gebeld werden door de portier dat er twee agenten beneden stonden om ons te spreken. Wij keken elkaar geschrokken aan, maar lieten hen toch maar boven komen. Zij bleken van de Haagse politie te zijn, en waren naar ons toegekomen omdat wij deskundigen waren op het gebied van dromen. Het ging erom of wij zouden kunnen beoordelen of een verhaaltje dat zij ons zouden laten zien, een echt droomverhaal was, of zomaar een fantasietje. Waar ging het om? In IJmuiden was sins korte tijd een meisje zoek van een jaar of vier, Cheryl Morriën. En nu had een jongen in Den Haag de politie gebeld, met de mededeling, dat hij een droom had gehad, dat hierover ging, en dat daarin precies de plaats werd beschreven waar ‘het’ gebeurd was. Als wij nu zouden zeggen, dat het waarschijnlijk geen droom was, dan was het de moeite waard om de jongen aan een verder onderzoek te onderwerpen en hem in voorlopige hechtenis te nemen. Dé en ik lazen het verhaaltje, en waren het er beiden over eens, dat het praktisch zeker geen droomverhaal was. Daarvoor hadden wij er al teveel van onder ogen gehad.

De gebeurtenissen daarna volgden elkaar snel op. Dé en ik werden uitgenodigd om met twee agenten van de Haarlemse rijkspolitie en de Haagse jongen, die we H.B. zullen noemen, naar IJmuiden te gaan en daar de duinen te gaan bekijken, die een rol speelden in de ‘droom’ van H. H bleek een uiterst in zichzelf gekeerde puber, die zo goed als niets zei. Wij hadden de opdracht om hem goed te observeren om uit zijn gedrag eventueel te kunnen afleiden of bepaalde plekken hem emotioneerden. Bij een plek aarzelde H zelf, en zei, dat die hem bekend voorkwam uit de droom. Door de agenten werd de plek genoteerd, en even later gingen wij weer terug. Toen Dé en ik een paar dagen later nog eens op die plek gingen kijken, bleek hij totaal omgeploegd te zijn. De politie had het zekere voor het onzekere genomen, en het gehele terrein afgegraven. Maar niets gevonden, want Dé en ik werden weer gebeld en gevraagd of wij eens met H wilden praten. Misschien kregen wij iets uit hem? Tegen de politie zei hij niets. Wij moesten naar de Koudenhornkazerne in Haarlem, waar H gevangen zat. Voor mij was het bekend terrein, want ik had daar de eerste weken van mijn dienstplicht doorgebracht, en was er dertien maanden later ook afgezwaaid. Wij werden in een klein kamertje naast de poort gelaten, waar even later H werd binnengebracht. Introverter dan ooit. Hij ging meteen met zijn hoofd op zijn armen aan tafel zitten, en wat Dé en ik ook zeker een uur lang probeerden, er was geen woord uit te krijgen.                                                            In een gesprek dat ik later bij ons thuis met de twee agenten had, en waarbij zij vroegen of ik met meer dan tien procent zekerheid kon verklaren, dat H iets met de verdwijning van Cheryl Morriën te maken had, want dat dat nodig was om zijn voorlopige hechtenis te verlengen, zei ik dat ik dat niet kon. Hierop werd H vrijgelaten, en verscheen er een berichtje in de kranten over deze zaak waarbij over H gesproken werd als over een grote fantast. Niet ten onrechte, want zoals hij ons vertelde was zijn bijnaam, ‘de struikrover’. Als ik mij goed herinner is, hoewel er nog veel onderzoek is verricht, de zaak van Cheryl nooit tot klaarheid gebracht.

Het was een onverwacht einde van mijn academische carrière, maar het waren wel spannende dagen. Daarna restten er voor mij eigenlijk alleen nog de administratieve afwikkelingen die gepaard gingen met mijn uittreden, en die waren nog ingewikkeld genoeg. Ik was natuurlijk niet de enige die van deze regeling gebruik maakte, want veel medewerkers van mijn leeftijd deden hetzelfde. Zo verdween bijna een hele generatie jaargenoten, die samen met mij hadden gestudeerd, van de universiteit. Gerda en ik hadden al besloten, dat we mijn afscheid groots zouden vieren met mijn beste vrienden en vriendinnen. Toen wij met Oud en Nieuw van dat jaar, 1956, in Normandië waren, hebben wij een tocht gemaakt naar de invasiestranden, en besloten dat het afscheid daar moest gebeuren. Per slot had de invasie plaats gevonden op 6 juni 1944, mijn twaalfde verjaardag, en mijn afscheid van de lagere school. Dus dit nieuwe afscheid moest ook weer daar plaats hebben. Wij maakten foto’s van de gedenktekens bij Omaha-beach, die wij later gebruikten als uitnodigingskaarten voor de deelnemers aan het feest. Het werd een groot succes. Wij hadden kamers voor alle deelnemers gehuurd in het Novotel van Bayeux, en een zaaltje, waar het diner zou plaatsvinden. Uitgenodigd waren Jan en Marian Beijk, Joan en Maureen Peeck, Henk en Corrie Jansen, Lot en Harry Sitters, IJsbrand van Duyn, Max Pam, Else Pistoor, Lucie de Vries en Dé Waterman en Bouke en José IJlstra.  Tijdens het diner kreeg ik tot mijn grote verrassing een vriendenboek, waaraan alle gasten hadden meegewerkt, en dat was samengesteld door Else en Lucie. Van IJsbrand kreeg ik een rond tinnetje met 50 Senior Service-sigaretten, in de originele invasieverpakking, die ik nog zo goed kende. Natuurlijk heb ik het blikje geopend, en er een eerste sigaret uit opgestoken.  Het feest is nog lang doorgegaan, temidden van de vele Engelse oudstrijders, die elk jaar nog een soort bedevaart maken naar het invasiegebied.

En daarmee was een einde gekomen aan mijn ‘werkzame’ leven. Er volgde nog een afscheidsreceptie op het lab, en daarna ben ik welgemoed het ‘zwarte gat’ ingedoken. Korte tijd later kreeg ik een uitnodiging van Maya Vervoort, de redactrice van het tijdschrift Psychologie, om een boek te schrijven over dromen. Dat kwam goed uit, want zo kon ik me nog enige tijd bezighouden met mijn werkzaamheden van de afgelopen jaren. Het werd een vrij compleet boek over alle gangbare theorieën op droomgebied, en bovendien een overzicht van de resultaten van mijn eigen onderzoekingen. Toen er een titel bedacht moest worden, noemde ik dan ook gekscherend tegen Maya ‘het complete dromenboek’, wat natuurlijk niet doorging. Na veel nadenken besloot ik toen tot ‘Sprekend nog met de nacht’ naar de openingsregel van Een winter aan zee, van een van mijn favoriete dichters A. Roland Holst. Het verscheen in 1991 en werd zeer gunstig besproken in de pers. Toen ik mijn vriend Hans Ree tegenkwam zei hij alleen maar: ‘Een mooi boek, en prachtig geschreven.’ Ook Piet Visser heeft er mij uitvoerig mee gecomplimenteerd.

Gerda en ik zijn Piet nog eens wezen opzoeken, toen hij een nieuw en zeer mooi appartement had betrokken in Bilthoven. Hij had het op de kop kunnen tikken via de vrijmetselarij, waar hij lid van was. De laatste keer dat ik hem gesproken heb was telefonisch, op zijn 89ste verjaardag in 2008. Hij vertelde toen, dat het niet zo goed met hem ging. Nog tijdens de jaren op het JSI had hij prostaatkanker gekregen en werden er gouden pennetjes in zijn prostaat geïmplanteerd, die vandaar uit de bestraling verzorgden. Dat heeft goed geholpen, want daarna had hij geen last meer. Maar nu vertelde hij, dat het toch weer begonnen was, en dat er uitzaaiingen waren naar zijn botten. In januari 2009 werd ik op een vrijdag opgebeld door Anand Kumar, die mij vertelde dat Piet was overleden, en dat de crematie de maandag daarop zou plaatsvinden. Gerda en ik wilden daar natuurlijk bij zijn en zijn meteen ’s zaterdags in de auto gestapt om naar Nederland te rijden. Daar aangekomen, belde ik Anand dat wij er waren, maar ik kreeg Winni, die mij vertelde, dat in de NRC stond dat de crematie die dag al had plaatsgehad. Zij zou niettemin aan de weet zien te komen, wat er nu precies aan de hand was, maar dat we op de afgesproken maandag toch maar met de collega’s bij elkaar moesten komen voor een lunch. Uit een volgend telefoontje van Winni bleek, dat de NRC een fout gemaakt had, en dat de rouwadvertentie twee dagen te vroeg in de krant had gestaan. Alles ging dus gewoon door op maandag.

De crematieplechtigheid in Bilthoven bleek in handen te zijn van de vrijmetselarij, die er een geheel eigen ceremonie van maakten. Stemmig was het allemaal wel, en nadat wij das Mädchen Rosmarie gecondoleerd hadden, zijn we met alle collega’s naar het restaurant Soester Duinen getogen om te lunchen en om herinneringen op te halen aan Piet en zijn lab. Op hem was zeker de mooie versregel van Charles Trenet van toepassing: ‘Longtemps après que les poètes ont disparu, leurs chansons courent encore dans les rues.’